Bidden als een weg om te gaan
2001-12-09
In het vorige artikel heb ik enerzijds een hartelijk pleidooi gevoerd om in onze kerken ruimte aan de dienst van genezing te geven, anderzijds benadrukte ik de verwachtingen daaromtrent niet te hoog op te schroeven. Ik kan me voorstellen dat deze tweeslag niet direct vertrouwen wekt, eerder de onzekerheid voedt en uiteindelijk zelfs de dienst der gebeden in zijn algemeenheid ondermijnt. Wat heeft het gebed om genezing van lichamelijke en psychische ziekte voor zin als je bij voorbaat al niet te zeer op genezing moet rekenen? Als uit de Bijbel echter iets duidelijk wordt, dan is het wel, dat ons gebed God altijd iets doet en ook dat God altijd iets doet met ons gebed. Dat wil ik dit laatste artikel n.a.v. ‘Houten’ onderstrepen aan de hand van Jezus’ gebedsonderricht in Lukas 11:1-13.- Jaargang 45
- nummer 24
In Lukas 11 is een ongekende volheid aan gebedsonderwijs te vinden. De aanleiding voor dit onderricht is een vraag van Jezus’ leerlingen: ‘Heer, leer ons bidden’ (vers 1). Hierop gaat de Heiland uitvoerig en uiterst genuanceerd in. Eerst leert Hij wát zijn leerlingen hebben te bidden (vers 2-4).
Maar daarmee is slechts een deel van hun vraag beantwoord. Een andere, nog klemmender vraag is: Wat doet God met ons gebed, hoort Hij het, verhoort Hij het? Ook om dit uiterst tere en tegelijk hachelijke punt loopt de Heer niet heen (vers 5-13).
Wonderlijk, waar wij er het zwijgen toe moeten doen als het om de beantwoording van deze vraag gaat, neemt Jezus alle tijd om er op in te gaan. Hij durft dit aan, Hij kan dit aan, Hij immers kent Zijn Vader als geen ander, Hij is de Zoon van God.
Eén rode draad
Wanneer we vervolgens Lukas 11:5-13 lezen, dan is daarin één rode draad te vinden. De kleur daarvan is feestelijk en (voor ons besef) tegelijk uiterst gewaagd.
Tot drie keer toe onderstreept Jezus dat zijn Vader altijd hoort en verhoort!
Om te beginnen gebruikt Hij het voorbeeld van iemand die plots in acute problemen is gekomen.
Noodgedwongen klopt hij (op een onmogelijk tijdstip) bij een vriend aan en hoe reageert die? Die helpt hem uit de brand natuurlijk.
Vervolgens geeft Jezus (in vers 9 en 10) een dubbele belofte: ‘Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden.
Want een ieder die bidt, ontvangt en wie zoekt vindt en wie klopt, hem zal opengedaan worden.’ Tenslotte trekt Hij de lijn opnieuw door: ‘Is er soms een vader onder u, die, als zijn zoon hem om een vis vraagt, hem voor een vis een slang zal geven? Of als hij om een ei vraagt, hem een schorpioen zal geven? …. Hoeveel te meer zal uw Vader uit de hemel de Heilige Geest geven aan hen, die Hem daarom bidden?’ Jezus leert ons hier te bidden, te blijven bidden zelfs. Hij voedt van a tot z ons Godsvertrouwen en wekt hoge verwachtingen ten aanzien van de verhoring van onze gebeden.
Drie schakeringen
Het moet echter opvallen, dat Jezus in zijn gebedsonderricht niet drie keer hetzelfde zegt. Op het eerste gezicht lijkt dat misschien zo, maar in werkelijkheid kent die ene rode draad drie verschillende schakeringen.
Verhoring per ommegaande
Het verhaal van de man die in acute nood bij zijn vriend aanklopt om hulp, zou je als volgt kunnen typeren: ‘God verhoort direct’. Zo vanzelfsprekend als het voor vrienden is elkaar onmiddellijk te helpen, zo vanzelfsprekend is dat ook voor God. Doet iemand in acute nood een beroep op Hem, dan helpt Hij. Wanneer wij Hem om brood, om de vervulling van onze primaire levensbehoeften, vragen (zie vers 3, ‘Geef ons elke dag ons dagelijks brood’) dan geldt ‘Nog voor wij Hem iets vragen, voorkomt Hij ons gebed’. Elke dag geeft God brood, zonder mankeren.
Sterker, je hoeft daarvoor zelfs niet noodzakelijk zijn vriend te zijn: Hij doet zijn zon opgaan, over bozen en goeden. En zo mogen we ook geloven dat God zonder mankeren vergeving schenkt aan hen, die Hem daarom vragen. En zo mogen we God ook om genezing vragen als wij ziek zijn.
En meestal geeft God genezing, zonder mankeren. Soms zelfs op wonderbaarlijke wijze. Dat is de zeer hoge inzet van Jezus’ gebedsonderricht.
Verhoring blijft uit
Vervolgens echter weeft de Heiland een andere tint rood door zijn onderricht.
Hij zegt: ‘Blijft bidden en u zal gegeven worden. Blijft zoeken … Blijft kloppen. Want een ieder die blijft bidden, ontvangt en wie blijft zoeken vindt …1) We zien dat hier het accent verlegd wordt van een ‘verhoring per ommegaande’ naar een verhoring op termijn. Ging het in eerste instantie om de acute lediging van een concrete nood, nu blijkt dat die kan uitblijven.
Je bidt, maar ontvangt niet meteen. Je klopt bij God op de deur, maar de deur gaat niet direct open!
Je zoekt, maar vindt niet! In zo’n situatie hebben wij de neiging de schouders op te halen en te zeggen: Laat dat bidden maar, dat heeft toch geen zin. Daartegen waarschuwt de Heiland hier. Dubbelop (omdat op het getuigenis van twee een zaak zal vaststaan) stelt Hij dat de aanhouder wint.
Bijzonder aandacht verdient Jezus’ woordgebruik. Hij zegt niet: Bidt, bidt, bidt. Hij zegt, tot twee keer toe: Bidt …, zoekt ….., klopt …. De suggestie die hiervan uitgaat is, dat het bidden geen herhaling van zetten is.
Met dat de verhoring uitblijft wordt er ook gezocht en geklopt. Het bidden krijgt zelfs de kleur van zoeken en kloppen. Maar, belooft Híj!, dan zal je ook gegeven worden, dan zul je ook vinden, dan zal de deur ook opengaan.
Niet krijgen wat je vroeg
Maar krijg je altijd precies wat je vroeg?
In vers 11 en 12 vinden we een nieuwe gelijkenis. De Here Jezus gebruikt hier het beeld van een vader en een zoon, ouders en hun kind. Het beeld van een vertrouwensband. Dat lijkt me een buitengewoon belangrijk gegeven. Hij geeft zo invulling aan het woord ‘Vader’, het woord waarmee Hij ons geleerd heeft God aan te spreken. Hoe gaat het in een gezonde ouder-kindrelatie?
De Here Jezus stelt het vragend: als een kind vraagt om een vis of een ei, dan geeft een vader of moeder toch nooit een slang of een schorpioen?
Ofwel, ouders geven een kind toch nooit het tegendeel van wat het vroeg?
Maar dat betekent niet dat ouders hun kind dus altijd geven wat het vraagt.
Jezus zegt: Je geeft geen slang of schorpioen!
Indirect zegt de Heiland zo, dat ook wij van God niet altijd krijgen wat wij vragen.
Dat kan teleurstellend zijn. Dat kan zelfs bitter en moeilijk zijn. Dat stelt het geloof op de proef, soms zwaar op de proef. Maar toch zegt Jezus hier, jullie Vader geeft geen slang of schorpioen!
Nee, ook als wij niet dat krijgen wat we vroegen geeft God Zichzelf, Zijn Heilige Geest (vers 13). God geeft altijd zichzelf. Hij komt persoonlijk onze wereld van moeiten, ellende, onzekerheden binnen. En wat dat uitwerkt kan heel verschillend zijn. Bij de één geeft Hij een vrede die alle verstand te boven gaat. Een ander ervaart dat Hij het kwade ten goede keert, ja alles doet meewerken ten goede.
Weer een ander rest dat ene woordje waarmee alles gezegd is ‘Abba, Vader’.
Paulus
Een voorbeeld hiervan is de weg van gebed die Paulus ging. Hem was een doorn in zijn vlees gegeven, een engel van de satan om hem met vuisten te slaan. In 2 Corinthe 12:7-9 doet Paulus verslag van het gesprek dat hij hierover met God is aangegaan. Hij schrijft: ‘Drie keer heb ik de Here hierover gebeden, dat hij van mij zou aflaten.’ Hieruit blijkt dat Paulus heeft gebeden, zeer dringend heeft gebeden om verlossing, genezing, bevrijding. Niet even tussendoor, maar doelgericht: ‘Verlos mij van mijn bange pijn.’ Toen hij in eerste instantie niet verhoord werd, heeft hij nogmaals gebeden. Daarna nog eens.
En ik stel me voor dat Paulus niet op de automatische piloot gebeden heeft, maar met de geestelijke zintuigen wijd open, tastend naar Gods bedoeling.
HERE God, wat heeft U voor, waar wilt U naar toe met mij? Waarom ledigt U deze nood niet. Waarom ledigt U deze nood niet direct? Wilt U mij iets leren?
Heeft U iets anders met mij voor?
Tenslotte, gaande dit gesprek met God, na verloop van weken, maanden, jaren (?) ging God in gesprek met hem.
Paulus schrijft daarover: ‘En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg, want de kracht openbaart zich ten volle in zwakheid.’ Mogelijk werd hem persoonlijk deze gedachte ingegeven, mogelijk sprak God via via tot Hem, we weten het niet. Maar Hij bracht Paulus in de moeite verder dan hij was. Een betere illustratie van zowel het bidden, zoeken, kloppen als het ontvangen en vinden zou ik in de Bijbel niet weten.
Bidden is een weg gaan
Er is in Jezus’ gebedsonderricht dus een rode draad. God is een Vader, Hij is te vertrouwen, Hij hoort en verhoort.
Kom daarom tot Hem met al je nood.
Tegelijk is er ontwikkeling. Bidden is een weg gaan. Bidden kan daarom bestaan in het verwerken van teleurstellingen, het vechten tegen verbittering.
Bidden is een gesprek, waarin ook getast wordt en gezocht. Bidden is geduld oefenen, wachten op. Maar, verzekert Jezus, wie in gesprek gaat met God zal ervaren dat God op een gegeven moment in gesprek gaat met hem.
Ruimte voor de dienst van genezing In mijn vorige artikel leek het alsof de ene hand nam wat de andere gaf (hoewel ik natuurlijk niets te geven of te nemen heb!). Hopelijk heb ik met het bovenstaande de dubbelheid die ontstond, doordat ik ‘het lijden van de tegenwoordige tijd’ zo bruusk zette naast, bijna tegenover de dienst van genezing, wat weggenomen. Er is een rode draad van verhoring en in die rode draad zijn schakeringen. Bidden is een weg gaan. En het is op deze weg, dat ik ruimte zie voor een dienst van genezing.
Op die hele weg waarop wij mensen kunnen gaan is een rol weggelegd voor het gezamenlijke bidden, een bediening van gebed. Het gezamenlijke gebed waarvan de inzet altijd lichamelijke of psychische genezing mag zijn, uitredding uit een concrete nood. Maar de rol van het gebed is niet uitgespeeld als, na herhaald gebed, de gebedsverhoring uitblijft. Dan dient het bidden, dus ook de dienst van genezing, wel van karakter te veranderen. Niet op de automatische piloot blijven bidden, maar zoeken, tasten, kloppen. Even niet bidden, maar luisteren naar elkaar, samen de Bijbel lezen, luisterend bidden, daarin zowel je mogelijkheden als je grenzen leren kennen. Wachten, geduld oefenen, elkaar daarin bemoedigen, elkaar daarin ook de ruimte laten voor het verwerken van teleurstellingen en verbittering.
Maar tegelijk blijven uitzien naar de HERE, verwachten dat Hij hoe dan ook Zelf komt, op zijn tijd en wijze, hetzij met een profetisch woord, dat de situatie doorlicht, hetzij met het besef dat kracht zich pas ten volle in zwakheid openbaart, hetzij met vrede die het verstand te boven gaat, hetzij met ….
Ik denk, dat deze dienst van gebed al eeuwenlang een plaats heeft in de gemeente van Christus. Binnenskamers vooral, maar op een bepaalde wijze ook in de gemeentelijke erediensten en met name in het onderlinge pastoraat.
Toch missen wij veelal nog een bijzondere bediening van gebed in onze kerken: er nog meer bewust biddend voor elkaar zijn in een wereld die geheel doortrokken is van ‘het lijden van de tegenwoordige tijd’. Bidden om genezing, zonder te drammen.
Samen, maar zo, dat een ieder toch even afstand kan nemen. Vragen, maar niet zonder zoeken en kloppen.
Luisterend bidden. Uiteindelijk steeds hopen op God zelf. Een dergelijke bediening, die blijft in de lijn van Jezus’ onderricht, zal zegenrijk zijn.
Noot
1. Ik volg hier de degelijk onderbouwde uitleg van S. Greijdanus, in Het heilig evangelie naar de beschrijving van Lukas I, Hoofdstukken 1 – 12, Amsterdam 1940, pag. 530-532. Voor wie de zg. Bottenburgverklaring niet heeft, zie ook zijn Korte verklaring, Kampen, z.j., pag. 292, 293.