De Kloof en de Brug (1)
2001-12-21
Gevraagd naar mijn mening over Kloof & Brug tussen kerk en wereld is mijn stelling dat we de kloof eerst in al z'n diepte en breedte moeten laten zien en dat we vervolgens de Heilige Geest moeten bidden die kloof te overbruggen. Mijn indruk is dat we tot dusver meer het omgekeerde doen. Dat we de kloof onderschatten en dat we voor de brug te weinig vertrouwen hebben in de Heilige Geest.- Jaargang 45
- nummer 25
Men zegt in de kerk wel dat het de tijd is waarin de Heilige Geest meer dan tot dusver onder onze aandacht komt.
Het zou kunnen. Maar ik zou zo graag zien dat Hij vaker aangeroepen werd voor zijn belangrijkste werk, dat Hij namelijk de spreker is van het Woord van God en de bewerker van het geloof in de harten van de mensen en de grote strateeg achter zending en evangelisatie.
Bezig met buiten
Ik vind de kerk van vandaag te evangelisatiegezind, teveel met 'buiten' bezig. Ze zou zich meer moeten inspannen de eigen leden te verzorgen.
Met name de ouderen onder ons voelen zich in hun eigen kerk verwaarloosd.
Niet sociaal, niet diaconaal, dat bedoel ik niet, maar geestelijk verwaarloosd.
Veel van wat vroeger bestond is hun ontvallen, ze moeten zich instellen op een heel andere tijd en ze worden daar praktisch niet bij geholpen. Er is veel frustratie onder hen, juist omdat ze de indruk krijgen dat ze in hun eigen kerk over het hoofd gezien worden. Teveel aandacht gaat zitten in de vraag hoe wij de wereld met het evangelie zullen bereiken.
Terwijl die wereld met de rug naar het evangelie toestaat en geen enkele aanstalte maakt de boodschap van de kerk enig krediet te geven. Bij alle zoeken immers van de wereld naar antwoorden op de problemen van onze tijd staat één ding vast: kerk en christelijk geloof kunnen ons niet helpen, ze kunnen ons zelfs gestolen worden.
Is nú de tijd?
De apostel Paulus haalt ergens in zijn brieven de profeet Jesaja aan: 'Zo zegt de HERE: Ten tijde des welbehagens heb Ik u verhoord en ten dage des heils heb Ik u geholpen' (Jesaja 49:8) en hij trekt dan voor zijn dagen deze conclusie uit dit woord: 'Zie, nú is het de tijd des welbehagens, zie, nú is het de dag des heils' (2 Corinthe 6:2). Ik vraag me, dit lezende, af of wij dat van onze tijd ook kunnen zeggen dat het nú de dag des heils is, in die zin dat de velden voor de evangelisatie wit zijn om te oogsten. Voor zending, okée, maar ook voor evangelisatie? Ik hoor mensen speculeren over een ophanden zijnd reveil in onze cultuur. Ik moet zeggen dat ik daar niets van zie en dat ik ook sterk betwijfel of zoiets inderdaad op komst is. Of zelfs maar te verwachten is. Hebben we het in onze streken niet gehad? Over oogst-witte velden gesproken, ik denk dat de islam daar meer van zal merken dan het christendom en dat onze cultuur wat betreft het evangelie het punt van verzadiging bereikt heeft.
Toerusting
Daarom acht ik de tijd gekomen dat we ons als kerk naar binnen keren en heel sterk catechetisch aan de gang moeten om de opgroeiende generaties toe te rusten met het oog op de niet eenvoudige tijd die vóór ons ligt.
We weten allemaal dat het droevig gesteld is met de geloofskennis in de kerken. De degelijke vorming ontbreekt.
Er wordt zelfs wantrouwen gezaaid tegen kennis, ten gunste van gevoel en ervaring, alsof kennis in zichzelf al dode kennis is en verstand in zichzelf al kil verstand. Het volwassen geloof heeft er recht op in de prediking gevoed te worden. Daarom moet het aangedurfd worden op het toen en daar van de tekst in te gaan en moet de verleiding weerstaan worden om in te zetten bij de vraag: wat zegt dat ons vandaag? Wat zegt het mij in mijn omstandigheden? Want eerst door het toen en daar serieus te nemen komen we op z'n diepst in het hier en nu aan.
Ik kijk vandaag wel eens met enige bewondering naar kleine kerken als die van de Gereformeerde Gemeenten.
Hoe onverstoorbaar zij kerk zijn op een naar binnen gekeerde manier en daardoor tot dusver minder te lijden hebben gehad van de leegloop. Er is op hen natuurlijk genoeg aan te merken en ik zou in hun kerken echt niet kunnen aarden, maar ik denk dat ze meer identiteitsbestendig zijn dan veel kerken die met hun identiteit geen raad weten. Zij durven het aan de vraag naar de actualiteit van vandaag te negeren, omdat het evangelie zijn eigen actualiteit meebrengt. Ik denk dat daar een groot geloof in het werk van de Heilige Geest achter zit. Dat Hij en niet wij bij machte is de kloof met het niet-geloof te overbruggen.
Raadselachtig
Maar als iemand deze verwijzing naar de Ger Gem niet zo mee kan maken, dan stappen we daar gauw vanaf en wenden ons naar de Schrift zelf. Ik denk nu concreet aan de geschiedenis van de profeet Elisa en de legeroverste Naäman in 2 Koningen 5. Naäman die met een hulpvraag bij Elisa komt en de profeet die nota bene binnen in zijn huis blijft zitten en door een bediende een boodschap aan deze heiden laat overbrengen, waar om zo te zeggen kop noch staart aanzit: Was u zeven maal in de Jordaan en gij zult rein zijn.
Zich zo met een raadselachtig woord tot een wereldling richten, wat moet je daar een groot geloof in de Heilige Geest voor hebben! En in de kracht van de zaak die je voorstaat! Dat majesteitelijke, dat fiere, dat zelfbewuste in de houding van Elisa, dat trekt mij zo aan. Geen geleur met het evangelie, maar de boodschap die je hebt ernstig nemen en de persoon die je tegenover je hebt serieus nemen. En daarom raadselachtig en nieuwsgierigmakend durven zijn.
Ik kan dat vanuit eigen ervaring met een ander voorbeeld aanvullen. In één van de gemeentes die ik heb mogen bedienen was er in de buurt waar we woonden een vreselijk ongeluk gebeurd. Een jongetje was in de sloot verdronken. Een zoontje van niet gelovige mensen. Op de begrafenis kwam ook een zuster uit onze gemeente.
Zij condoleerde de familie en zei: Soms wordt je het ene afgenomen om het andere te krijgen. Niet begrijpend namen de bedroefde ouders deze woorden in ontvangst. Het was een half jaar later dat de moeder van het jongetje die zuster der gemeente op straat aansprak.
'Herinnert u zich wat u toen gezegd hebt?'- 'Ja, zeker.' - 'Wat bedoelde u daar toen mee?' Voor de buurvrouw was toen de weg geopend om van haar geloof te getuigen, wat op de duur geleid heeft tot het christelijk worden van dit gezin.
Nieuwsgierigmakend
Twee dingen hierbij. De zuster der gemeente durfde de raadselspreuk aan, zoals Elisa. En in de tweede plaats: de eigenlijke evangelieverkondiging was hier niet een actie maar een reactie, een reageren van de zuster op een vraag van de ander. Ik zie dat vóór me als een aangewezen weg voor onze tijd om de mensen van nu met het evangelie te benaderen. EEN weg, niet DE weg, natuurlijk. Er zijn meer mogelijkheden of ook soms helemaal geen. Het is niet zo dat je elke buur moet evangeliseren.
Je moet het je ook niet als schuld laten aanpraten als je dat (nog) niet gedaan hebt. De mensen zitten echt niet op het evangelie te wachten en voelen zelfs weerzin opkomen als je ermee aankomt. Laat daarom de eerste stap gerust een raadselachtig woord zijn dat onder de invloed van de Heilige Geest de ander tot nieuwsgierigheid kan prikkelen. En heel vaak kom je niet verder dan een waakzaam opletten of er misschien ook zo'n gelegenheid komt.
Een meer binnenwaarts gerichte aandacht, dat is het wat ik hier bepleit. Ik kom met een voorbeeld. Misschien hebt u dat wel eens gezien: Op straat staan een paar mensen geboeid naar één punt te kijken. Anderen die er langs komen stappen van hun fiets af en blijven ook staan. Het duurt maar even of er is een merkbare toeloop en concentratie van mensen. Ik denk dat zo ook een kerk die naar haar Heer kijkt niet verborgen kan blijven. Die eerste kijkers richten zich niet tot de voorbijgangers: Zeg, kom er is kijken!
Nee, zwijgend kijken ze en ze zijn geboeid. En de anderen denken: Wat zou daar zijn? En ze komen erop af. Zo werkt ook een kerk die geboeid is door haar Heer aanstekelijk op haar omgeving.
De apostel Petrus schrijft aan zijn gelovigen die in een vijandige samenleving hun plaats innemen: 'Weest altijd bereid rekenschap af te leggen van de hoop die in u is, en wel met zachtmoedigheid en vreze (die twee samen bedoelen de bescheidenheid als deugd), en met een goed geweten, opdat bij al het kwaad dat men van u spreekt, zij die uw goede wandel in Christus smaden, beschaamd gemaakt worden' (1 Petrus 3:15,16). Hier wordt een passieve houding als de juiste aanbevolen in een situatie die op de evangelieprediking volgt en waarin de beslissingen gevallen zijn. Ik denk dat wij daar in onze tijd goed naar moeten luisteren.
Bid voor de wereld maar durf er ook met de rug naar toe te gaan staan.
Zonder woorden
En dan is er natuurlijk daarnaast de evangelisatie met 'de wandel zonder woorden', zoals diezelfde Petrus in diezelfde brief schrijft. Hij heeft het dan tegen christen-vrouwen over de houding die zij tegenover hun ongelovige mannen moeten aannemen: '...opdat, ook indien sommigen aan het woord ongehoorzaam zijn, zij door de wandel hunner vrouwen zonder woorden gewonnen worden, doordat zij uw reine en godvrezende wandel opmerken' (1 Petrus 3:1,2). Hij zegt dat dus tegen vrouwen die zelf christen waren geworden, terwijl hun mannen in het heidendom achterbleven. Vanzelfsprekend probeerden zij die ook over de streep te trekken, maar de tijd van de woorden ging natuurlijk niet altoos door, die mannen sloegen erop los als hun vrouwen niet ophielden te 'zeuren'.
Gingen ze vragen, die kerels, dan was er voor de woorden weer een nieuwe kans. Het advies van even eerder: 'Weest altijd bereid rekenschap af te leggen...' trad dan in werking. Maar voor de rest was het zaak dat die vrouwen zich gedeisd hielden en aan hun houding, hun kleding en hun optreden lieten zien dat ze gelovige christenen waren. Ik denk dat wij in onze tijd ook dít advies goed kunnen gebruiken.
(Lezing gehouden voor l’Abri op 30 juni 2001)