Phoebe en de Geest (2)
2001-03-02
Bladerend in oude nummers van Opbouw stuitte ik op een tweetal artikelen van drs. H. de Jong, precies een kwart eeuw geleden geschreven onder het kopje: ‘Een gesprek over de charismatische beweging’. De toen Amsterdamse predikant schreef het naar aanleiding van een brochure van ds. C. Vonk met de titel ‘Eenmaal pinksteren’. Je merkt, dat het toen meer gesprek ‘over’ was dan ontmoeting ‘met’. Dat laatste is sindsdien duidelijk gegroeid. Dat zie je terug in de persoonlijke en gemeentelijke contacten tussen (Nederlands) Gereformeerden en Evangelischen. Als ik denk aan de EO, de Christenunie, de Alpha-cursus en Willow Creek conferenties, heb ik nog maar een paar van zulke ontmoetingsplaatsen genoemd.- Jaargang 45
- nummer 5
Dichterbij
Het charismatische is dus veel dichterbij gekomen. Ik kijk dan ook inhoudelijk op van Vonk’s idee, ‘dat wij het ontvangen van de Heilige Geest of het gedoopt worden met de Heilige Geest niet nodig hebben, omdat wij nu de kostelijke Bijbel bezitten, waarin we naar hartelust mogen lezen’ (geciteerd vanuit genoemd Opbouw-artikel).
Zo radicaal had ik dat ook bij hem niet verwacht. Ik herken zo’n strikte binding van het werk van de Geest aan het Woord ook niet in de Schrift zelf. Hoe anders is de sfeer van het boek Handelingen, waar het werk van de Geest zoveel directer oogt (b.v. 8:29, 10:19, 11:28, 16:7, 21:4,11). En ook de brieven van Paulus ademen een veel grotere vrijheid, als het gaat om het werk van de Geest. B.v. als Paulus schrijft over de gaven van de Geest. Dan vloeit uit zijn pen de slotzin, dat de Geest die gaven aan een ieder in het bijzonder toedeelt, gelijk Hij wil (1 Corinthe 12).
Ik volg de gedachtegang van Vonk op dit punt dus niet en heb daarbij absoluut niet het gevoel, dat ik zo uit schriftuurlijk vaarwater raak. Integendeel! Naast de contacten met de evangelische wereld is het dus de Schrift zelf, die mij vertrouwder met het werk van de Geest heeft gemaakt. Dat geldt ook voor de - voor ons ongewone - gaven van de Geest, zoals tongentaal en gebedsgenezing. Al heb ik zelf nog nooit in tongen gesproken of iemand zien genezen, als direct antwoord op mijn gebed. Maar dichterbij kwam het wel. Daarom nog iets meer over tongentaal, gebedsgenezing en de breedte van het werk van de Geest.
Hagelslag en tongentaal
Uit onverwachte hoek komt soms een aardig hulplijntje. Ditmaal was het de achterkant van een leeg pak hagelslag, waar het helemaal niet ging over broodbeleg, maar over e-mails. Onder het kopje ‘woorden schieten te kort’ werd de jonge hagelslaggebruiker aangesproken. Als volgt: "Als je een e-mailtje schrijft, ken je het vast wel: soms schieten de woorden te kort om je uit te drukken. Bedoel je bijvoorbeeld iets heel serieus of wil je juist iets grappigs zeggen en ben je bang dat de ander het verkeerd opvat?" Vervolgens komt de schrijver met zogenaamde smileys, tekentjes waarmee je kan aangeven hoe vriendelijk, verdrietig of serieus je het bedoelt met je geschrijf. Leuk dat zo’n pak hagelslag je brengt bij de menselijke taal, het subtiele communicatiemiddel, dat God aan de mensen heeft gegeven. Zodat het mogelijk wordt om je als mens uit te spreken richting de ander, van hart tot hart. Toch heeft dit fijnbesnaarde instrument van de taal zijn grenzen. Soms lukt het onvoldoende om een diep gevoelen onder woorden te brengen. Omdat het verdriet te groot is voor woorden of omdat je vreugde de taal overstijgt. Maar ook al in een gewoon gesprek. Als je probeert duidelijk te maken wat je denkt en voelt, dan stuit je soms zo maar op de grenzen van het talige.
Zonder woorden
Deze beperktheid speelt niet alleen in het intermenselijke, maar ook in onze verhouding tot God. Zou het kunnen, zo dacht ik, dat de Heer zelf ons bij zulke grenzen opwacht en ons tegemoet komt met een gave als de tongentaal? Als een subtiel gebaar van onze Schepper, waarmee Hij aangeeft dat de weg naar Hem altijd open ligt.
Is het niet in woorden en zinnen, dan wel in ‘klanken zonder woorden’. Het is geen sprake en het zijn geen woorden, om het met psalm 19 te zeggen. En dat dan in de eerste plaats richting God en tot eigen opbouw (1 Corinthe 14:2,4)! Sterker nog, dat je zelfs kunt zeggen, dat God die uiting op zulke momenten in ons kan wekken door zijn Geest. Zodat je ook aan de woordarme, maar klankrijke uiting van wat in ons hart is gaan leven, merkt dat Gods Woord niet leeg tot Hem terugkeert.
Verdriet en vreugde
Gumbel noemt in zijn boek het moment, waarop hij hoorde van een zwaar hartinfarct bij zijn moeder. In de onwezenlijke minuten, waarin hij zich naar het ziekenhuis spoedde, wist hij niet wat hij bidden zou. Hij was blij, zo schrijft hij, dat hij toen in tongen kon bidden. Dat gaf hem een diepe rust. Maar aan de andere kant van de menselijke gevoelens heb je het ook. Ik heb wel eens gehoord van een tiener, die van niks tot geloof was gekomen. Ze vertelde een doorgewinterd christen, dat haar op God gerichte gebed of lofprijzing soms overging in vreemde klanken. Een onverdacht getuigenis, want ze was op dat moment volstrekt onbekend met het bijbels verschijnsel van de tongentaal.
Partnergave
Uit de voorbeelden alleen al blijkt, dat de gave van tongentaal meer bedoeld is voor de binnenkamer dan voor de kerkzaal. Dat is ook echt de lijn van Paulus die, zonder denigrerend te doen over deze gave, het spreken in tongen in gemeentelijke samenkomsten niet propageert. Mocht er wel van komen - en de apostel zou daar niet van omvallen - dan moet er iemand komen, die een verklarend woord spreekt. Je ziet dus dat in een gemeentelijke setting de tongentaal de partnergave van de verklaring nodig heeft.
Dat laatste zie je trouwens ook bij de gave van de profetie, die om beoordeling en toetsing vraagt (1 Corinthe 14:29).
U merkt wel, het evangelie zélf geeft alle aanleiding om minder stug en schutterig te doen tegenover deze gaven van de Geest. Want lezend in de hoofdstukken 1 Corinthe 12-14 krijg ik niet de indruk dat deze gaven na de eerste eeuw, wat Paulus betreft, wel de doofpot in konden. Ook niet als in de vroege kerk de geschriften van de apostelen gebundeld raken tot wat later het nieuwe testament zou worden. Het lijkt me veel meer in de lijn van de apostel liggen om de Schrift (ook in de voltooiing die Paulus niet gekend heeft) in het licht van tongentaal en profetie te zien als de allermooiste partnergave. Dat fijnzinnige instrument van het Woord, vol van het getuigenis van de apostelen, waaraan een meer directe sprake van de Geest getoetst kan worden.
Genezing
Laat ik ook die andere ongewone gave er nog weer even bijtrekken. Dan heb ik het over een directere vorm van heling op gebed, als een geconcentreerde variant van de alledaagse genezing. Als het gaat over dichterbij komen van zulke gaven, dan is Genesis 1 een eerste steun in de rug.
Daar hoor je dat de Geest op een onherbergzame planeet inwerkte, zodat die planeet tot onze aarde werd, meer wereld dan het ooit geweest was. Zo wordt een mens door het werk van de Geest meer mens. Eén van de blokkades op die weg is de ziekte (naast b.v. zonde en dood). Is het vreemd wanneer de Geest met gaven komt om zulke blokkades op te ruimen, al biddend?
Waarbij God bij het proces van genezing gewoon een flink stuk afsnijdt, zodat het zelfs in een oogwenk kan.
‘In the twinkling of an eye’, zoals dat in The Messiah zo triomfantelijk opklinkt en dus als een voorproefje vóór ‘the last trumpet’.
Als tweede komt de gave van genezing ons in Jezus meer nabij dan ooit tevoren. Onze Heer onderstreept immers zijn verkondiging van het nabije Koninkrijk met zijn genezend werk. En dat in een uitbundigheid, die je aan de schepping doet denken. Je ziet ook hoe Jezus dat genezend werk delegeert aan zijn apostelen (Lucas 10:9)! In die lijn is het niet verwonderlijk, dat je in het boek Handelingen veelvuldig leest over genezingen en dat Paulus deze gave gewoon meeneemt in zijn opsomming (1 Corinthe 12).
Geloof
Maar gevoelig ligt het wel met deze gave. Want het zit zo ingebakken in de schepping dat een mens gezond wil zijn - als een blijvende herinnering aan het steeds weerkerende ‘en zie het was goed’.
De teleurstelling en de verbittering liggen dus als een belager aan de deur, mocht de genezing uitblijven.
De omgang met deze gave vraagt dus om een groot geloof (zie 1 Corinthe 12:9!). Ten eerste geloof als een vaste overtuiging dat God zo’n genezing kan geven. Maar ook als vertrouwen, dat God een mens door de teleurstelling van een voortgaande ziekte heen wil dragen. Juist op dit punt heb je de vreselijke uitglijer, dat iemand een te klein geloof verweten wordt, als er op gebed geen directe genezing volgt. Daarbij komt, dat de camera bij deze gave überhaupt te veel op de zieke gericht staat. Het is toch een knipoogje richting gemeente, dat Jezus het geloof honoreert van de vier vrienden van de verlamde (Marcus 2:5). Of ook omgekeerd, dat zijn genezende kracht bijna gesmoord wordt in het ongeloof van de gemeenschap (Marcus 6:5).
Zo duidt ook Paulus op samenhangen tussen het brede gemeentelijke leven en dat wat voorvalt rond ziekte en dood (1 Corinthe 11:30). Zou het evangelie, dat zo in categorieën van ‘volk’ en ‘gemeente’ spreekt, bij gezondheid en ziekte ineens op de man of de vrouw gaan spelen? Dat geloof ik niet.
Kracht (in zwakheid)
Je merkt lezend in het Nieuwe Testament ook, dat genezing niet het één en het al is. Gods kracht kan namelijk op meer dan één manier ervaren worden. Heel triomfantelijk wordt Gods macht openbaar in de overwinning op ziekte en lijden. Paulus noemt - vaak terloops - in zijn brieven krachten en tekenen, die plaats vonden in de gemeentes aan wie hij schrijft. Als een zichtbaar en krachtig bewijs van de aanwezigheid van God. Je zou kunnen zeggen: dat is Gods kracht met de trekken van de opstanding.
Maar er is nóg een kant. Dat er geen genezing volgt, maar dat juist in de ziekte Gods kracht zichtbaar wordt.
Paulus maakt ergens zelfs een eigen ervaring vruchtbaar voor de gemeente van Corinthe (2 Corinthe 12).
De apostel ontving niet de gevraagde genezing, maar ervoer wel heel diep de kracht van God. Kracht in zwakheid, langs de weg van het kruis. Hoe moeilijk dat vaak ook is voor een mens, om die weg te aanvaarden.Het evangelie spreekt hier dus met de twee woorden van kruis en opstanding. Aan de ene kant de kracht, die uitkomt in genezing.
Maar ook de kracht van God, die zichtbaar wordt in zwakheid. Waarbij het samenbindende is dat in beide gevallen de krachtige aanwezigheid van God ervaren wordt. Zoals je tot op de dag van vandaag ziet gebeuren.
Een zieke en gezonde ontmoeten elkaar ...
Indrukwekkend vond ik in dat verband een EO-uitzending met deze beide kanten. Een vrouw vertelde van haar genezing van MS, waarbij ze aanvankelijk een diepe aanwezigheid van God ervoer, die in een later stadium ook genezend uitpakte.
Zodat ze inderdaad lopend naar huis kon. De man, die leed aan een ernstige spierziekte, had bij een krachtige voorbede wel het eerste ervaren, maar niet het tweede ontvangen. Toch overtrof de vreugde van Gods nabijheid ruim-schoots zijn teleurstelling over de uitgebleven genezing. Was er bij de vrouw nog iets van ‘waarom ik wel’, de man was ontspannen blij met de genezing van deze vrouw en de verbittering was hem vreemd. Zo kan het, dacht ik toen.
De breedte
Ik sluit af met iets over de breedte van het werk van de Geest. In het afgelopen half jaar ben ik rond dat thema wat bezig geweest met de brieven van Paulus. Nooit geweten dat er zoveel passages zijn waar de Geest ter sprake komt! Want wanneer denk je als gereformeerde écht aan het werk van de Geest. Eén keer met Pinksteren, om het vrij met Vonk’s boekje te zeggen.
Maar als je bij Paulus gaat lezen treft je de breedte van het werk van de Geest. Al bij het eerste horen van de verkondiging, de bekering, de dagelijkse gang van het leven in goed en kwaad, in gave en vrucht, gebed en omgang met het Woord van God. En dat persoonlijk en gemeentelijk. De betrokkenheid van de Geest op ons leven is breder dan ik me ooit gerealiseerd had.
God heeft zijn mensen in het jaar 35 dus niet de wereld ingestuurd met een dik boek en de bijsluiter ‘als je dat maar heel goed uitpluist, dan kom je er wel’. Maar Hij heeft van heel dichtbij - door Jezus - gezegd: ‘Ik ben met U’ (Mattheüs 28). Het vervolg van het Nieuwe Testament getuigt van die aanwezigheid van God, zichtbaar in de krachtige manifestatie van de Geest.
Ervaarbaar ook, zodat Paulus naar zulke momenten terug verwijst (Galaten 3:3).
Al lezend in de brieven van Paulus verwonder ik me er over, dat deze kant van het evangelie - dat God echt met ons is door zijn Geest - zo weinig doorwerkt( e), persoonlijk en gemeentelijk.
Phoebe
Dat raakt onze omgang met de Schrift ook op een ander punt. In deze zin, dat ons gebrek aan ervaring van de aanwezigheid van God in het hier en nu, wel eens een te grote wissel zou kunnen trekken op onze omgang met de Schrift. Zodat we in een zelfgekozen isolement vastlopen in onze eigen uitleggingen.
Ik krijg dat gevoel bij het gewik en geweeg rond kwesties als de vrouw in het ambt. Dan is elke kleinste aanwijzing van het grootste belangdenk aan Phoebe! Met de vraag of zij alleen maar diende of ook diakones was. En of dat ambtelijk was en zo ja in welke graad. Ik heb er niks tegen als één of andere wetenschapper daar zijn tanden eens inzet, maar in de christelijke gemeente moet je mijns inziens zo niet omgaan met het apostolisch getuigenis. Dan wordt het getuigenis van Paulus toch weer een boek van wetjes en letters, waar je met al je vernuft uit moet zien te komen.
Als ik de arme Phoebe zo op de snijtafel van de exegese zie liggen, verwonder ik me nog meer over de marginale en globale aandacht voor het werk van de Geest onder ons. Paulus en de anderen getuigen dat het zoveel breder, dieper en dichterbij is.