'Geoloog met de bijbel'
2001-03-02
Prof. dr Jan van de Fliert was emeritus hoogleraar aardwetenschappen aan de VU. Als christen-geoloog heeft hij zich in het verleden nadrukkelijk gemengd in het debat over schepping en evolutie. Hierbij kwam hij vanwege de ruimte die hij aan evolutie gaf, soms scherp tegenover zijn medechristenen te staan, met name tegenover de pleitbezorgers van het creationisme. Toch was de kosmos met zijn hoge ouderdom van vele miljoenen jaren voor hem onlosmakelijk met zijn geloof in de Schepper verbonden. Hij beleefde deze kosmos als de door God geschapen werkelijkheid waarin de mens als beeld van God is neergezet: ‘God heeft ons in deze wereld geplaatst en ons als christenen de taak gegeven te getuigen.- Jaargang 45
- nummer 5
Te getuigen van Zijn constantie, van Hem als Jahvèh die altijd dezelfde, de getrouwe, de Ik-zal-zijn is, door alle verandering heen. Te getuigen van ons gelóóf dat déze wereld Zìjn wereld is over de oorsprong en toekomst waarvan Hij betrouwbaar gesproken heeft in Zijn Woord, de Bijbel.’ Prof. Van de Fliert werd door zijn eigen vakgenoten wel eens ‘de geoloog met de Bijbel’ genoemd, wat hij als compliment beschouwde.
Hij wilde niets liever dan geoloog met de Bijbel zijn. Maar dan zo dat de Bijbel en de wetenschap daarbij principieel hun eigen karakter behielden. Hij was doodsbang voor een fundamentalistische manier van omgaan met de Bijbel waarbij men aan Genesis 1 een natuurwetenschappelijk wereldbeeld zou ontlenen. Aan de andere kant heeft hij ook de natuurwetenschap steeds weer aan haar eigen grenzen herinnerd. Het woord van Prediker, ‘God is in de hemel en gij zijt op de aarde…’, was hem uit het hart gegrepen. Het spreken van de natuurwetenschap zal zich moeten beperken tot de geschapen werkelijkheid waarin wij leven. Hier zullen haar resultaten serieus genomen moeten worden. Ook in het verhaal dat de aardlagen ons vertellen hebben we, aldus Van de Fliert, met openbaringsgegevens te maken, die van Godswege op onze werktafel zijn gelegd. Maar per definitie zal de wetenschap ons nooit iets kunnen vertellen over dat wat onze geschapen werkelijkheid te boven gaat. Over de eerste dingen en over de laatste dingen. Daarover kan alleen het geloof spreken, op grond van de Schrift. Het was daarbij zijn diepe geloofsovertuiging dat wie over de eerste en laatste dingen wil spreken, ook over het midden zal moeten spreken, over Jezus Christus in wie God deze kosmos met Zichzelf verzoenende was (2 Kor. 5,9).