Een christelijke (gereformeerde) moraal?
2001-03-16
De bioscoop dient door ons te allen tijde, zonder uitzondering, door jong en oud, gemeden te worden. Elke bioscoopgang, ook ter bezichtiging van een goede film, (bijvoorbeeld) de reportage van de opening van de Staten Generaal, is een steun aan deze ‘Kerk van de Satan’.- Jaargang 45
- nummer 6
Nee, u hebt gelijk: dat is niet van deze tijd. Om precies te zijn: het is van 52 jaar geleden, en de auteur is de Christelijke Gereformeerde predikant ds J.H. Velema. Dat ik deze Persschouw ermee open, is omdat de CG ethicus dr. D.J. Steensma een artikel in Ambtelijk Contact (nov. 2000; het blad bereikte mij met vertraging) ook met dit citaat begint. De vraag waarover hij schrijft is: Is er eigenlijk nog zoiets als een gereformeerde zede? Vijftig jaar geleden was dat nog zeer duidelijk - hoe is het nu? Steensma schrijft er opmerkelijk open over:
Wat moet onze houding zijn in prediking en pastoraat? Zouden wij een bepaalde levensstijl die wij gereformeerd noemen, moeten verdedigen en propageren? Een ant-woord op deze vraag is allerminst eenvoudig.Dat betekent dat wij op die vraag niet één antwoord kunnen geven, geen antwoord dat eenduidig is. Dat betekent ook dat wij onder ogen moeten zien dat de dingen niet altijd zo eenvoudig te beantwoorden zijn als wij misschien wel eens hebben gedacht.
Dit uitgangspunt concretiserend schrijft hij: Wat moeten wij in ons pastoraat, in diaconaat en prediking uitdragen ten aanzien van de gereformeerde moraal?
In de eerste plaats mogen wij voor ogen houden dat wij niet geroepen zijn een bepaalde moraal te verdedigen.
Dan zouden wij bezig zijn het werk van mensen in stand te houden. Het is de vraag of wij in dat geval dienstbaar zijn aan het koninkrijk van God. Het is maar al te vaak gebeurd dat mensen in de naam van God een bepaalde levenswijze hebben verdedigd die achteraf gezien een grote smet heeft geworpen op het koninkrijk van God. Denk aan de wijze waarop door vorige geslachten de slavernij en de apartheid met beroep op bijbelteksten werd verdedigd. Daarom zullen wij bijvoorbeeld niet zo gemakkelijk met een beroep op bepaalde bijbelteksten zeg-gen dat een vrouw geen politiek gezag mag bekleden.
Wij zijn niet geroepen om een bepaalde moraal te verdedigen, maar om het woord van God te verkondigen en de kudde van de Here te leiden in de weide van zijn Woord en in de dienst aan de naaste in nood. Dat houdt in dat wij in de prediking, het pastoraat en het diaconaat bevrijd worden van krampachtigheid. Eveneens houdt dat in dat een gereformeerde moraal geen slaven-moraal is. God heeft ons in zijn vrijheid gesteld. Een christen is (naar een woord van Luther) heer over alle dingen. Hij zal zich door niets laten knechten. Hij laat zich niet bin-den door zaken die buiten het woord van zijn God omgaan. Hij is bijvoorbeeld heer over de invulling van de zondag, over zijn lidmaatschap van een politieke organisatie, omroeporganisatie of welke organisatie dan ook. Hij staat als een vrij man onder zijn Here en boven al deze zaken. Mensen kunnen hem daarin niet binden. In dat opzicht is een christen autonoom. De enige wet die hij voor zich laat gelden is het woord van zijn Here. Dat betekent een voortdurend onderzoek naar datgene waarin de Here God vreugde heeft. Dat bepaalt ook zijn houding tegenover anderen. Hij zal zijn broeder niet binden in zaken waarin de Schrift hem niet bindt. Paulus spreekt daarover in de kwestie van het eten van offervlees. Een christen is heer over alle dingen. Daarom is er verscheidenheid in levenspatronen. Die verscheidenheid mag er ook zijn, ook onder ons die de gereformeerde belijdenis zijn toegedaan.
In de tweede plaats is een christen dienaar van alle mensen. Deze dienst kenmerkt daarom ook de gereformeerde moraal. God gebiedt ons dat wij onze naaste dienen, zoals Christus gekomen is om te dienen. Dit gebod van de liefde is een samenvatting van de wet die de Here ons heeft gegeven. Deze liefde bepaalt de moraal van de kinderen van God. Een christen richt zijn levenspatroon naar wat het heil van zijn naaste dient. In dat levenspatroon hebben ook zelfbeheersing en matigheid een plaats. Deze hebben in het verleden de gereformeerde zede gekenmerkt, deze mogen dat ook in de toekomst doen.
Zo komt Steensma tot een weldadig aandoende concentratie op datgene wat tot de kern behoort: Beslissend is uiteindelijk echter niet of Christus een gereformeerde zede zal vinden als Hij terugkomt op aarde. Beslissend is wel of Hij een volk zal vinden dat onderzoekt en toetst waar God de Vader een vreugde in heeft, een volk dat ook weet wat het is omwille van zijn naam zelfbeheersing en matigheid te betrachten, een volk dus dat Hem in waarheid volgt.
Het is verrassend om te zien hoezeer we als christenen voor dezelfde vragen blijken te staan. Het verschil tussen mensen binnen één kerkverband, maar in verschillende tijden, is veel groter dan tussen mensen die in verschillende kerken leven, maar wel elkaars tijdgenoten zijn. Zeker, er is sprake van zoiets als een fase-verschil; in de ene kerk gaan ontwikkelingen iets sneller dan in de andere; maar er is vooral sprake van een grote herkenning op het niveau van de vragen die op ons afkomen. Het zou goed zijn als we dat in de verschillende kerken ruimhartig zouden erkennen. Om dan vervolgens, in de lijn van wat Steensma zegt, op zoek te gaan naar dat waar onze hemelse Vader een vreugde in heeft. Wel te verstaan: niet gescheiden, maar samen!