Dan spreken woorden als nooit tevoren
2001-03-16
Bij ons in de kerk (NGK Utrecht) worden met regelmaat zogenaamde lofprijzingsdiensten georganiseerd. Het zijn diensten met een wat kortere preek en wat meer liederen, vooral uit de Opwekkingsbundel. De ervaring leert dat die diensten aanmerkelijk meer jongeren aanspreken dan ouderen.- Jaargang 45
- nummer 6
Zo hoorde ik laatst na de morgendienst van een oudere dame dat ze ’s middags niet naar de kerk zou komen, omdat er dan een lofprijzingsdienst zou zijn. ‘Dat spreekt me niet aan’, zei ze. En dat terwijl ze gewend is trouw ter kerke te gaan. Het verbaasde me, en toch ook weer niet. Muziek kan zulke verschillende reacties oproepen, zelfs als het inhoudelijk gezien over dezelfde zaak gaat.
Zelf ben ik in de loop der jaren in aanraking gekomen met verschillende vormen van christelijke muziek: psalmen, evangelische liederen bij de Youth for Christ, Engelse en Amerikaanse hymns bij L’Abri, en in Rusland de orthodoxe gezangen. Bij al die verschillende gezangen komen er heel specifieke herinneringen boven, die ook echt alleen bij díe gezangen horen en niet bij andere. Russische gezangen brengen de geur van wierook mee, de schittering van goudomlijste iconen, deemoedige oude vrouwtjes met hoofddoekjes en de diepe bas van de voorganger. Op die klanken lift trouwens ook een zekere laag van mijn geloof mee. Zoals dat niet minder geldt voor die andere vormen, de psalmen, hymns en songs. Ze staan alle voor een bepaalde ontwikkeling in mezelf, fasen waarin de ene keer dit, dan weer dat meer naar voren kwam.
Bij de Russische gezangen de eeuwigheid en oneindige afstand van God, bij de hymns zijn nabijheid en ga zo maar door. Blijkbaar heeft elke muziekstijl zijn eigen mogelijkheden om wel het één en niet het ander uit te zeggen.
De componist Rachmaninov heeft ooit gezegd dat muziek de taal van het hart is. Met woorden spreekt het verstand, met klank het hart. Een andere muziekstijl is dan te zien als een ander dialect dat het hart spreekt – of aanspreekt.
Gemeentelijk kan het met die verschillende ‘dialecten’ heel goed gaan, maar er sluimert ook het gevaar van spraakverwarring: Babel in de kerk. Verstandelijk kunnen al die geestelijke gezangen wel over dezelfde "zaak" gaan, maar er komt altijd iets bij dat moeilijk of helemaal niet onder woorden te brengen is. Ieder mens heeft zijn eigen taal waarin hij zijn geloof uitdrukt, en muziek die voor hem juist dát uitdrukt en niet iets anders – iets wat voor anderen ook beperkt overdraagbaar en verstaanbaar is. Soms is het trouwens niet eens een bepaalde stijl, waar iemand moeite mee kan hebben, maar zit het in de combinatie van verschillende stijlen. Ons geloof is blijkbaar niet zo postmodern als we wel zouden willen.
Muziek zegt iets wat woorden niet kunnen zeggen. Is dat ‘iets’ de reden waarom Augustinus zei dat zingen twee keer bidden is? Met het hoofd en met het hart? Wat er dan bijkomt - dat wat de woorden niet kunnen zeggenis in ieder geval iets erg persoonlijks. Misschien is het daarom dat muziek ons soms meer doet dan een (of zelfs dezelfde) gesproken boodschap. Als muziek de taal van het hart is, dan is het ergens een vorm van tongentaal, slechts bij uitzondering te begrijpen door anderen en alleen tot opbouw van de muzikant/luisteraar zelf. Trek je die lijn door, dan kom je bij de joodse nigoen, het woordeloze lied waarin het hart soleert. Zo beschouwd is het een wonder dat we in de kerk nog samen zingen.
Doet de tekst er dan helemaal niet toe? Toch wel. We hebben op één of andere manier de richting, bepaling van de woorden nodig: het woord blijft afpalen, de muziek blijft meeslepen. Soms word ik getroffen door een flard van een melodie, en zit ik weer in Rusland. Een andere keer door een regel in een lied dat ik al lang ken, maar waaruit opeens, door de één of andere gebeurtenis, de woorden worden losgemaakt, bevrijd uit de klankkast van de muziek. Dan spreken die woorden als nooit tevoren.