Een uitgebalanceerde potpourri

2001-03-16
  • Jaargang 45
  • nummer 6
Al bijna zolang ik predikant ben, vormt mijn liedkeuze een potpourri. Van alles en nog wat wordt er ‘bij mij’1 gezongen. Om daarvan een indruk te geven: psalmen en gezangen uit de oude berijming en het Liedboek voor de Kerken; kinderliederen van allerlei kaliber, onberijmde psalmen, Johannes de Heer en opwekkingsliederen.

Qua begeleiding voert het orgel nog steeds de boventoon, maar steeds vaker en vanzelfsprekender hebben andere instrumenten hun inbreng, naast en in samenwerking met het orgel. Ook laat ik graag de gemeente in beurtzang, tweestemmig of in canon zingen. Kortom, het gaat er weinig gestileerd en nogal laagkerkelijk aan toe. Echt Nederlands Gereformeerd dus?
Toch is het niet zo, dat ik lukraak maar wat prik. Aan deze potpourri ligt een gedachte ten grondslag, die -naar ik hoop- de ondoorzichtige verscheidenheid tot een eenheid maakt. Het is die van het evenwicht tussen enkele wezenlijke noties, die bij de liedkeuze tot hun recht moeten komen.

Psalmen én geestelijke liederen
Allereerst streef ik een evenwicht na tussen het zingen van de Psalmen van David(berijmd en onberijmd) en de overige liederen. Ik ben een zeer warm voorstander van het zingen van die overige liederen, maar de psalmen zijn steeds weer de haven van waaruit ik in liturgische zin vertrek. Voor de psalmen bestaat er geen alternatief.
De psalmen zijn in de eredienst wat het zwaard is voor een zeilboot. Essentieel voor het evenwicht van een zeilbootje dat over het water scheert, is de aanwezigheid van een royaal zwaard, dat voorkomt dat de boot kantelt en kapseist. Zo zie ik de functie van de psalmen in de eredienst. Zonder de diepgang van de psalmen raakt het geheel uit balans. Zonder de harde noten van de psalmen, klinkt het geheel soft en week. De psalmen waken over het werkelijk bijbels gehalte van de eredienst. Tenminste, als we ons niet beperken tot enkele aan onze ‘christelijke’ smaak aangepaste coupletjes -zoals de bundel van Johannes de Heer dat doet- maar het geheel van de psalmen tot zijn recht laten komen. Praktisch gesproken betekent dit, dat ik bij de voorbereiding ding op de dienst eerst de psalmen doorkruip, voordat ik onder de gezangen en overige liederen zoek. In de praktijk betekent dit ook, dat ik er naar streef iedere dienst minstens zoveel psalmen als andere liederen te laten zingen. Al te snel immers leggen de psalmen het af tegen het zoveel makkelijker in het gehoor liggende geestelijke lied. En voordat je het weet, groeit er tussen de gemeente en de psalmen een verwijdering, die tot gevolg heeft dat het psalmboek dicht blijft. En de vrucht van dit beleid? Wat waren we blij, dat we in Enschede, de weken na de 13e mei, konden terugvallen op tal van psalmen die recht deden aan de diepe, collectieve nood waarin we verkeerden. Maar wil je op die psalmen kunnen terugvallen, dan vraagt dat een strakke discipline van de voorganger en de eredienstcommissies om de psalmen te blijven zingen, ook als de trend binnen de gemeente op makkelijk, vlot en ‘Jezus is mijn vriend’ gericht is.

Jongeren
De andere kant van dit verhaal is, dat we er tegelijk hard aan moeten werken om de psalmen zowel qua tekst als muziek aantrekkelijk voor jongeren te houden. Wat dat laatste betreft: de psalmen kunnen vaak veel pakkender en puntiger gespeeld en gezongen worden. Mijn ervaring in de eredienst en op catechisatie is zelfs, dat sommige psalmen beter tot hun recht komen als ze begeleid worden met piano of gitaar, dan wanneer ze begeleid worden met het orgel. Psalm 2 zou zo gerapt kunnen worden, en een meer ritmische begeleiding maakt, dat heel wat psalmen behoorlijk gaan swingen. Om wat te noemen.

Themagebonden en eigen plaats
Ook zoek ik naar een evenwicht tussen liederen die aansluiten bij de centrale inhoud van de preek en liederen die daarvan los staan. Ik heb wel tijden gehad dat wat mij betreft de orde van dienst een compositie was, waarin elk gekozen lied op de één of andere wijze verband hield met het thema dat die dienst aan de orde was. Nog overigens kan ik er enorm van genieten als dat lukt. Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen, dat ik dan meestal een privéfuifje vier. Inmiddels heb ik meer het zelfstandige recht van de lofprijzing en de klacht, intocht- en zegenlied ontdekt.
Los van het gelezen Schriftdeel en de preek, zijn er momenten in de dienst waarin de gemeente zich wil neerbuigen en verootmoedigen, of opheffen en lofzeggen. Mocht ik er overigens in slagen ín die ‘zelfstandige’ momenten het thema te verwerken, dan zal ik het zeker niet laten.

Vertrouwd en verrassend
Dan streef ik naar evenwicht tussen het oude en het nieuwe, het vertrouwde en de verrassing. Alleen maar verrassingen is dodelijk vermoeiend. Alleen maar meer van hetzelfde is dodelijk saai. De herhaling van het oude en vertrouwde is nodig om je bepaalde kernen van de bijbelse boodschap eigen te maken. De verrassing van het nieuwe is nodig om open, fris en scherp te blijven. Het voordeel van het steeds weer gaan langs de bekende weg, maakt dat je die op een gegeven moment blindelings kunt vinden. Maar om te voorkomen dat je ze op de automatische piloot gaat afleggen, is het geregeld inslaan van nieuwe wegen zowel uit didactisch als theologisch oogpunt wenselijk en verrijkend.

‘Voor elk wat wils’ en toch kwaliteit
Ook probeer ik een evenwicht te bewaren tussen de diverse voorkeuren die er binnen de gemeente leven. De gemeente is een gemengd geheel van jongeren en ouderen, gereformeerd en evangelisch voelenden, hoog- en laagkerkelijken en mensen die van zingen houden en mensen die dat niet doen. ‘Voor elk wat wils’, dat is één van mijn uitgangspunten.
Dat lijkt heel populistisch en democratisch, maar de dragende gedachten hierachter zijn dat 1. Degene die ons samenroept de God en Vader van alle gemeenteleden is en 2. Wij ons in deze tijd van kerkverlating de luxe van een gereformeerde of evangelische monocultuur in de kerk niet kunnen veroorloven.
Ik streef er naar dat over het geheel genomen iedereen merkt erbij te horen. De kerkdienst immers is er voor iedereen. Tegelijk probeer ik het evenwicht te bewaren tussen het bovengenoemde ‘voor elk wat wils’ en de kwaliteitseisen. Ik vind dat heel veel moet kunnen, ook al betekent dit in de praktijk, dat mijn tenen zich wel eens krommen, maar niet alles kan. Zowel in muzikaal als in inhoudelijk opzicht zijn er grenzen. Om concreet te worden: nr. 371 van de Evangelische Liedbundel, Mijn Jezus, ik houd van U, met daarin het refrein ‘k Heb van U gehouden, maar nooit zoveel als nu, hoort in geen enkele kerkdienst thuis, hoe dankbaar ik de HERE verder ook ben voor de bijdrage die Elly en Rikkert aan het Nederlandse geestelijke lied gegeven hebben. Maar er zijn ook liederen van Huub Oosterhuis, die qua melodie magnifieke zijn, maar qua tekst zo cryptisch, dat ze ondanks hun intrigerende karakter niet in de eredienst thuis horen. Cryptogrammen maken we thuis maar, denk ik dan.

Gezonde kost en zoetigheid
Achter de ogenschijnlijke potpourri zit dus een streven naar evenwicht. Het is het evenwicht waarnaar elke opvoeder streeft, denk ik. Opvoeden betekent onder andere: normaliter gezonde kost opdienen. Bruin brood, liefst meergranen en verse groenten. Ook spruitjes moet je leren eten, etc. Maar op tafel staat ook zoet beleg en een enkele keer kopen we vers witbrood en eten we ons daar ongans aan. Om vervolgens weer over te gaan tot de orde van de dag. Nu, zo richt ik de erediensten in. Zelden komt het evenwicht in één dienst tot stand. Niet iedereen voelt zich daardoor altijd aangesproken, maar over het geheel genomen is iedereen toch redelijk tevreden. Veel belangrijker dan dat is het, te merken, dat ook zo - of is het: juíst zo?- de erediensten een middel kunnen zijn, waardoor het geheel van de gemeente van harte kan deelnemen aan dat grootse waarin wij opgenomen zijn: de ontmoeting van God met zijn volk.

verondersteld is: 1. elk lied is op de Bijbel/-bijbelseboodschap geënt; 2. de bewilliging van kerkraad en 3. bereidheid tot medewerking van gemeente.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief