Stem en tegenstem
2001-03-16
Stem en tegenstem - ze komen voor in Willem Barnards berijming van Psalm 81: 'stem en tegenstem springen op voor Hem die ons heil bewerkte'. Stem en tegenstem duiden hier vooral een muzikaal procédé aan: een weefsel van meerdere stemmen met ieder hun eigen lijnvoering of een spel van beurtzang.- Jaargang 45
- nummer 6
Juist in het psalmboek evenwel is nog op een ander niveau de tegenstem te vinden en het is de dichter Ad den Besten die daarvoor in het bijzonder aandacht gevraagd heeft. Zijn eerste verzameling liedteksten, waarvan er later vele in het liedboek opgenomen zijn, verscheen in 1965 niet voor niets onder de titel 'Loflied voor tegenstem'.
Dienstbaar dichterschap
Het dichten in dienst van de kerk, waartoe hij zich aanvankelijk slechts met moeite had laten verleiden, begon met het berijmen van de psalmen. Aan de wieg van dat project stond Miskotte met zijn vasthoudende overtuiging dat dit handwerk aan ambachtelijke dichters moest worden toevertrouwd en niet aan goedwillende, vrome rijmelaars. Met Martinus Nijhoff haalde hij Jan Wit en Willem Barnard over, en zij op hun beurt trokken hun vriend Ad den Besten over de streep. Zodra eenmaal de innerlijke reserves overwonnen waren, leidde de omgang met de psalmen tot een persoonlijke betrokkenheid. Ad den Besten zelf zegt daarover: 'Wat aanvankelijk nog niet al te sterk in ons resoneerde, de opdracht van buiten af, wekte een opdracht van binnen uit. Wij kregen de psalmen hartelijk lief, - ik hoop dat onze berijming daar getuigenis van aflegt.' In de psalmen herkende Den Besten de existentiële vragen die zich al tevoren in hem roerden, niet in het laatst vanwege de indrukken die de oorlogsjaren op hem hebben nagelaten.
Tegenstem
Met de tegenstem in de psalmen zijn de uitingen van twijfel, aanvechting, klacht en aanklacht bedoeld, zoals ze op vele plaatsen in het psalmboek stem krijgen (zie bijvoorbeeld de psalmen 10, 13, 22 en 88). Het meest bekend in dat verband zijn de woorden die ook door Jezus vanaf het kruis geroepen zijn: 'Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?' (Psalm 22,2). En wat te denken van deze woorden uit de donkerste psalm uit de hele bundel: 'Gij hebt mij in de diepste kuil gelegd, in duistere plaatsen, in diepten' (Psalm 88,7). Deze tegenstem uit het boek van de psalmen mist Den Besten in de kerkliederen uit de achttiende en negentiende eeuw. Het is ook deze tegen stem die zo opvallend afwezig is in het evangelisch-methodistische lied dat momenteel opnieuw terrein wint. Voor Den Besten ondenkbaar: 'Wanneer het geestelijk lied, waarin, hoe dan ook, de mens zijn God looft en belijdt, niet bereid of in staat is de tegenstem van de twijfel, de klacht en de aanklacht, het appèl en de kritiek ook, in zich op te nemen - zoals dat bij de psalmen het geval is - zou ik niet weten, hoe de kerk in de toekomst nog zingen moet.' Vrijwel al onze existentiële vragen zijn voor hem al in de Schriften voorzien. Zo heeft hij de tegenstem opnieuw een plaats gegeven in het kerklied en daarin ligt naar mijn idee het meest kenmerkende van zijn bijdrage aan het inmiddels alweer een kleine dertig jaar oude 'Liedboek voor de kerken'. Je komt die tegenstem tegen in zowel zijn schriftliederen als zijn vrije liederen.
Zo is het geen zaak van toeval dat juist Ad den Besten een lied schreef over het gebed van Hizkia (Jesaja 38,10-19):
Gij die 't menselijke leven hebt gewild, waarom hebt Gij het ten dode opgeschreven, waarom gaat het snel voorbij?
Wenst Gij, dat we ons nederleggen zonder vragen of verweer? Zijn die ons de dood aanzeggen wel uw engelen, o Heer? (Gezang 29)
En dat juist hij kwam tot een herdichting van de psalm van Jona (Jona 2):
Zijt Gij mijn God, ben ik uw mens nog, Here? Doet Gij vergaan wie zich van U afkeren, laat Gij mij over aan mijn lot? (Gezang 40)
Biddend spreken
Terzijde attendeer ik op de gebedstoon die voor de liederen van Ad den Besten zo kenmerkend is. Die toonaard verhindert zelfgenoegzaamheid. Het biddend spreken komt in een aantal schriftliederen naar voren in de omzetting van de derde of zelfs de eerste persoon uit het bijbelse voorbeeld in de tweede persoon. Bijvoorbeeld in het lied op de 'Ik ben'-woorden uit het vierde evangelie:
Gij zijt het brood van God gegeven; Gij zijt het water ons ten leven; Gij zijt het licht van God gegeven; Gij zijt de wijnstok van het leven; Gij zijt tot herder ons gegeven; Gij tot in alle eeuwigheid de weg, de waarheid en het leven (Gezang 75).
Of neem een vrij lied, waarin zowel de gebedstoon als de tegenstem te vinden is: Waarom moest ik uw stem verstaan?
Waarom, Heer moet ik tot U gaan zo ongewende paden? Waarom bracht Gij die onrust mij in 't bloed is dat genade? (Gezang 484)
Engagement
Nauw verbonden met de aandacht voor de tegenstem is het sociale engagement, kenmerkend voor de naoorlogse doorbraakgeneratie. Ook daarin schuilt een correctie op het piëtistische lied, zo eenzijdig verticaal gericht op de relatie tussen God en de vrome ziel, en zo weinig merkbaar geraakt door de wereld en haar problemen. Zeer pregnant komt die gerechtigheid als bijbelse notie naar voren in het volgende lied:
O Vader, trek het lot U aan
van allen die door U bestaan.
Gij die geen stenen geeft voor
brood,
wees met uw kinderen in nood;
en stil, God die rechtvaardig zijt,
de honger naar gerechtigheid.
O Vader, trek het leed U aan
van allen die met ons bestaan.
Gij hebt gezegd: geef gij hun
brood, -
doe ons hun broeders zijn in nood,
opdat zij weten, wie Gij zijt:
de God van hun gerechtigheid.
(Gezang 349)
Ook een zogenaamd vrij lied, maar intussen zeer bijbels bepaald en vol toespelingen op uiteenlopende schriftplaatsen (ik noem Mattheüs 7,9; 5,6; 14,16 en Psalm 4,2). Opnieuw in gebedstoon. En het ver doorgevoerde rijm tussen beide strofen benadrukt hoe ons bidden ons verplicht en nooit vrijblijvend kan zijn.
Zuchtende schepping
In het korte bestek van dit artikel moet veel ongenoemd blijven. Veel van wat Ad den Besten beweegt komt samen in zijn lied over de zuchtende schepping, het eerste schriftgezang dat hij maakte:
O Christus, Heer der heerlijkheid
die Gij aan ons zult openbaren, -
al 't lijden hier in deze tijd
is maar een schaduw die verglijdt,
uw licht is niet te evenaren.
Gij zult aan ons uw wederschijn,
in ons bestaan uw rijk betonen.
Dan zullen wij, uit nood en pijn
geboren, eindlijk mensen zijn,
o mensenzoon, als Gij Gods zonen.
Daarnaar ziet heel de schepping uit,
zij wacht reikhalzend van verlangen,
dat Adam haar begroet als bruid,
dat hij haar weer een zin ontsluit,
die in zinloosheid was gevangen.
Ja, eens, met ons tesaam zal zij
verlost zijn, in uw licht verheven;
dan is haar kreunen en geschrei,
dan is de barensnood voorbij -
slechts blijdschap om het nieuwe
leven.
Dank voor de Geest, ons toevertrouwd,
die ons reeds nu die dag doet prijzen!
Gij, onze hoop en ons behoud,
geef ons, het heil, van ver aanschouwd,
aan heel uw schepping te bewijzen.
(Gezang 89)
De bekende woorden van Paulus (Romeinen 8,18-24) waren voor de dichter op overrompelende wijze ervaring geworden na een bombardement op de voorsteden van Berlijn in maart 1944: 'Vol van een soort innerlijk tumult trok ik na afloop van de dienst de omliggende bossen in, zoals ik 's zondags vaker deed. Tot ik onverhoeds op een plek kwam, waar het raak was geweest. Over een hele afstand waren door het geweld bomen ontworteld en sommige lagen dwars over de weg. Andere waren halverwege afgeknapt, en om mij heen was in het hout een vreemd kreunen. Iets verderop was een boerderijtje getroffen. In de struiken hingen plukken bloederig vlees met veren. Lijfelijker kunnen het kreunen en geschrei uit de vierde strofe niet getast worden.
Menswording
Over het bijbelgebruik in dit lied zou veel te zeggen zijn. Terecht corrigeert de dichter in de derde strofe de gangbare bijbelvertaling die het barre lot van de schepping aan de Christus toeschrijft in plaats van aan de mens (Adam). Wat een hoofdletter uitmaakt: 'om hem/Hem die haar daaraan onderworpen heeft' (Romeinen 8,20). Onmiskenbaar ook zinspeelt de dichter in de tweede strofe op nog een ander woord van Paulus: 'En wij allen, die met een aangezicht, waarop geen bedekking meer is, de heerlijkheid des Heren weerspiegelen, veranderen naar hetzelfde beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid, immers door de Here, die Geest is' (2 Corinthiërs 3,18). De verbinding van beide schriftplaatsen acht ik een vondst.
In de slotregel van de tweede strofe klinkt schijnbaar achteloos de door Paulus nergens gebruikte benaming 'Mensenzoon'. In die benaming wordt heel het evangelie opgenomen en met name de verheerlijking van Jezus op de berg (Mattheüs 17,2). En dat alles onder het uitzicht op ons aller menswording. Alweer een centrale notie in de liederen van Ad den Besten.
1 . In Dichter-in-dienst, Kampen 1986, 137.
2.. Loflied voor tegenstem, Amsterdam 1965, 7.
3.. Compendium bij de gezangen uit het Liedboek voor de kerken, Amsterdam 1977, 290.