De blinde dichter van het licht
2001-03-30
Van de groep dichters die gezichtsbepalend bijdroeg aan het 'Liedboek voor de kerken' is Jan Wit (1914-1980) ongetwijfeld de meest vernuftige. Al zou je dat zo snel nog niet zeggen. Zijn liedteksten hebben immers een schijn van eenvoud, alsof het allemaal langs de neus weg gezegd wordt, en wie hem destijds wel eens heeft horen praten weet dat het ook zo klonk.- Jaargang 45
- nummer 7
Maar ondertussen is zijn taal vol raffinement, speels, ondeugend en gewaagd. Al geldt dat laatste van zijn vrije gedichten meer nog dan van zijn liedteksten.
Dienaar van het woord
Het geestelijke en het geestige smelten bij Jan Wit niet zelden samen, getuige alleen al de titel waaronder hij destijds zijn kerkliederen verzamelde: 'Ministeriale' (1966). De ministeriaal is de middeleeuwse dienstman van feodale heren, abten en bisschoppen. Twee voor het gemiddelde besef nogal uiteenlopende begrippen zijn daarvan afgeleid: de rondtrekkende speelman en liedzanger (minstreel) en de dienaar (minister), met name de dienaar van het goddelijk woord (verbi divini minister). In de titel 'Ministeriale' zijn met opzet deze beide figuren onder één noemer gevangen. Ik citeer uit de even korte als krachtige verantwoording: 'Wiens brood men eet, diens woord men spreekt; maar ook toen kwam gezag van zeggen. En wat hadden de gunners, de gulle of de karige, voor het zeggen, voor het zingen, als de minister, de minstreel het woord niet bediende? In deze geest heb ik wat hier is samengebracht geschreven en bedoeld, een aangelopen vagant die ook wel eens in de volkstaal en in de volkstoon wilde zingen, een verbi divini minister in twijfel over zijn aardse opdracht en opdrachtgevers ...
Ook de kerkelijke gunners die hem bij het werk aan het liedboek betrokken, hebben het geweten. Jan Wit betoonde zich inschikkelijker dan zijn dichtervrienden, maar speelde intussen met hen een eigen spel.
Stapstenen
Moeiteloos en vindingrijk hanteert Jan Wit de taal. Op alle fronten: woordenschat, strofenbouw, versvoeten en rijm. Hij was troubadour, trouvère, vinder bij uitstek. Aan de berijming van 57 psalmen is zijn naam verbonden, vooral omdat hij steeds oplossingen aandroeg voor regels die de andere dichters in hun berijmingen schuldig bleven. Slechts drie berijmingen staan geheel op zijn naam: naast de geliefde Psalm 84 niet geheel per toeval twee psalmen die in de oude berijming onzingbaar waren. Psalm 149 werd na het verschijnen van de berijming van Jan Wit spoedig herontdekt. Wat niet te zingen was, tenzij op hele noten: 'Dat Israël, met blijden klank, / Zijn milden Schepper loov' en dank' - dat klonk nu als een klok: 'Volk van God, loof Hem die u schiep; / Israël dank Hem die u riep.
Over de andere psalm (114) is een aardige anekdote bewaard. Toen Adriaan Schuurman uiteenzette welke eisen de melodie stelde aan de bouw van de regels, mijmerde Jan Wit: 'Als ik je goed begrijp, Adriaan, zou je iets willen hebben als: Tóen Isrel úit Egypteland wégtrók, záten de kíppen nóg in het léghók'.
Nu evenwel bepalen we ons vooral bij de nieuw geschreven liederen van Jan Wit. Verouderde woorden als mortel, klaroenen en koene daden zijn daarin te vinden, evenals vreemde woorden. Zo stond in de oorspronkelijke versie van Gezang 7: 'wie maakt de wijsheid mij bekend / van morgenland en occident / die 's levens raadsel kan verklaren?' Maar met hetzelfde gemak hanteert Jan Wit eigentijdser zinswendingen: 'door alle dingen uitgestoten, / gaat hij op alle dingen in' (Gezang 480). Geijkte taal en spreektaal staan soms vlak naast elkaar: 'want wij zijn voor de zonde dood / en wat God zelf heeft afgeschreven / zal niet herleven' (Gezang 87).
Sterk is de hantering van het rijm. In het lied bij Romeinen 7 (Gezang 88) vinden we drievoudig rijm (aBBaaB) met bovendien verrassende slepende rijmen in de derde strofe: Ik zoek de vrede en oorlog maak ik, roep vrede, en pleeg snood verraad.
Het goede willen geeft geen baat. Naar werken van de vrede haak ik, maar 't goede dat ik wil verzaak ik en doe het kwade dat ik haat. Zeer nauwkeurig was Jan Wit bekend met de bijna onuitputtelijke variatie aan strofevormen van het Geneefse psalter. Liederen die hij schreef op psalmmelodieën volgen de bouw van het voorbeeld zonder mankeren. Zie het kunstige viervoudige rijm (AAAbbbbA) van de berijming van het gebed uit Efeziërs 3 (Gezang 95); geheel naar het voorbeeld van Psalm 56: Nu bidden wij met ootmoed en ontzag de Vader aan, wiens naam aan elk geslacht in hemel en op aarde aanzijn gaf, dat, naar zijn heerlijk wezen, Hij ons de kracht des Heilgen Geestes Geve en de Messias bij ons intrek neme.
Zijn liefde is de grondslag van ons leven, de oorsprong van ons hart.
De mogelijkheden van het rijm zijn daarmee verre van uitgeput. Fraaie binnenrijmen kenmerken de berijming van Jesaja 62 (Gezang 34, regels 1 en 3). In alle strofen volgehouden, met een climax in de dubbele oproepen van de laatste strofe, geheel naar het bijbelse voorbeeld: Ruim baan, ruim baan! Gods volk mag gaan naar 't land van melk en honing.
Trekt voort, trekt voort! gaat door de poort van zijn verheven woning. De volken zien uw heilig spoor, zij volgen het en neigen voor de standaard van uw koning.
Ik leg bovendien de vinger bij het uitbundige rijm tussen de regels 5 en 6 (volken-volgen; heilig spoor-neigen voor).
De laatste regels brengen meteen op iets anders: de doorloop van regels waarin kleine en ondergeschikte woordjes tot rijmwoorden verheven worden: 'hoe pover is het offer dat / wij dragen naar de nieuwe stad' (Gezang 321). Of: 'Hij heeft mijn eer gered. / Ik kan vrijmoedig met / al wie mij hoonde spreken' (Gezang 9).
Tom Naastepad bracht het in verband met de tastzin van de blinde dichter: '... hij lóópt in zijn poëzie ... met handen en voeten. Is hij in zijn huis, ...dan houdt hij zijn handen een weinig vóór zich uit, tastende naar een meubel of een deurpost; want wat zijn handen ontmoeten is tegelijk een obstakel en een herkenning; het stuit hem in zijn beweging en geeft hem tegelijk voor die beweging een nieuwe impuls. Dat maakt dat hij zo muzikaal is en op de maat leeft ... Hij staat bij de woorden langer stil om zich er des te krachtiger op af te zetten'. Woorden als stapstenen zogezegd.
Architectuur
Er moesten nogal wat nieuwe melodieën geschreven worden voor teksten van Jan Wit, eenvoudig omdat ze ontworpen waren in nooit eerder bedachte strofevormen en er dus geen passende melodieën voorhanden waren. Breed ademende regels had hij nodig voor menige profetische of dichterlijke bijbelpericoop waar hij een lied in hoorde. Zijn liedteksten wemelen niet alleen van bouwmotieven: funderen, bouwen, paleizen, poorten, muren en tinnen.
Die teksten zelf zijn van een meesterlijke architectuur. Het lied van Mozes kreeg als beurtzang of refreinlied (Exodus 15,21) ook in de berijming een refrein mee (Gezang 6). De 'vliegende vaandels en blinkende zwaarden', de 'wagens en paarden' vormen evenwel in elke strofe het slot van een andere volzin. In aansluiting bij het Zondvloedgebed uit het doopformulier wordt in de laatste strofe de doortocht door de Rode Zee gezien als voorafbeelding van de doop en het refrein verandert mee: 'en zingende moeten het water ingaan / met slaafse ellende en vorstlijke waarde / de mensen der aarde'. Dit doorkijkje is in de voorafgaande regels voorbereid met zinspelingen op Psalm 77,20-21 en Micha 7,18-19: 'Zijn goddelijk spoor / gaat zelfs in de zee niet teloor: / de zee van zijn toorn die de zonden verzwelgt'. Zulke binnenbijbelse doorkijkjes zijn er meer in de liederen van Jan Wit.
Een enkele zinspeling op een andere bijbelplaats volstaat om een nieuw perspectief te openen, zonder dat de bewerkte bijbelpericoop uit zijn voegen gelicht wordt. Zie de zinspeling op 1 Corinthiërs 10,12 aan het slot van Gezang 33 (naar Jesaja 55): 'De vallende mensen die nu zich bekeren / zijn heiligen Gods aan de tafel des Heren'. Zie de echo vooruit van de engelenzang (Lucas 2,14) aan het slot van het lied over de tempelberg (naar Jesaja 2): 'maar zij groeten elkaar in het heldere licht / van de waarheid die eindlijk zal dagen / over mensen van zijn welbehagen'. In de melodie van Frits Mehrtens bij laatstgenoemd lied (Gezang 23) is trouwens het hameren te horen in de 'smidse van 't huis onzes Heren'.
Met alle heiligen
Onder de titel 'Tezamen met alle heiligen' bepleitte Jan Wit ooit een opzet voor een nieuwe gezangenbundel die in het Liedboek ook gevolgd is. De verbondenheid met 'de heiligen ons voorgegaan', ook in het lied, was wezenlijk voor Jan Wit. Hij berijmde dan ook het gebed uit Efeziërs 3: 'Dan zullen wij met alle heilgen saam / in 't morgenlicht op hoge tinnen staan / en hoogte en diepte, lengte en breedte van / Gods heil doormeten mogen (Gezang 95).
Bij Jan Wit is er ook de uitdrukkelijke aandacht voor Gods eerste liefde Israël. Van hem is het lied bij het scherpe èn tedere tweede hoofdstuk uit de profetie van Hosea (Gezang 38). Van hem is ook de vrij vertaalde regel: 'christenen looft Hem met Abrahams kinderen samen' (Gezang 434).
Het menselijk bestaan
Jan Wit is ook de zanger van de wijsheid genoemd. Hij schreef liederen bij boeken als Spreuken (Gezang 22), Job en Prediker (niet in het Liedboek opgenomen). Het menselijk bestaan is het thema van een drietal liederen zowel achterin Ministeriale als achterin het Liedboek (479, 480, 481). Alle drie op verzoek geschreven ter vervanging van niet meer te verstellen liederen en alle drie al evenzeer kenmerkend voor Jan Wit. Het eerste openend met verwijzingen naar schepping (Psalm 24,1) en opstanding (Johannes 19,41 en 12,24): 'Aan U behoort, o Heer der heren, / de aarde met haar wel en wee' en: 'Gij roept het jonge leven wakker, / een tuin bloeit rond het open graf. / Er ruisen halmen op de akker / waar zich het zaad verloren gaf'. En uitlopend op de bede: 'en laat mij door de wereld gaan / met open ogen, open oren / om al uw tekens te verstaan'.
Het tweede lied, meer in de sfeer van Job 28, beklemtoont de dubbelzinnigheid van het menselijk bestaan: 'Ja, hij snelt voort op hoge winden / om de allerlaatste grens te vinden. / Zo vindt hij onverhoeds de dood'. In de slotstrofe met fijnzinnige verwijzingen naar bijbelplaatsen (Filippenzen 3,20; Hebreeën 11,13 en 11,10) keren ook de reeds genoemde bouwmotieven terug: O God, wij bouwen als ontheemden, wij wonen en wij blijven vreemden, bestemd voor hoger burgerrecht.
Wil ons, o Koning der getijden, een woning in de stad bereiden waar Gij het fundament van legt.
Woord, weg, licht
Drie dragende motieven in de liederen van Jan Wit moeten hier tenslotte nog genoemd worden: woord, weg en licht. Samen komen ze voor in het niet kapot te krijgen lied voor Hervormingsdag: 'Waar God de Heer zijn schreden zet' (Gezang 305). Talloos zijn de liedregels waarin het woord terugkomt - ten diepste het woord dat God en mens verbindt: 'Ik hoop op God de Heer en wacht / het woord dat Hij zal spreken' (Gezang 19); 'maak uw schrift het levend woord' (Gezang 329); 'Leg ons de woorden in de mond / die weer herstellen uw verbond' (Gezang 481).
Het gaat om het woord dat op instemming wacht, metterdaad, en om de mens als dader van het Woord (Jacobus 1,22). Zo wordt de minstreel pas goed (verbi divini) minister. De thora was in de ogen van Jan Wit onderbedeeld in het kerklied. Van zijn hand is daarom het lied naar Deuteronomium 30 (Gezang 7), waarin de blinde dichter het woord van de thora typeert als een licht in de ogen: Het woord dat u ten leven riep is niet te hoog, is niet te diep voor mensen die 't zo traag beamen.
Het is een teken in uw hand, een licht dat in uw ogen brandt. Het roept u dag aan dag bij name.