Nieuwgeboren
2000-01-07
Een kind is ons geboren, een zoon is ons gegeven (Jesaja 9,5).- Jaargang 44
- nummer 1
Een profetenwoord.
Een geboortebericht.
Heel de boodschap van kerst is erin vervat.
Ieder die daar ervaring mee heeft weet het. De geboorte van een kind zet alles in een ander licht.
Maakt ook van de ouders andere mensen. Nieuwe mensen. Zo ook in dat profetische geboortebericht.
Een kind is ons geboren, een zoon is ons gegeven. Het kind waarvan Jesaja het geboortebericht brengt, het zet alles in een ander licht, het maakt van de kinderen van Israël andere mensen. Nieuwe mensen.
En zo zet het kerstkind alles in een ander licht.
Maakt het van ons nieuwe mensen. Een nieuwgeboren kind dat teweeg brengt dat wij onszelf als nieuwgeboren voelen. Het leven gaat opnieuw beginnen - zegt een kerstlied van Hanna Lam.
Ik kom het in gesprekken met ouders steeds weer tegen. Hoe het geboorteuur van hun kind tegelijk een moment was waarop God zo tastbaar aanwezig was. Als nooit tevoren en als nooit nadien. Zo is het ook met het kind waarvan Jesaja de geboorte aankondigt.
Zo is het ook met het kind van Bethlehem.
Nogmaals dat kinderlied: God heeft zijn hart aan ons verloren, het kind in Bethlehem geboren is daarvan eeuwig het bewijs.
Met het uur van de geboorte van je kind en met het rakelings nabij zijn van God in dat uur is het als met de heerlijkheid die vanuit de hemel over Jezus valt voor het oog van drie leerlingen op de berg - en ook daar is God zo rakelings nabij (Mattheüs 17,1-8). Maar het moment verglijdt. Het is niet vast te houden. Je kunt voor dat moment geen tent opslaan, zoals Petrus wil.
Kinderen groeien groter en groter. En steeds opnieuw stellen ze je de vraag, ook zonder woorden, wat hun komst met jou gedaan heeft. Of hun komst blijvend alles in een ander licht gezet heeft.
En alweer - zo is het ook met het kind van Bethlehem. Het vervult der zielen wensen - zingen we (Gezang 139). En: Gij die ons geworden zijt taal en teken in de tijd (Gezang 135). Dat klinkt nogal uitgesproken. Maar we mogen elkaar de vraag stellen: in hoeverre is het daar werkelijk van gekomen?
Nee, niet meteen voor de hand liggende woorden rond kerst, die woorden uit het slot van het laatste bijbelboek: Wie onrecht doet, laat hem nog meer onrecht doen, en wie vuil is, laat hij nog vuiler worden, en laat de rechtvaardige nog meer rechtvaardigheid doen en de heilige nog heiliger worden (Openbaring 22,11).
Merkwaardige woorden op het eerste gehoor. Een aansporing van boven om niet alleen het goede te vermenigvuldigen, maar ook het kwade. Hoe hebben we het nou?
Ik denk dan ook dat het bij die woorden niet gaat om een aansporing, maar om verheldering. Ik denk dat je die woorden moet verstaan vanuit de woorden vlak daarvoor: Verzegel de woorden van de profetie van dit boek niet, want de tijd is nabij (Openbaring 22,10).
Dit boek vol dromen en gezichten, van een voorbijgaande en van een nieuwe wereld - het wordt een boek van profetie genoemd. En niet alleen hier (Openbaring 1,3; 22,6.7.10.18.19).
Wat is dat: profetie? Meer dan toekomstvoorspelling.
Profetie houdt het feitelijke leven van alledag tegen het licht. Tegen het licht van de bedoelingen van de Schepper met het leven. Profetie wijst aan waar het leven ontspoort.
Legt er de vinger bij waar het leven op dood spoor dreigt te raken. En wat er gebeurt wanneer wij mensen op dood spoor raken. Dat is één kant. De andere kant dat profetie tegelijk laat zien hoe het ook kan. Aanspoort tot het gaan van de weg die naar het leven leidt.
Troost. Bemoedigt. Weet heeft van belofte.
Verzegel de woorden van de profetie van dit boek niet - hoort Johannes zeggen.
En dat nu gaat precies in tegen wat gebruik is met het soort dromen en gezichten waarmee Johannes dit boek gevuld heeft. Johannes droomt nogal wat dromen na van Ezechiël en Daniël en Zacharia, kun je zeggen.
En er zijn nog wel meer van dit soort boeken die niet in de band van de bijbel mee ingebonden zijn.
In die boeken is het steeds gebruik de dromen en gezichten te verzegelen.
En niet alleen gebruik.
Het is ook zaak dat te doen. Opdracht. Daniël bijvoorbeeld krijgt te horen: Houd de woorden verborgen en verzegel het boek tot te bestemder tijd (Daniël 12,4).
En dat is precies het verschil.
Bij Johannes is de bestemde tijd nabij. Het beslissende moment aangebroken.
Verzegel de woorden van de profetie van dit boek niet, want de tijd is nabij. Daarom droomt Johannes de dromen van Ezechiël en Daniël en Zacharia ook niet klakkeloos na. Maar droomt hij ze zeer creatief na. En reken maar dat daarin geest van boven in het spel is!
Maar wat staat er dan tussen Daniël bij wie het moment nog ver weg is en Johannes bij wie het moment nabij is, om niet te zeggen: aangebroken.
Wat staat daar tussen?
Nee - je moet vragen: Wie staat daar tussen?
Niemand minder dan Jezus Christus. Openbaring, onthulling, ontdekking van Jezus Christus - zo begint het laatste bijbelboek (Openbaring 1,1).
Harry Mulisch schreef een forse roman onder de titel De ontdekking van de hemel. Dat is afstandelijker, ruimtelijker, ongevuld.
Niet gevuld met mens-zijn en menselijke ontmoeting. Johannes schrijft over de ontdekking van Jezus Christus.
Werkelijk: een openbaring!
Het geheim van Johannes is dat hij Jezus ontmoet heeft. Zijn leven gezien.
Werkelijk gezien.
Onuitwisbaar. Jezus die voor hem alles in een ander licht gezet heeft.
Alles. Van begin tot einde.
Van diepste onderwereld tot hoogste hemel.
Johannes heeft de hoogten en de diepten gezien van het leven van Jezus.
Hij kwam onder de indruk van de verborgen grootheid van dit leven. Hij werd in de grauwheid ervan getroffen door een verborgen glans. In het hart van dit bestaan school een kracht die de hele werkelijkheid draagt.
Zoon van God. Mensenzoon tussen de kandelaren (Openbaring 1,13). Zo zijn wij bedoeld! In Jezus heeft Johannes God gezien (Johannes 14,9).
De ziel, de adem, de geest van God. Nabijer, intiemer dan een beeld of een woord. Nabijer dan een boek of een tempel of een kerk ooit kan zijn Openbaring 21,22).
En Johannes besefte: om Deze kun je niet heen. In Jezus vraagt ons heil, ons eigen leven toegang tot ons hart (Gezang 126).
Onweerstaanbaar.
Onherroepelijk. Aan Jezus en aan de ontmoeting met het verhaal van zijn leven kristalliseren onze levens zich uit. Ten goede en ten kwade. Wie onrecht doet, laat hem nog meer onrecht doen, en wie vuil is, laat hij nog vuiler worden, en laat de rechtvaardige nog meer rechtvaardigheid doen en de heilige nog heiliger worden.
Daarom: Verzegel de woorden van de profetie van dit boek niet. Houd ze niet verborgen. Werk niet in de hand dat mensen zich daarvoor afsluiten.
Want verzegelen heeft iets van zorgvuldig bewaren. Gewetensvol wegleggen. Maar ook iets van ontoegankelijk maken. Afsluiten. Aan het zicht onttrekken. In het kind van Bethlehem vraagt ons heil, ons eigen leven toegang tot ons hart. Het komt tot het zijne. Maar nemen de zijnen het aan? (Johannes 1,11) Het kind van Bethlehem stelt mij voor de vraag: Wie ben ik, in mijn doen en laten, mijn werk? (Openbaring 22,12) En ach, natuurlijk - je kunt die vraag wel afweren en wegleggen. Maar toch ook weer niet. Niet voor lang. Het kind van Bethlehem brengt onherroepelijk onszelf aan het licht. Wie niet met Mij is, is tegen Mij (Lucas 11,23).
Het leven gaat opnieuw beginnen, wanneer wij ons met ziel en zinnen gewonnen geven aan dit kind.
Nieuwgeboren. Wij werden nieuw geboren, toen de mens Jezus kwam (Gezang 347). Daar is het kerstevangelie tenminste op uit. Dat wij ongerept en rein nieuwgeboren zouden zijn (Gezang 135).