Van oud en nieuw en een vreemde ruil
2000-01-21
Hij ruilt met ons op vreemde wijs. Een regel uit het Liedboek. Het gaat (want de regel komt uit een kerstlied) over Jezus. Het gehele couplet luidt: Hij ruilt met ons op vreemde wijs: Hij neemt ons vlees en bloed en geeft ons in zijns Vaders huis zijn eigen overvloed (Gezang 147).- Jaargang 44
- nummer 2
Hij ruilt met ons op vreemde wijs. Het is zo een regel die blijft haken in de gedachten. Daar raakt hij al snel los van de rest van het lied. Om voor zichzelf te beginnen en drager te worden van een diep besef. Bij mij werkt dat tenminste zo. En zo is deze regel voor mij veel meer dan met het genoemde lied verbonden geraakt met dat altijd weer indrukwekkende woord van de apostel Paulus: Hem die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem.
Het is de slagader van het christelijk belijden die de apostel hier op noemer brengt. In het hart van het christelijk geloof staat een ruil op vreemde wijs.
Een onnavolgbare wissel.
Een som die niet klopt.
En dat moesten wij maar zo laten - zeg ik er meteen maar bij. Het is immers bij momenten verleidelijk die som kloppend te willen denken. Maar in de eerste plaats stond Paulus' hoofd daar niet naar. En in de tweede plaats komen daar maar brokken van. In het slechtste geval wordt het besef van verzoening er een steen van aanstoot van in plaats van een bron van verwondering.
En over verzoening gaat het hier bij Paulus. Over God die hem en zijn mede-apostelen de bediening van de verzoening gegeven en het woord van de verzoening toevertrouwd heeft. Over God die ons met zich verzoend heeft door Christus of in Christus doende was de wereld met zich te verzoenen.
Ontwaakt geweten
Het besef dat God verzoend moet worden, is uitdrukking van een ontwaakt geweten. Nog zo een regel die in mijn gedachten is blijven haken sinds ik hem las. Zonde is naar bijbels besef aan je doel voorbij leven. Je bestemming mislopen.
Niet worden wie je in aanleg bent. En dat is hetzelfde als wie je van Godswege bent. Wat de Schepper aan mogelijkheden in je heeft neergelegd.
Komt dat er niet uit, dan is dat zonde. Want voor minder ben je niet in de wieg gelegd.
Het besef dat God verzoend moet worden als uitdrukking van een ontwaakt geweten. Met schuld of met verwijtbaar falen valt immers niet te leven. Schuld verspeelt het bestaansrecht en berooft je daarom van het leven.
Wie werkelijk zijn of haar schuld onder ogen ziet, wil wel door de grond.
Bergen, bedekt ons; heuvelen, valt op ons! (Hosea 10,8) Verzoening is het besef dat er van die schuld niets wordt afgedaan en dat je toch opnieuw grond onder de voeten geschoven krijgt. Paulus heeft het dan ook over een nieuwe schepping. Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping: het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen.
Zondebok
Het ritueel van de grote verzoendag geeft daar uitdrukking aan (Leviticus 16). Er verdwijnt niets onder de tafel. Alle stukken blijven op het bord.
Schuld maakt het leven onmogelijk. Verstoort het leven. Staat het leven levensgroot in de weg. Je kunt elkaar niet onder ogen komen en je kunt God niet onder ogen komen. Daar kan niet gemakkelijk over gedaan worden. Schuld is te ernstig om losjes weg te redeneren of achteloos van tafel te vegen. Het is maar niet een kwestie van zand erover. Schuld moet de wereld uitgedragen worden. Weg van voor elkaars aangezicht en weg van voor Gods aangezicht.
Eerder is er geen nieuwe grond om op te staan. En dat wegdragen van de schuld doet in het ritueel van de verzoendag de zondebok. De woestijn ingestuurd. Verwezen naar het niet. Zinnebeeldig.
In onze plaats. Hij ruilt met ons op vreemde wijs.
Een jaarlijks gebruik waarin de ervaring van een nieuw begin en nieuwe grond onder de voeten tastbaar gemaakt wordt.
Uitgespeeld eigenlijk. En dat gebruik staat op de achtergrond van de woorden van Paulus: Hem die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt. En God speelt het spel om zo te zeggen mee: opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem.
Hij die geen zonde gekend heeft. Niet aan zijn bestemming voorbij geleefd heeft. Voluit mens naar de bedoeling van God in den beginne.
Zonder mankeren beeld van God (Colossenzen 1,15). Hem heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt.
Hij heeft in dat allerheiligst spel van de tempelliturgie de rol van de zondebok vervuld. En zo krijgen wij nieuwe grond onder de voeten geschoven.
Weten wij ons aanvaard.
Met heel dat verleden.
Met alle schuld. Maar toch. Rechtop gezet.
Recht voor God en recht voor elkaar. Gerechtigheid Gods in Hem. Voor Hem aangezien.Hij ruilt met ons op vreemde wijs.
In ons spraakgebruik evenwel is het begrip zondebok nog op een andere wijze ingegaan. En niet alleen in het spraakgebruik.
Vooral ook in onze manier van samenleven met elkaar. In het groot en in het klein. De zondebok is dan degene op wie alle schuld en mislukking wordt afgewenteld. Dat mechanisme is geen blijk van een ontwaakt geweten.
Integendeel. De verantwoordelijkheid afschuiven is het tegendeel van de verantwoordelijkheid nemen.
Natuurlijk is Jezus als geen ander ook op deze wijze als zondebok behandeld.
Maar dan van onzentwege en niet van Godswege. Het lijkt me doodgriezelig God dat spel te laten meespelen.
Zeker, de Schriften weten ervan dat God kan toornen en zijn boosheid de vrije loop laten. Abraham en Mozes en Elia en Jezus treden bij God in ten gunste van hen op wie zijn boosheid zich richt.
En toch zegt Paulus hier niet allereerst dat Christus iets met God doende is.
Maar dat Gód in Christus iets aan ons en aan de wereld doende is. Het initiatief en de wil om er wat aan te doen komen van God. Barmhartig en genadig, rechtvaardig en groot van goedertierenheid en trouw - dat alles is God niet pas wanneer Jezus op het toneel verschijnt.
Dat was Hij al. Zo roept Hij zijn naam al voor het oor van Mozes uit (Exodus 34,6). Zo verkondigt Jezus Hem. En zo laat Jezus Hem zien.
En wanneer Abraham en Mozes en Elia en Jezus bij God tussenbeide treden, dan doen zij juist daarop een beroep. Op een moment waarop God zichzelf op dat punt ontrouw dreigt te worden.
Alle knoppen op aan
Eenmaal en andermaal noemde ik het besef dat God verzoend moet worden uitdrukking van een ontwaakt geweten. Het is immers daarop dat Paulus een appél doet. Een dringend beroep. In naam van Christus vragen wij u dringend: laat u met God verzoenen.
Paulus die de gemeente vervolgd heeft en dus uit eigen ervaring weet van schuld die meer is dan een bagatel. Zelf verzoend en zo in dienst van de verzoening gesteld. Vertolker van het dringend beroep dat voor de poorten van Damascus in zijn oor weerklonk (Handelingen 9,3-4).
Getuige dit dringend beroep maakt besef van verzoening de mens allerminst passief. Alle knoppen blijven bij ons op aan staan. In naam van Christus vragen wij u dringend: neem uw verantwoordelijkheid en laat u met God verzoenen.