Zending tussen kerk en kerkverband (2)
2000-02-04
Zendingsorganisatorisch staan wij als Nederlandse gereformeerden in dezelfde theologische traditie als de vrijgemaakt-gereformeerde kerken (VGK).- Jaargang 44
- nummer 3
Zending werd binnen de VGK van oudsher door plaatselijke kerken gedaan, daarin gesteund door andere kerken, het liefst uit het eigen kerkelijke ressort.
Tot diep in de 60er jaren was er weinig of geen onderlinge samenwerking tussen de zendende kerken; zending was nauwelijks of niet een kerkverbandelijke aangelegenheid.
Waren het vóór de Vrijmaking centrale zendingsdeputaten die beleid maakten, daarna werd er geen enkel beleid meer thuis gemaakt, behalve dat wat door zendelingen zelf was aangekaart en naderhand werd goedgekeurd.
We herkennen dat wel.
Langzamerhand groeide toch het besef dat nauwere samenwerking over het hele thuisfront nodig was.
Zending kwam in een andere fase terecht, waarin meer kennis van zaken nodig was, een grotere professionaliteit om de toenemende complexiteit van de problemen aan te kunnen.
Gerepatrieerde zendelingen stimuleerden dit proces ook.
In de 70er jaren kwam er binnen de VGK een gemeenschappelijk zendingsblad Tot aan de einden der aarde tot stand.
Er kwam vooral eenheid in opleiding van aanstaande zendingswerkers, toen de synode van Arnhem 1981 de gereformeerde missiologische opleiding (GMO) in Kampen in leven riep, kennelijk een eerste stap op weg naar een kerkverbandelijke aanpak van zendingszaken. Later werd de GMO ingevoegd in het trainingsinstituut (international reformed theological training), dat in 1996 in Zwolle werd opgericht, dat behalve de opleiding van a.s. zendingswerkers, ook trainingscursussen aanbiedt voor het middenkader van buitenlandse kerken, met name uit de Derde Wereld. Ook de begeleiding en advisering van de zendende kerken behoort tot de werkzaamheden van het IRTT. Dit bracht een gemeenschappelijke organisatie met zich mee op het vlak van landelijke deputaten, die hier verantwoordelijk voor zijn.
Intussen was ook hulpverlening in de zendingsgebieden op gang gekomen, niet kerkelijk via diakenen maar door middel van het persoonlijk initiatief in de vorm van de stichting De verre naaste (DVN). Dat leverde allerlei theologische vragen op over de verhouding tussen woord en daad in de zending.
Maar een andere vraag was minstens zo belangrijk: hoe presenteren de kerk en de organisatie zich op het zendingsveld aan de jonge kerken? Hoe verkoop je dit typisch Kuyperiaanse model dat hierachter steekt, dat van de kerk als instituut en als organisme, in een nietwesterse wereld?
Afgezien nog van de vraag naar het bijbelse gehalte van het hele model!
Leusden 1999
Op de synode van Leusden is dit hele proces tot een voorlopige afsluiting gekomen in een tweetal besluiten, die vrijwel eenstemmig werden aangenomen. Kort geef ik de besluiten weer met een enkel commentaar.
Uiteraard trek ik er conclusies uit voor onze eigen situatie. Maar dat bewaar ik voor een volgende keer.
De plaatselijke kerk
Men blijft trouw aan het uitgangspunt, al in 1896 in Middelburg geformuleerd: de plaatselijke kerken zijn geroepen tot zendingswerk.
Maar niet alleen door de verkondiging van het Woord maar ook door het christelijk barmhartigheidsbetoon zoeken de kerken buiten de wereld van eigen taal en cultuur hen die vreemd zijn aan of vervreemd zijn van God en zijn dienst.
Doel van zendingswerk is ronduit kerkplanting. De bekende opmerking dat het toch om de uitbreiding van het koninkrijk gaat in de zending, en niet om de uitbreiding van de kerk, wordt in Leusden niet gehonoreerd.
Daar ben ik niet zo rouwig om. Want dit onderscheid wordt nogal eens als een tegenstelling gebruikt om de concrete kerk te kunnen omzeilen: het gaat niet om de kerk, maar ...! En de hele kerk verdwijnt uit het zicht.
Interessant is dat ook de diakenen betrokken worden bij de uitvoering van de zendingstaak. Zij hebben het barmhartigheidswerk te behartigen. Het Kuyperiaanse onderscheid tussen de kerk als instituut dat prediking en sacramenten beheert, en als organisme dat in particulier initiatief haar kracht zoekt, is in de slag gebleven. Beslist een winstpunt. Interessant is ook punt 5 van het eerste besluit: wanneer kerken bij het vervullen van deze (zendings) roeping samenwerken, zullen zij dat doen binnen de kerkelijke ressorten en zo mogelijk via de meerdere vergaderingen.
Kerken die in een zendingsproject samenwerken, zoeken elkaar binnen een classis of provinciale synode. Organisatorisch lijkt me dat zinnig.
Maar het gaat me nu speciaal om de regel om zo mogelijk via kerkelijke vergaderingen de gezamenlijke zendingstaak uit te voeren. Dat is een duidelijke wijziging van vrijgemaakt zendingsbeleid vergeleken met het verleden.
Maar het wordt niet afgedwongen: zo mogelijk houdt ruimte in om het ook niet via kerkelijke vergaderingen te regelen.
Maar waarin een kerkelijk ressort alle kerken in een zendingsproject zijn betrokken, ligt het voor de hand het op classis- of provinciaal synodaal niveau te behandelen.
Hier komen de twee lijnen van plaatselijke kerk en kerkverband ongedwongen bijeen. Het barmhartigheidsbetoon beoogt het helpen van (jonge) zusterkerken in het vervullen van hun eigen zendingsroeping.
Het opzetten van een economisch opbouwproject in een zendingsgebied beoogt het draagkrachtiger maken van de gemeente, zodat ze meer kan betekenen in haar eigen omgeving. Diakenen kunnen samenwerken met een gespecialiseerde organisatie als de verre naaste.
Het kerkverband
Besloten werd een generaal deputaatschap voor zending en hulpverlening in te stellen met als opdracht het formuleren en doen uitvoeren en het bewaken van een gemeenschappelijk beleid voor zending en hulpverlening in die dingen die de kerken gemeenschappelijk hebben. Kerken hebben natuurlijk niet alle dingen in zending en hulpverlening gemeenschappelijk.
Dit is een verstandige inperking van mogelijke kerkverbandelijke wildgroei. Op den duur kan er niets meer zonder kerkverbandelijke goedkeuring in de kerken plaatsvinden. Maar om tot een verantwoorde verhouding tussen prediking en hulpverlening te komen, en om de verschillende werkzaamheden van de plaatselijke kerken te coördineren, is een gemeenschappelijk beleid toch onontbeerlijk. Vooral als het gaat om toch beperkte middelen verantwoord in te zetten, is een gemeenschappelijk beleid geen overbodige luxe. Het zou me niet verbazen, als er in onze kerken nogal wat energie, geld en mankracht verloren gaat door het ontbreken van een gemeenschappelijk zendingsbeleid.
Natuurlijk, dit vraagt om een loyale opstelling van de plaatselijke kerken ten opzichte van de landelijke deputaten. Er moet de wil zijn om samen te werken voor het ene doel. Deputaten zijn er om te dienen en niet om te heersen.
Vanuit het kerkverband kan er ook professionele hulp geboden worden aan plaatselijke zendingsprojecten bij het doordenken van de vragen, bij het praktisch oplossen van de problemen. Daarom komt er een landelijk bureau voor zending en hulpverlening in samenwerking met de verschillende organisaties die in de vrijgemaakte kerken al aan het werk zijn. Deze bundeling van krachten lijkt me alleen maar verantwoord.
Natuurlijk betekent het een versterking van de topstructuur, waar wij juist zo bang voor zijn.
Maar we moeten oppassen voor een te krampachtige overreactie. Er moet gewoon zakelijk afgewogen worden wat het beste werkt ten dienste van de zending. Ik pleit hier voor een christelijk pragmatisme.
U ziet, ik ben nogal positief over deze besluiten van Leusden 1999.
Kunnen we er iets van leren voor onze eigen situatie? Wat kan ons helpen bij het ontwerpen van een voorstel om te komen tot een landelijke commissie voor zendingszaken?
Daarover de volgende en laatste keer.