De christelijke godsdienst en de godsdienst in het algemeen (1) *
2000-02-04
U hebt mij gevraagd om op de gecombineerde gemeentevergadering van de Nederlands Gereformeerde en de Christelijke Gereformeerde broeders en zusters van Den Haag (-Zuid) een bezinningsavond in te leiden over het thema 'Het christelijk geloof en de andere (grote) wereldgodsdiensten', toegesneden op 'de vraag hoe het christelijk geloof in een multi-culturele en multi-religieuze samenleving positie moet kiezen, in het blijven vasthouden aan de uniciteit ervan, in het getuigenis tegenover hen die andere religies aanhangen, in tolerantie jegens andersdenkenden om die in ons land onbelemmerd en onbekommerd de tradities van hun eigen religie in ere te laten houden.' En dit nog nader toegespitst op de voor u in uw Haagse situatie actuele vraag of de jaarlijkse gebedsdienst ter gelegenheid van de opening van het parlementaire jaar voortaan eigenlijk niet een interreligieus karakter zou moeten krijgen.' Hoewel er in het thema zowel als in de toespitsingen zaken zitten waarvoor ik mij niet competent voel er licht over te laten schijnen, wil ik toch mijn best doen u bij uw meningsvorming hierover iets bruikbaars aan te reiken.- Jaargang 44
- nummer 3
Het schip van Jona en het schip van staat
Ik wil beginnen u enkele verzen uit het boekje Jona voor te lezen, uit het begin van het eerste hoofdstuk, waarvan ik hoop dat de relevantie ervan onderweg duidelijk zal worden. Dit is het citaat: 'Maar de HERE wierp een hevige wind op de zee en er ontstond een zware storm op de zee, zodat het schip dreigde te worden stukgeslagen. De schepelingen werden bevreesd en riepen ieder tot zijn god, en zij wierpen de lading die in het schip was in zee om het daardoor lichter te maken. Jona echter was in het ruim van het schip afgedaald, en had zich daar neergelegd en was in een diepe slaap gevallen.
En de gezagvoerder kwam bij hem en zeide tot hem: Hoe kunt gij zo vast slapen! Sta op, roep tot uw god, misschien zal die god onzer gedenken, zodat wij niet vergaan' (Jona 1 : 4 - 6).
Een schip in woeste zee, dat is wel een herkenbaar beeld voor de overheid in deze tijd. Voor elke overheid.
Telkens wanneer ik in de kerkdienst de voorbede voor onze overheden doe, tracht ik me in te denken aan wat voor moeilijke dingen degenen die in hoogheid gezeten zijn wel niet het hoofd moeten bieden. De problemen zijn zo groot dat ze ook de meest wijze en begaafde mensen boven het hoofd groeien. We zullen daar nooit gering over mogen denken. Het is storm op zee. En een wijze overheid zal de voorbede die voor haar gedaan wordt dan ook op prijs stellen en er zelfs om vragen. Zoals de kapitein uit het boek Jona dat deed voor zijn schip.
Eigentijds probleem
Maar dan doet zich een eigentijds probleem voor, samenhangend met de multi-religieuze situatie waarin we met z'n allen terecht gekomen zijn: aan wie moet ze die voorbede vragen? Aan de kerk? Dat was vroeger vanzelfsprekender dan vandaag. Het schip van staat heeft vandaag passagiers van verschillende godsdiensten aan boord. Moet de overheid daaruit kiezen? Kan ze daaruit wel kiezen? De kapitein van het schip koos niet. Daar was het een heiden voor, zegt u.
Maar ik zie in wat hij deed iets voorbeeldigs voor onze tijd. Daarvoor zal ik wel niet op algemene instemming onder de christenen mogen rekenen, maar dat hoeft ook niet meteen. Meningsvorming moet er zijn en daarvoor is het goed verschillende opties met elkaar te confronteren.
Aan wie moet de overheid de voorbede dus vragen?
Er zijn christenen die daarover geen enkele aarzeling kennen. Zij lezen het zo uit de gereformeerde belijdenis af wat hier moet gebeuren.
Natuurlijk moet de overheid kiezen voor de christelijke godsdienst, zoals die door de kerk of de kerken (met aftrek van de RKK dan) vertegenwoordigd is en aan haar, en wel aan haar alleen, om de voorbede vragen.
Want dit is wat deze christenen de overheid voorhouden: 'En hun ambt is, niet alleen acht te nemen en te waken over de Politie (dat is hier een ruime aanduiding voor alle staatszaken), maar ook de hand te houden aan de heilige kerkedienst; (om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valse godsdienst, om het rijk van de antichrist te gronde te werpen) en het koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen; het woord des evangelies overal te doen prediken, opdat God van een iegelijk geeerd en gediend worde, gelijk Hij in zijn Woord gebiedt' (art. 36 van de NGB, met de meest omstreden woorden tussen haakjes). Het is bij zo'n opvatting zo klaar als een klontje dat de overheid de voorbede voor haar alleen maar aan de kerk kan vragen en dan wel aan die kerk bij welke deze woorden echt veilig zijn.
Voorbij
Met alle respect voor deze belijdenis (die ik dan ook niet veranderd zou willen zien; ik volg de schrapping van de 21 woorden door de Gereformeerde Synode van 1905 niet), zeg ik toch dat dit uit een voorbije tijd komt. Er valt voor nu niet mee te werken.
Een overheid met onderdanen die behalve christen ook moslim, hindoe of jood zijn, kan dit niet waarmaken. Dat zou tot dwang leiden die nu juist haaks staat op ons christelijke geloof. Een overheid werkt met wereldse middelen van macht en deze middelen zijn ten enen male ongeschikt om er zo iets geestelijks als geloofszaken mee af te dwingen. Alleen als een volk in overgrote meerderheid christen is kan met wat in dat artikel 36 staat enige ernst gemaakt worden. Want dan zou wat de overheid christelijk klaar maakt door een brede overtuiging in de samenleving gedragen worden, waardoor dwang van welke aard ook achterwege kan blijven. Maar die brede overtuiging ontbreekt, zoals we allemaal weten.
Wat dan? Moet dus de overheid dan maar neutraal zijn? Dat lijkt wel het enige alternatief. Die indruk heeft het CDAbewind onder bijvoorbeeld premier Lubbers dan ook wel gegeven.
Iedere gelegenheid om iets godsdienstigs te zeggen werd door Ruud Lubbers verzuimd. Zelfs bij toespraken op de bevrijdingsdag of op hoogtijdagen van het staatshoofd werd niet opgeroepen God te danken.
'Wij zijn als christenen minderheid geworden en dus moeten wij ons op het nationale vlak neutraal opstellen', zo leek wel de algemene opinie bij de grootste christelijke partij. 'Een christelijk getuigenis? Als partij - ja, eventueel, misschien, maar als overheid - nee.' Maar men heeft zo zelf van christelijke kant meegewerkt aan de secularisatie van het publieke leven.
Was er een mogelijkheid geweest het anders te doen? Ik denk het wel.
Ieder tot zijn god
Hoe deed die scheepskapitein uit de geschiedenis van Jona het ook al weer?
Die ging de schepelingen rond en spoorde ieder aan te bidden tot zijn god.
Dat wil zeggen, overgebracht op onze situatie: De jood op zijn joods, de hindoe op z'n hindoes, de moslim op z'n moslims en de christen op z'n christelijks.
De kapitein koos niet uit de verschillende religies van de schepelingen, maar hij zag wel in dat de voorbede voor het schip niet gemist kon worden.
Zo is ook de voorbede voor het schip van staat nodig. Dat is een algemeen-religieuze gedachte.
Zeker ook een christelijke, maar het christelijk geloof deelt die opvatting met andere godsdiensten. Een wijze overheid zal nu mi proberen hier in een multi-religieuze tijd als de onze zich bij aan te sluiten.
Zij zal, - nee, niet te pas en te onpas, maar bij bijzondere gelegenheden Gods naam vrijmoedig noemen en als het om de voorbede gaat deze inderdaad aan alle religies onder ons vragen. Een aardig voorbeeld van dat laatste uit de bijbel vinden we in een schrijven van koning Darius waarin hij het bekende edict van koning Kores tot herbouw van de tempel in Jeruzalem tegen bestrijding handhaaft. Tegen degenen die die herbouw willen verhinderen zegt Darius: 'Nu dan, Thatnai, stadhouder van het gebied over de Rivier, Sthar-Boznai en hun ambtgenoten, de ambtenaren van het gebied over de Rivier, gij moet u verre houden vandaar; laat de arbeid aan dat huis Gods toe; de stadhouder der Judeeers en hun oudsten mogen dat huis Gods op zijn plaats bouwen.
Tevens is door mij bevel gegeven aangaande hetgeen gij doen zult aan deze oudsten der Judeeers bij de bouw van dit huis Gods: uit de koninklijke inkomsten, uit de schatting van het gebied over de Rivier, zal nauwkeurig en zonder uitstel uitbetaling aan die mannen worden gedaan.
En wat er nodig is: jonge stieren, rammen, lammeren voor de brandoffers aan de God des hemels, tarwe, zout, wijn en olie, volgens de opgave van de priesters te Jeruzalem, dat moet hun dag aan dag volledig ter beschikking worden gesteld, opdat zij de God des hemels welriekende offers kunnen brengen en bidden voor het leven van de koning en zijn zonen...' (Ezra 6 : 6 - 10). 'Bidden voor het leven van de koning en zijn zonen', dat is bidden voor de overheid en haar toekomst. Zelf was Darius (evenals Kores) de godsdienst van Israël niet toegedaan, al lijkt hij onder de indruk ervan te zijn geweest. Wat hij hier van de Joden verlangt, zal hij ook van andere godsdiensten in zijn grote rijk verwacht hebben. Dat overal waar maar goden of een god vereerd werd, gebeden zou worden voor de koning en zijn zonen.
Godsdienst en christelijke godsdienst
Wat zou er gebeurd zijn als het CDA-bewind van de afgelopen decennia volgens dit inzicht te werk was gegaan? Dat men, ziende de voortgang van de secularisatie, het onderscheid was gaan maken tussen de christelijke godsdienst en de godsdienst in het algemeen?
Dat men had gezegd: 'Nu wij minderheid geworden zijn is het terecht dat wij onze bevoorrechte positie als christelijke kerk verliezen, maar dat wil niet zeggen dat wij nu als overheid godsdienstigneutraal gaan worden.
Wij willen integendeel ons volk oproepen om op nationale hoogtijdagen God te danken en in het algemeen voor de overheden God te bidden en van Hem zijn zegen over het bewind af te smeken, het aan het volk overlatend of men dit in de kerk, in de synagoge of in de moskee wil doen. Zeker, als christelijke partij willen wij ernaar streven dat ons volk weer naar de christelijke wortels van zijn bestaan zal terugkeren, maar tot de macht geroepen beseffen wij dat wij in een multi-religieuze samenleving terecht zijn gekomen. Dat legt ons als christen-overheidspersonen terughoudendheid op, zonder dat we ons op een nietszeggende neutraliteit in het godsdienstige terugtrekken'. Ik denk dat als men zo te werk was gegaan, wij nu minder geseculariseerd zouden zijn. En dat de overheid het volk was voorgegaan in het interreligieuze besef dat wij mensen afhankelijk zijn van Gods zegen. Nu dit zo niet gedaan is hebben wij een overheid met een laffe neutraliteit, een neutraliteit die zomaar kan omslaan in een antigodsdienstig sentiment, waar het bij sommigen inderdaad op begint te lijken.
De interreligieuze eed
Ik kan niet nalaten op een gebied te wijzen waarop de overheid deze houding van 'niet christelijk, maar wel godsdienstig' sinds jaar en dag wel aanneemt.
En dat is op het gebied van de rechtspraak, waar mensen de eed wordt afgenomen. De eedsformule is immers wel godsdienstig maar niet christelijk. In Amerika zweert men met de hand op de bijbel, maar bij ons niet. De onder ons levende joden hebben altijd de eed met een goed religieus geweten kunnen afleggen en heden ten dage kunnen de moslims het ook. Welnu, deze houding van 'niet christelijk, maar wel godsdienstig', die bepleit ik voor de overheid in deze tijd van grote geloofsafval onder de christenen, die tegelijk een tijd is van grote toestroom van andersgelovigen. **
* Causerie voor de gezamenlijke gemeentevergadering van de NGK en de CGK van 's-Gravenhage (-Zuid) op vrijdag 8 october 1999
** Het tweede deel van de causerie wordt in de volgende Opbouw gepubliceerd.