Onbarmhartige Samaritaan

2000-02-04
  • Jaargang 44
  • nummer 3
Koos komt thuis en loopt onmiddellijk door naar boven.
'Wat ik nou beleefd heb!' Ik hol nieuwsgierig achter hem aan de trap op.
'Vertel, vertel..' 'Moment, ik schrijf het even op, want anders ben ik het kwijt.' Een half uur later ligt het verhaal
uitgeprint op mijn bureau:

Onbarmhartige Samaritaan
Ik ben gewoon doorgelopen.
Zonder iets te zeggen.
Ik wist ook niet wat ik zeggen moest. Ik ben nu vijfendertig jaar dominee.
En in die tijd hebben heel wat mensen me heel wat vragen gesteld.
Oppervlakkige en diepzinnige, luchtige en serieuze vragen. Maar déze is me nog nooit gesteld. Hij overrompelde me. Denk niet dat ik er te vroom voor ben. Zo'n brave jongen ben ik niet. Maar ik kwam van een domineesvergadering.
Ik wilde nog even naar het antiquariaat.
Op zoek naar een boek. En ik had last van mijn been. Misschien zag ik er een beetje zielig uit.
Zodoende.
Achteraf moest ik er in mezelf om lachen. Wat een grap, waar zie je me voor aan! Maar eigenlijk was ik er een beetje treurig over. Dat ik niet had geholpen. En teleurgesteld.
Dat ik zo traag, zo weinig ad rem ben. Ja, vijf minuten later wist ik het antwoord. Toen het te laat was. Heb je dat ook wel es? Op het ogenblik zelf sta je met een mond vol tanden. Een poosje later weet je precies wat je had moeten zeggen.
Ik had natuurlijk ja moeten zeggen. Ja, ik wil graag een nummertje met je praten. Ik had naar het dichtstbijzijnde restaurantje kunnen gaan. Koffie, een pilsje desnoods.
Praten, vragen. Mag ik je verhaal horen? Vertel es wat over jezelf. Waarom vraag je zoiets?
Ik dacht dat ze iets wilde weten, de weg of zo. Of dat ze iets te koop aanbood, lootjes of zo. En dus vroeg ik: 'Wat zeg je?' 'Meneer', zei het hoertje: 'wilt u een nummertje met me?'

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief