Vergeving en genezing Goede Vrijdag en Pasen
2001-04-13
Onlangs ontving ik een uitnodiging om in Utrecht voor een theologisch dispuut als laatste criticus bij de voordracht en de beoordeling van een preekvoorstel aanwezig te zijn.- Jaargang 45
- nummer 8
Mijn voorbereidingen daarvoor had ik op schrift gesteld en omdat het in de tekst over een onderwerp gaat waarvoor de belangstelling nog altijd groot is, wil ik onze lezers met mijn opmerkingen over de tekst (niet over de preek, die trouwens kort maar goed was) dienen.
Marcus 2 : 1-12
1 En toen Hij weder te Kafarnaum gekomen was, hoorde men na enige dagen, dat Hij thuis was.
2 En velen kwamen bijeen, zodat zelfs de ruimte bij de deur hen niet meer kon bevatten, en Hij sprak het woord tot hen.
3 En zij kwamen en brachten een verlamde tot Hem, die door vier mannen gedragen werd.
4 En daar zij deze niet tot Hem konden brengen vanwege de schare, namen zij de dakbedekking weg boven de plaats, waar Hij was, en na het dak opengebroken te hebben, lieten zij de matras neder, waarop de verlamde lag.
5 En daar Jezus hun geloof zag, zeide Hij tot de verlamde: Kind, uw zonden worden vergeven.
6 Nu waren daar enige van de schriftgeleerden gezeten en zij overlegden in hun harten: 7 Wat spreekt deze aldus? Hij lastert God. Wie kan zonden vergeven dan God alleen?
8 En Jezus doorzag terstond in zijn geest, dat zij aldus in zichzelf overlegden, en Hij zeide tot hen: Waarom overlegt gij deze dingen in uw harten?
9 Wat is gemakkelijker, tot de verlamde te zeggen: Uw zonden worden vergeven, of te zeggen: Sta op en neem uw matras op en wandel?
10 Maar, opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen macht heeft op aarde zonden te vergevenzeide Hij tot de verlamde: 11 Tot u zeg Ik, sta op, neem uw matras op en ga naar uw huis.
12 En hij stond op, nam terstond zijn matras op en ging voor aller oog naar buiten, zodat zij allen ontzet waren en God verheerlijkten, zeggende: Zo iets hebben wij nog nooit gezien!
Opmerkingen bij een preekvoorstel over Marcus 2 : 1-12 I
Men kan deze wondergeschiedenis onder tweeërlei gezichtspunt behandelen.
In de eerste plaats is daar de kwestie van de volgorde van de heilsgoederen die God in Christus geeft: eerst vergeving en dan heling. Dit punt speelt tussen Jezus en de vier mannen met hun zieke vriend. Dan is er vervolgens de vraag naar de bevoegdheid van Jezus om zonden te vergeven. Dat punt is aan de orde tussen Jezus en de schriftgeleerden. Men kan over beide punten een afzonderlijke preek maken. Behandelt men beide gezichtspunten tegelijk, dan valt wellicht de preek in twee delen uiteen en ligt een indeling in die zin voor de hand.
II
Wat de eerste insteek betreft, een belangrijk woord uit de tekst is vers 5: 'En daar Jezus hun geloof zag...' Jezus had ook op andere dingen dan het geloof kunnen letten. Hij werd door het ietwat dwingerige optreden van de vrienden in zijn onderwijs toch maar hinderlijk gestoord! Zou Jezus' hele gehoor niet afgeleid zijn geweest?
Zou iemand nog geluisterd hebben naar zijn onderwijs bij de sloopwerkzaamheden boven hun hoofd? En dat terwijl het ziektegeval niet urgent leek. Men had kunnen wachten tot 'na de dienst'. Er zat verder ook wel iets confronterends en uitdagends in de move van deze mensen: 'U die daar zo het Woord staat te spreken, wat heeft U hiervan terug? Wat gaat U hieraan doen?' Zoals wij in gedachten onder de preek allerlei dingen voor Jezus' voeten kunnen gooien: En dit dan? En dat? En dat?, - zo legden deze vrienden de zieke voor Jezus' voeten neer. Hier zat, onbedoeld door die mensen, wel iets duivels in van: de prediking een spaak in het wiel steken.
Maar Jezus ziet hierdoor heen en ziet hun geloof. Zij kwamen toch maar bij Hem! 'Tot wie zullen wij anders gaan?', zeiden ze als het ware (vgl Joh. 6 : 68). Dat was hun geloof. Zo zal Hij ook bij ons naar het geloof zoeken. In zijn liefde let Hij dan niet op de kwalijke bijmengsels die bij ons door het geloof heenzitten. Als Hij het geloof bij ons ziet dan wil Hij zichzelf aan ons kwijt als wie Hij ten diepste is: Degene die raad weet met ons grootste probleem, de zonde. 'Gij zult Hem de naam Jezus geven, want Hij is het die zijn volk zal redden van hun zonden' (Matt. 1 : 21).
III
Jezus 'sprak het woord tot hen' (vs 2). Ook in Marc. 4 : 33 is 'het woord' een samenvattende uitdrukking van heel Jezus' onderwijs. Lucas zegt dat Jezus 'lerende was' (Luc. 5 : 17). Waar ging het over? Jezus zal het gehad hebben over waar Hij het altijd over had: Dat wij aangewezen zijn op de vergevende liefde van God om het koninkrijk der hemelen binnen te gaan. In 16 : 20 wordt gesproken van een 'bevestiging van het woord door de tekenen die erop volgden'. Daaruit valt de volgorde op te maken tussen het woord (dat het voorop over de vergeving en de verzoening heeft) en het teken van de heling. Jezus persisteert bij deze volgorde als Hij tot de zieke man het woord van de vergeving spreekt. Daar hoeven dus geen bepaalde zonden bijgehaald te worden die er de oorzaak van waren dat deze man verlamd was en die hem dus eerst vergeven moesten worden alvorens Jezus tot genezen kon overgaan.
Als mens (Lucas gebruikt hier dat woord 'mens') had hij de vergeving nodig om in te gaan. Jezus liet zich door het incident dus niet van zijn apropos afbrengen. De verkondiging waar Hij mee bezig was maakte Hij af en paste Hij op deze man toe. Je zou kunnen zeggen: Jezus was met 'Goede Vrijdag' bezig en het vijftal viel Hem met de vraag naar 'Pasen' in de rede. Jezus blijft bij de volgorde van eerst 'Goede Vrijdag' en dan 'Pasen'. Goede Vrijdag is van deze eeuw, Pasen van de toekomende.
En soms breekt het herstel van de toekomende eeuw in deze eeuw al binnen. Maar dat is uitzondering, geen regel.
IV
Wat de vraag betreft naar Jezus' bevoegdheid om zonden te vergeven, kan het gelijk van de schriftgeleerden toegegeven worden, met hun vraag: 'Wie kan zonden vergeven dan God alleen?' (vs 7). Denk aan wat Jozef tegen zijn broers zegt wanneer die hem om vergeving vragen: 'Ben ik in Gods plaats?' (Gen. 50 : 19). Ook de psalm zegt: 'Bij U is de vergeving, HERE' (Ps. 130 : 4). Jezus is dat ook wel met zijn tegenstanders eens, want we horen Hem aan het kruis bidden: 'Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen' (Luc. 23 : 34). De Vader is het die vergeeft. Trouwens, de lijdende werkwoordsvorm 'uw zonden worden vergeven' verwijst, zoals doorgaans in het evangelie, naar een handelen van God zelf. (Denk bijvoorbeeld maar aan een woord als 'Bidt en u zal gegeven worden', in plaats van 'Bidt en God zal u geven'.) Jezus vervangt God dus niet.
Toch stelt Hij zich met dit woord helemaal aan de kant van God, dat voelen de Schriftgeleerden terecht aan.
Hij maakt zich aan God gelijk. Het is eigenaardig in het evangelie: naar ons mensen toe identificeert Christus zich geheel met de Vader, maar naar God toe lijkt Hij een distantie in acht te nemen. Jezus zou inderdaad zich aan godslastering schuldig hebben gemaakt als Hij dit grote woord van de vergeving als niet-meer-dan-gewoon-mens gesproken had. Met het teken van de genezing laat Hij echter zien dat Hij als de Mensenzoon (= DE mens a la Adam in de staat der rechtheid, die geschapen was naar Gods beeld en gelijkenis, volkomen doorschijnend naar God toe, zodat wie hem zag, de Vader zag) met de grootste volmacht is toegerust die Hem de bevoegdheid geeft om vanuit de diepe eenheid met God te zeggen: 'Uw zonden worden vergeven'.
V
Wat ook niet aan onze aandacht mag ontsnappen is dat Jezus zegt dat Hij macht heeft op aarde zonden te vergeven.
In de theologie van de schriftgeleerden was de zondenvergeving een eschatologische aangelegenheid.
Aan het eind werd de rekening opgemaakt en was er dan een batig saldo dan werd je de rest door vergeving geschonken. Maar Jezus trekt de vergeving in het hier en nu. Het koninkrijk Gods is juist wat dit aangaat in Hem nabij gekomen. Denk daarbij aan een ander woord van Hem: 'Al wat gij op aarde binden zult, zal in de hemel gebonden zijn' (Matt. 16 : 19), waaruit we opmaken dat Jezus die bevoegdheid van Hem waarmee Hij van de hemel gekomen is, ook aan zijn gemeente op aarde verleent. Zij mag in zijn naam (en via zijn naam in Gods naam) de zonden vergeven. Wij mogen op aarde, dus hier en nu al, leven vanuit het geschenk der vergeving. Dat geschenk is zo groot dat ook al blijft het teken van de genezing in dit leven achterwege de vrijheid en de vreugde en de vrede ons deel kunnen worden.
VI
De genezing van de verlamde is een bevestiging van Jezus' macht om de zonden te vergeven. Wij geloven niet zo gemakkelijk dat ons de zonden vergeven worden en dat wij met een schone lei door het leven mogen gaan. 'Ja, maar zo gemakkelijk gaat dat niet', fluistert ons geweten ons in en de duivel versterkt die stem. En zo blijven we liever met onze zonden voorttobben dan dat we geloven dat ze ons vergeven zijn. We geven bijvoorbeeld anderen de schuld van wat we fout hebben gedaan (denk bijv. aan wat gebeurt bij de grote rampen van Enschede en Volendam!). Of we voeren allerlei flutverontschuldigingen aan. Of we denken dat we onze verkeerde dingen zelf goed kunnen maken (wat misschien wel een beetje, maar nooit helemaal kan). Deze geschiedenis wil ons vergewissen dat wij inderdaad gelovig de hand op de vergeving mogen leggen. Gelovig. Op het geloof komt het aan. Moge het dan zijn dat ook van ons gezegd kan worden: 'Jezus, hun geloof ziende...' g) Let er dus op dat de heling volkomen ondergeschikt gemaakt wordt aan de vergeving: 'Maar opdat gij moogt weten dat de Zoon des mensen macht heeft op aarde zonden te vergeven...' (vs 10). Dit weten-in-geloof, dat is het wat Jezus, tegen het woeden van de duivel in, sterk wil maken en met een klinkklaar wonderteken wil verstevigen.
Zo is de heling inderdaad teken, dat wil zeggen: verwijzing naar iets anders dat meer is. Wij overvragen deze tekst als wij eruit afleiden dat wij gerechtigd zijn de genezing afzonderlijk in de kerk aan de orde te stellen (dienst der genezing).
Dat leidt gemakkelijk tot schijngenezingen en tot geloofsschade bij hen die ongeholpen blijven. Deze geschiedenis wil niet bewijzen dat Jezus kan helen (dat heeft geen bewijs nodig), maar dat Hij kan vergeven. Dat onzichtbare heil is het allergrootste waarvan wij vergewist moeten worden en de duivel wil met alle macht verhinderen dat wij dat zullen geloven. Maar wij miskennen zo gemakkelijk de kosmische strijd tussen hemel en hel rondom de vergeving der zonden en zeggen verveeld: 'Vergeving? Ja, natuurlijk!' Het allergrootste en allerwonderlijkste is voor ons vanzelfsprekend geworden.
En zo vliegen wij voor een nieuwe kick op de genezing af. Wij hebben deze geschiedenis nodig bij alle genezingswonderen die ons in het evangelie verteld worden. Het is een tekst van een hoog hermeneutisch gehalte, dat wil zeggen dat je er bij de uitleg van andere genezingsverhalen steeds goed naar moet luisteren.
VII
Het is wel degelijk zo dat volgens het evangelie de genezingen een tijdelijke en aflopende zaak zijn geweest. Bij de eerste uitzending, die van de zeventig, naar de verloren schapen van het huis Israels, heet het: 'Gaat en predikt en zegt: Het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. Geneest zieken, wekt doden op, reinigt melaatsen, drijft boze geesten uit' (Matt. 10 : 7 en 8).
Dat wordt bij de uitzending vlak voor de hemelvaart niet op deze wijze herhaald, maar gereduceerd tot: 'Gaat heen, maakt alle volken tot mijn discipelen en doopt hen .... en leert hen onderhouden al wat Ik u geboden heb' (Matt. 28 : 19). En bij de evangelist Johannes is de uitzendingsopdracht nog verder gereduceerd tot: 'Ontvangt de heilige Geest; wie gij hun zonden kwijtscheldt, dien zijn ze kwijtgescholden; wien gij ze toerekent, dien zijn ze toegerekend' (Joh. 20 : 22 en 23).
Johannes heeft als langs levende van de oergetuigen in de praktijk gezien wat van Jezus' opdracht het belang rijkste was en heeft van de woorden van de Meester alleen dat over het belangrijkste aangehaald. Het geeft wel te denken dat de bijzondere tekenen in toenemende mate achterwege blijven. Eigenlijk naar het woord dat Jezus al bij de eerste uitzending sprak: '...Verheugt u niet hierover dat de geesten (ook die van ziekten!) zich aan u onderwerpen, maar verheugt u hierover dat uw namen staan opgetekend in de hemel' (Luc. 10 : 20).
Daarmee wordt de hoofdzaak van het evangelie op de voorgrond gesteld en worden de wonderbaarlijke begeleidingsverschijnselen van de evangelieprediking naar de achtergrond geschoven.
Het bijzondere van de 'tekenen die volgen' is blijkbaar iets van het begin geweest, je zou het de melkspijze van het geloof kunnen noemen (vgl Hebr. 5 : 12). Zoals de zwavelkop van de lucifer het eerst wordt aangestoken om zo door een ontploffingshitte voor een ontstekingstemperatuur te zorgen die in den vervolge het houtje doet branden, zo bedoelden de bijzondere tekenen dat voor het geloof van de gemeente te bewerkstelligen. Als het houtje met een rustig vlammetje brandt heeft het zwavelkopje z'n dienst gedaan. Het is trouwens wel mogelijk dat er zich in de geschiedenis van de kerk herhalingen van zo'n beginsituatie voordoen en de tekenen weer opnieuw te voorschijn komen (op het zendingsveld, maar niet alleen daar), maar ook dan zal dit van voorbijgaande aard zijn. Er moet dan ook niet naar deze dingen gestreefd worden, het is mooi genoeg als God ze geeft. Gestreefd moet worden naar de hoogste gaven, die van de 'gewone' liefde voorop (I Cor. 12 : 31ev).