Als broeders samenwonen
2001-04-27
5 Hoort het woord des Heren, gij die voor zijn woord beeft: Uw broeders die u haten, die u verstoten om mijns naams wil, zeggen: Dat de Here zijn heerlijkheid tone, opdat wij uw vreugde aanschouwen. Maar zij zelf zullen beschaamd staan.- Jaargang 45
- nummer 9
6 Er klinkt gedruis uit de stad! Het klinkt uit de tempel! De stem van de Here, die vergelding brengt over zijn vijanden!
Vijanden: dat is het laatste woord van bovengenoemde verzen uit Jesaja 66.
Als je dat woord ergens tegenkomt, denk je onwillekeurig aan mensen buiten de grenzen van je eigen land, in ieder geval aan mensen buiten je eigen kring. Vijanden zijn mensen buiten je eigen grenzen. Met vijanden associeer je je niet. Met hen doe je geen dingen samen. Je zit niet met hen in hetzelfde gebouw, laat staan in een en hetzelfde vertrek. Dat alles komt bij je op, als je het woord ‘vijanden’ hoort. En je denkt dat je zo een redelijk beeld van de realiteit hebt en de dingen aardig op een rijtje hebt staan.
Toch is dit beeld nogal oppervlakkig en onvolledig, zegt de bijbel. In het bijzonder als het de kerk, het volk van God, betreft kunnen je vijanden je veel dichter op de huid zitten en nog veel venijniger onder je nagels komen. In de kerk kan het gebeuren, dat je broeder je vijand is, dat je samen met hem naar de tempel gaat, samen offers brengt en samen bidt (zie Ps. 55:13-15).
In de kerk kan het gebeuren dat je samen met je vijanden Ps. 133 zingt: hoe goed, hoe liefelijk is het, dat broeders van hetzelfde huis tezamen wonen. Het mocht wat, denk je dan. In de kerk kan het gebeuren, dat je samen met je vijanden in dezelfde wijk zit en dezelfde bijbelkring bezoekt.
En dan is het beslist niet onmogelijk, dat ze je daar, zonder dat de anderen het beseffen, geestelijk onderuithalen.
Zo kan het zijn in de kerk. Zo is het maar al te vaak in de kerk. Zo was het ook bij Israël in de tijd waarin de verzen die ons nu bezighouden, spelen. En waarom zijn ze je vijanden? Dat is zo, omdat ze vijanden van God zijn, zeggen deze verzen. Het omgekeerde is ook waar: ze zijn Gods vijanden, omdat ze jouw vijanden zijn.
Achtergrond
Wat is de achtergrond van deze verzen? U moet u voorstellen dat de tempel inmiddels herbouwd en in ere hersteld is. De eredienst functioneert weer naar behoren. Alles lijkt weer zoals het behoort te zijn. Maar dat is schijn.
Dwars door het volk van God loopt een scheidslijn. Het is een lijn die voor het oog niet altijd even helder zichtbaar is en die daarom ook moeilijk grijpbaar is, maar die niettemin toch uitermate reëel en funest is. Het is de scheidslijk tussen hen die voor Gods Woord beven (zie vers 2) en hen die dat niet doen. Het wemelt in de wereld van scheidslijnen en barrières tussen mensen. Er bestaan scheidslijnen tussen volken, rassen en seksen, tussen armen en rijken, en nog is de lijst niet compleet.
Soms verzachten ze zich en worden ze vager, andere keren verdichten en verharden ze zich tot starre, dodelijke fronten. Nu eens ligt het accent op de ene, dan weer op een andere scheidslijn.
En allemaal kunnen ze het leven en de maatschappij behoorlijk op hun kop zetten en chaotiseren. Maar er is geen scheidslijn die zo diep gaat en de mensen zo fundamenteel raakt, als die tussen degenen die voor Gods Woord beven en degenen die dat niet doen. Je zou wensen dat die scheidslijn samenviel met de lijn tussen kerkelijken en buitenkerkelijken. Helaas is dat niet het geval. Van Genesis tot het boek Openbaring toe loopt hij dwars door Gods volk heen.
De mensen die voor Gods Woord beven, zijn degenen die zich met heel hun hart vasthouden aan Gods richtlijnen en daar niet van af willen wijken. Ze zijn bang het Woord van God naast zich neer te leggen en Hem zo van zich te vervreemden.
Dat ‘bang zijn’ en ‘beven’ kunnen heel gemakkelijk verkeerd geïnterpreteerd worden. In de loop van de kerkgeschiedenis zijn dit soort uitdrukkingen namelijk vanuit een harde, wettische levenshouding geïnterpreteerd. Dan zag men God als een boze boeman, voor wie je alleen maar angstig kon wegkruipen. Alles wat Hij te zeggen had, joeg je vrees aan. Het is een beeld van God, dat helaas nog tal van christenen in zijn greep heeft en hun levens verziekt.
Verwarren
Weet u waar deze mensen het spoor bijster raken? Ze verwarren God zoals Hij voor zijn vijanden is, met God zoals Hij voor zijn lieve kinderen wil zijn. Voor zijn vijanden is God inderdaad een schrikwekkende God. Ze mogen met recht voor Hem sidderen. Maar dat geldt niet voor zijn kinderen, die Hem liefhebben en graag willen doen wat Hij zegt. Zij hoeven niet bang voor Hem te zijn. Geen sprake van. Voor hen is Hij een God van liefde en genade, die zijn hand op hun schouder legt en tot hen zegt: jij bent van Mij; Ik houd van je. God houdt van zijn kinderen en zij mogen van Hem houden. Vanuit die relatie en in dat kader moeten we nu dat ‘beven voor Gods Woord’ interpreteren. Het heeft niets te maken met een angsthouding tegenover God. Laat ik een voorbeeld gebruiken. Als een man en vrouw echt van elkaar houden, zijn ze toch niet bang voor elkaar? Zodra een man en vrouw bang voor elkaar worden, is er iets goed scheef gegroeid en is hun verhouding grondig verstoord. Als ze echt van elkaar houden, wordt hun relatie niet gekenmerkt door angst voor elkaar, maar door wederzijds vertrouwen.
Maar weet u waar ze dan wel bang voor zijn? Ze zijn bang elkaar te kwetsen en pijn te doen. Dat willen ze helemaal niet. Ze willen juist rekening met elkaar houden, niet achteloos heen lopen over wat de ander zegt en die ander niet maar wat laten kletsen. Daar zijn ze bang voor. In die zin vrezen ze elkaars woord, omdat ze van elkaar houden.
Zo is het ook in de verhouding met God. Zijn Woord vrezen komt niet voort uit angst voor Hem, maar uit het vertrouwen op Hem. Het is er bang voor zijn Hem te kwetsen door Hem maar te laten praten, door geen acht op zijn Woord te slaan. Proeft u hoe anders dat is, dat bij een wettische levenshouding en de daaruit volgende interpretatie? Er ligt een wereld van verschil tussen.
Haat
Helaas wordt de verhouding tot God niet bij iedereen bepaald door liefde en vertrouwen. Binnen Gods volk zijn er ook, die op voor hen beslissende momenten Gods Woord zonder meer naast zich neerleggen, er geen rekening mee willen houden, zich er niets van aantrekken en zo God zelf kwetsen. Een onvermijdelijk gevolg daarvan is, dat deze mensen ook een hekel beginnen te krijgen aan degenen die zich wel door Gods Woord willen laten gezeggen.
Daar kun je gewoon op wachten. En zo was het ook in de tijd waarin dit tekstgedeelte ontstond.
Waarom afkeer van God leidt tot afkeer van degenen die zich door Hem laten leiden, wordt hier niet gezegd. Toch is het goed er even aandacht aan te geven. Mensen die Gods Woord naast zich neerleggen, krijgen een hekel aan mensen die dat niet doen, omdat ze door hen en hun optreden geconfronteerd worden met wat er bij henzelf fout zit. Uiteraard weten ze dat ze fout zitten. Iedereen die Gods Woord links laat liggen, weet dat hij op het verkeerde spoor zit. Hij zal dat niet erkennen. Hij zal zich zelfs met allerlei redeneringen proberen wijs te maken, dat er niets aan de hand is en dat hem niets te verwijten valt.
Anders gezegd: hij zal er overheen leven. Maar dan stuit hij op mensen die zich in alles wèl op God en zijn Woord oriënteren. Daardoor voelt hij zich veroordeeld en het roept een schuldgevoel bij hem op. En dat reageert hij dan weer af op degenen die hem, vaak zonder dat ze het zich bewust waren, de spiegel voorhielden.
In Israël was daarbij zelfs sprake van pure haat en verstoting. Ze waren weliswaar broeders en zusters van elkaar, kinderen van één Vader, maar dat zegt nog niet alles, zoals u weet. Als je vandaag in de christelijke wereld om je heen kijkt, kun je dat telkens weer constateren. De verachters van God willen niets te maken hebben met hun broeders die Gods Woord in alles serieus nemen. Ze lopen met een grote boog om hen heen, negeren hen en als ze al eens iets tot hen zeggen, is het een kwetsende opmerking, bedoeld om pijn te doen. Zo gedragen ze zich als hun vijanden.
Venijn
U kent daar zelf wel voorbeelden van. Hoe vaak worden christenen met een heel nauw geweten niet belachelijk gemaakt. Hoe vaak wordt er niet de draak gestoken met hun verlangen dicht bij God te leven en van Hem alles te verwachten. Hoe vaak is hun vroomheid niet het mikpunt van venijnige spot. En dat gebeurt dan door hun eigen broeders en zusters.
Zo was het ook in Israël. De vromen hoopten in hun moeiten en problemen op God. Ze verwachtten hun hulp van Hem. En die vijanden dreven daar op een sarcastische manier de spot mee.
Dat willen we wel eens meemaken, zeiden ze, dat God zijn heerlijkheid in jullie bestaan openbaart; dan zien we jullie tenminste ook eens een keer vrolijk! Voelt u het? Het venijn druipt er af. Eigenlijk zeggen ze er twee dingen mee. Allereerst ligt er in opgesloten: jullie zijn een stelletje onverbeterlijke zwartkijkers en somberlingen. In de tweede plaats zeggen ze ermee: jullie kunnen lang wachten voordat God zich iets van jullie aantrekt. Denken jullie heus dat Hij ook maar iets met jullie te maken wil hebben? Natuurlijk niet. Dat wil Hij net zo min als wij.
Zo werden de mensen die zich in heel hun leven op God oriënteerden, in een hoekje geduwd. Ze werden min of meer als melaatsen behandeld, bij wie je ver uit de buurt bleef. En laten we er maar geen doekjes om winden: vandaag gebeurt dat ook nog binnen de christelijke wereld. Hebt u wel eens gesignaleerd hoe de ene groep christenen de spot kan drijven met de andere en zich erboven verheft? Dat is iets waar we allemaal voor op moeten passen.
Kwetsend
Laat ik wat concreter worden en de verhouding tussen reformatorische en evangelisch-charismatische christenen als voorbeeld noemen. Charismatische christenen kunnen reformatorische soms heel denigrerend en verachtelijk benaderen als tweede- of derderangs christenen, die van toeten noch blazen weten en die je dus gewoon kunt minachten. Ze kunnen zeer verachtelijk spreken over allerlei gebreken bij reformatorische christenen: een gebrek aan geestelijk leven, een gebrek aan levensheiliging, een blinde vlek voor geestelijke gaven en zo is er nog wel het een en ander te noemen. Dat alles resulteert dan in een enigszins hoogmoedig op die reformatorische christenen neerzien en hen afschrijven.
Gelukkig moet ik eraan toevoegen dat dit niet altijd het geval is. Maar het komt voor en je kunt zelfs wel van een tendens spreken. Het is een kwalijke zaak en ze kunnen de reformatorische christenen er heel diep mee kwetsen.
Omgekeerd kunnen reformatorische christenen buitengewoon negatief reageren op evangelisch-charismatische christenen, op hun enthousiasme, op hun nadruk op de gaven van de Geest, op hun in reformatorische ogen overtrokken vroomheid, op hun hallelujachristendom, waarin voor momenten van zwakheid en depressiviteit geen ruimte en begrip is, op hun zware accent op gebedsgenezing. En ook hier is deze lijst lang niet compleet. Ik heb iemand gekend die met zijn charismatische christendom zieke broeders en zusters die het moeilijk hadden, nog verder in de put duwde, doordat hij hen opzadelde met het schuldgevoel dat ze te weinig geloof hadden. Dat was kwalijk. Toen hijzelf ernstig en langdurig ziek werd, kreeg ook hij het moeilijk. En toen zag je dat zijn reformatorische broeders en zusters meesmuilend en met enig leedvermaak tot hem zeiden: waar blijf je nu?
Waar is nu dat grote geloof van jou? Net goed dat jij dit nu ook eens ondervindt!
Die reactie was al even kwalijk. In beide gevallen was er sprake van het kwetsen van lieve kinderen van God in hun persoonlijke geloofsbeleving. Dat hoort onder broeders en zusters niet zo te zijn.
Aanvaardt elkaar
Natuurlijk zijn er verschillen in geloofsbeleving. Dat was ook in de tijd van het Nieuwe Testament al het geval.
Joodse christenen en christenen uit de heidenwereld beleefden hun geloof op zeer verschillende wijze, ook wat de uiterlijke vormen betreft. Wie de brieven van Paulus naast die van Jakobus legt, kan niet ontkomen aan de conclusie dat elk zijn eigen accenten legt. Zolang men van elkaar aanvaardt, dat de ander in zijn anders geaccentueerde geloofsbeleving evenzeer de Heer zoekt (Rom. 14:1-12), is daar niets verkeerd mee en moet er ruimte voor zijn. Waar die aanvaarding aanwezig is, kunnen de onderlinge verschillen ook in een open sfeer en in onderling vertrouwen besproken worden en kan er zelfs sprake zijn van verrijking over en weer. Als die aanvaarding echter ontbreekt en men elkaar begint te veroordelen, gaat het fout. Zodra men begint te denken dat iedereen zijn geloof op dezelfde manier moet beleven en vorm geven – uiteraard op de manier waarop men het zelf beleeft! – is het met de aanvaarding van elkaar gedaan.
Dan begint er iets van vijandschap binnen te sluipen en beginnen de kwetsende opmerkingen over en weer door de lucht te vliegen. Om een uitdrukking van Jakobus te gebruiken: dit moet, mijn broeders, niet zo zijn.
Waar vijandschap ten aanzien van een verschil in geloofsbeleving de plaats gaat innemen van onderlinge aanvaarding, komt een ontwikkeling op gang, die – als God het niet verhoedt – uitmondt in een situatie zoals we die in dit bijbelgedeelte tegenkomen: een houding van ongeremde vijandschap jegens lieve kinderen van God en de bewuste bedoeling hen pijn te doen, te kwetsen, af te stoten en onderuit te halen.
Gods stem
Als het zover gekomen is, is er meer aan de hand dan alleen maar vijandschap jegens Gods kinderen. Dan is er ook sprake van vijandschap jegens God zelf, want het is onmogelijk Gods eigen kinderen te haten en intussen God zelf lief te hebben. In zijn brieven heeft de apostel Johannes ons dat onontkoombaar voorgehouden. En ook hij had dat niet van zichzelf, maar had het geleerd van Jezus en van Gods onderricht in het Oude Testament.
Vijandschap jegens Gods kinderen die in heel hun doen en laten zich op God oriënteren, ook al werken ze dat in bepaalde opzichten anders uit dan jijzelf, is per definitie vijandschap jegens God. Christenen van diverse geloofstradities zouden zich daar meer bewust van moeten zijn. Als een dergelijk klimaat van haat en vijandschap ontstaat, blijft God daar niet onverschillig onder, zegt vers 6.
Die hoogmoedige veroordelaars, die erop uit zijn Gods kinderen in hun geestelijke hemd te zetten, zullen zelf beschaamd komen te staan. Ze zullen ontdekken, dat juist zij God tegenover zich vinden. Dat zal schrikken zijn! Ze waren er immers zelf heilig van overtuigd, dat zij Gods keurtroepen waren en een exclusieve claim op God hadden.
Ja, dan sta je echt met je mond vol tanden.
Over de manier waarop ze tot die ontdekking zullen komen, wordt in deze verzen niet uitgeweid. Er wordt wel duidelijk gemaakt, dat God daar geen inspannende actie voor hoeft te ondernemen. Hij kan volstaan met het gebruiken van zijn stem. Maar die is dan ook indrukwekkend genoeg. Als een geweldig gedruis komt die stem van God uit de tempel en uit de stad aanrollen en brengt hij vergelding over zijn vijanden. Zoals hun stem Gods kinderen aantastte, zo zal Gods stem henzelf onderuithalen.
Gods stem kan liefelijk zijn en van vrede spreken (Ps. 85:8) voor zijn kinderen, maar kan ook als een aanrollende donder zijn oordeel aankondigen en voltrekken. Het woord dat uit Gods mond uitgaat, zegt Jes. 55:11, keert niet leeg terug. Het is geen holle klank, die je achteloos aan je voorbij kunt laten gaan. Nee, het zal datgene doen, waartoe het door God gezonden is. Laten we niet zo onverstandig zijn te denken, dat dit nu niet meer geldt.
Een aantal weken geleden zond ds M.R. van den Berg dit artikel voor plaatsing naar Opbouw. Het zou, door het grote aanbod aan kopij, even blijven liggen. Nu willen we het graag publiceren. Als zijn laatste bijdrage aan ons blad. Met dank voor alles wat hij voor Opbouw heeft betekend.
Redactie