Kerktaal en Leven

2000-03-03
  • Jaargang 44
  • nummer 5
Hoe ver mag je gaan in het gebruiken van eigentijdse taal om de boodschap van het Evangelie door te geven aan de mens van vandaag? Ir. J. van der Graaf, de scheidende ‘Bondscoach’ en hoofdredacteur van De Waarheidsvriend zegt daarover in zijn blad (27 januari):

De prediking kan niet buiten het taaleigen van het Woord om geschieden.
Dat geldt de wijze, waarop over God gesproken wordt, maar ook als het gaat over Zijn daden.
Hierboven stelde ik dat in elke taal grondwoorden zijn gevonden, die aansluiten bij de grondwoorden van de brontalen: verzoening, rechtvaardiging, heiliging, wedergeboorte, verlossing, voorzienigheid.
Die woorden mogen in de prediking nader worden aangeduid en uitgelegd maar ze mogen niet, vanwege vermeende onverstaanbaarheid, teloor gaan. Dan verliest de prediking haar diepgang.
Prediking heeft ook in de taal, waarin ze is gehuld, iets van de dwaasheid van de Boodschap, die van God uit tot mensen komt; een Boodschap in Christus, voor de joden een ergernis en de Grieken een dwaasheid, maar voor wie behouden wordt 'kracht Gods en wijsheid Gods' (1 Kor. 1:23,24).
Door popularisering kan de Boodschap worden verminkt of afgezwakt. De prediking is geen dramatische verbeelding. Dat maakt ook ons bezwaar uit tegen het vandaag in zwang zijnde bibliodrama.
De verbeelding richt alle aandacht op de verbeeldende acteur en de aandacht wordt afgeleid van het hoogheilig Evangelie.
Niet alleen de dramatische uitbeelding profaniseert het Woord, dat kan ook geschieden door al te populair woord-, taal- en stijlgebruik. In de prediking staan dienaren op heilige grond. Als in de tegenwoordigheid van God. Daarom geldt: De schoenen van de voeten.

Vraagt (de verkondiging van) het Woord van God om een eigen, verheven stijl? Het laatste woord zal er nog wel niet over gesproken zijn. Nico den Bok (in het januari-nummer van Kerk en Theologie) heeft het over hetzelfde, onder de titel "Of hier de Allerhoogste hoorbaar is". Niet zozeer de verkóndiging alswel de vertáling van het Woord van God geeft hem aanleiding het volgende te schrijven:

Wat we mooi gezegd of goed geschreven vinden is vaak een kwestie van cultuur en cultivering.
Daarmee kan iets gewonnen worden, maar ook iets verloren gaan. De bijbel die onze beschaving zo diep beïnvloed heeft, is zelf lang niet altijd een beschaafd boek. Op veel plaatsen maakt ze grammaticale fouten en getuigt ze literair gesproken van een slechte smaak.
Iemand als Augustinus heeft dit met enige afkeer en gêne moeten erkennen voor hij het hoofd ervoor boog. Zelfs een heel andere persoonlijkheid als Luther, die ook in taal graag de ongekuiste versie van het leven gaf, verontschuldigt zich in de voorrede bij zijn bijbelvertaling voor ‘de simpele en eenvoudige’ taal waarin de hoogste majesteit tot mensen spreekt.
Kennelijk leeft er niet alleen onder geletterden maar ook onder ongeletterden een sterk besef van wat een waardige of passende verschijning en verwoording zou moeten zijn, zeker als het gaat om God. Maar als God zelf van zich doet spreken in mensentaal, komt deze taal - getuige de bijbeltekst - in veel gevallen niet tegemoet aan dat besef. Ieder die van letteren houdt, wordt door de bijbel gedeemoedigd.
Dit neemt ondertussen niet weg, dat er ook prachtige, voluit literaire taal in de bijbel te beluisteren valt. () Deze kant is er óok: ieder die van letteren houdt, wordt door de bijbel bekoord.
Kennelijk is God vrij om niet alleen ontwikkelde en hoogstaande, maar ook (en op cruciale momenten vaak: juist) gewone en laag-bij-degrondse mensenwoorden te kiezen om te zeggen wat Hij wil. Op sommige momenten - tegenover bepaalde mensen in bepaalde situaties - is dat ook het beste wat een schrijver kan doen, lijkt mij, en daarom denk ik dat dit niet tegen, maar vóor Gods volkomenheid spreekt. Wie zich altijd uit in mooie taal, is vaak een slecht spreker. Is God niet volmaakter dan we dachten nu blijkt dat Hij zich ook in het onvolmaakte kan uitdrukken? De Geest bespeelt alle registers van de menselijke taal en talen, van hooggecultiveerde tot uiterst gewone of zelfs gebrekkige! In het laatste geval is het meesterschap trouwens zeker niet minder. Hoe bijvoorbeeld de evangeliën in de meest gewone mensenwoorden over de dingen van God spreken, is ongeëvenaard.

De titel boven deze Persschouw is niet van één van de beide geciteerden, maar van heel wat ouder datum; K. Schilder schreef onder deze titel een nog altijd zeer leesbaar essay. Twee citaten daaruit, precies over de hier aangeroerde materie:

Waarlijk, wij moeten ‘t leven weer in, ook met onze taal, om Christus’ wil.

En:

Hoe vaak hebben we ‘t ook al weer opgedreund: de wateren die den bodem der zee bedekken - de aarde vól van de kennis des Heeren?
Uw taal, o kerk, zal uitmaken, of ge dat meent.
Uw taal zal ook uw vonnis zijn.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief