Mondigheid
2000-03-17
Niet alles voor zoete koek slikken; er een hekel aan hebben om gecommandeerd te worden; mee willen praten in plaats van met autoritair genomen beslissingen te worden geconfronteerd: dat is de mondigheid waarover het in dit artikel gaat. De vraag is daarbij: welke rol speelt mondigheid in de kerk?- Jaargang 44
- nummer 6
Wachten voor rood
Mondigheid heeft te maken met de manier waarop gezag functioneert.
De tijd is voorbij dat gezagsdragers van boven af hun wil aan mensen konden opleggen.
Of het nu ouders, leraren, politieagenten of ministers betreft: zij redden het niet meer met een beroep op hun autoriteit. Kinderen, leerlingen en burgers gehoorzamen niet meer slaafs. Zij denken mee als iets van hen gevraagd wordt: "Wil ik dit? Is het redelijk dat men dit van mij vraagt?"
Gezagsdragers moeten tekst en uitleg geven. Het lijkt erop, dat gezag alleen werkt als het vrijwillig aanvaard wordt.
Een voorbeeld. Stel, u gaat op zondagmorgen op de fiets naar de kerk.
De dienst begint zo vroeg, dat de straten er nog verlaten bij liggen. Op het kruispunt waar het anders ongelooflijk druk is, is in geen velden of wegen een auto te bekennen.
Maar denk niet dat u zomaar kunt doorrijden!
Het zorgzame gemeentebestuur beschermt u ook op dit uur van de dag met verkeerslichten. Het licht voor fietsers staat op rood. Als u geluk hebt kunt u op een knop drukken om te bewerkstelligen dat het op groen springt. Als u pech hebt moet u wachten tot auto's uit alle mogelijke richtingen langdurig in de gelegenheid zijn gesteld het kruispunt vrij te maken. Hoe het ook zij: u moet geduld hebben, tergend veel geduld, tot eindelijk het groene licht te kennen geeft dat u zonder gevaar kunt oversteken.
Gewetensvraag
En nu een gewetensvraag, lezer. Stond u daar nog?
Of was u al lang doorgereden?
Misschien zal iemand zeggen: "Natuurlijk rijd je niet door! Je stopt toch voor rood? Daar hoef je geen seconde over na te denken."
In zo'n antwoord klinkt de klassieke opvatting over gezag door.
Je doet eenvoudigweg wat de overheid van je vraagt. Punt. Uit. Maar of er veel mensen zijn die zo klakkeloos gehoorzamen?
Het lijkt niet waarschijnlijk.
Welke fietser, die dit volkomen zinloze overheidsgebod opvolgt, zal zichzelf niet de vraag stellen waar hij eigenlijk mee bezig is... Zeker, er zijn redenen aan te voeren om ook op deze zondagmorgen voor rood te wachten. Bijvoorbeeld, dat het een rommeltje wordt in de samenleving als iedereen zelf gaat bepalen wanneer het nuttig is om voor rood te wachten en wanneer niet.
Of dat je aan kinderen het goede voorbeeld moet geven. Iemand vertelde mij eens, dat hij in zo'n situatie het besluit nam om door te rijden.
Na afloop van de kerkdienst echter hoorde hij van zijn kleinkinderen dat hij gesignaleerd was. U kunt zich het gejuich in die auto voorstellen: "Opa rijdt door rood!!!" Maar óók als men om dit soort redenen besluit om niet door rood te rijden, is van mondigheid sprake.
Immers, je wacht dan niet meer omdat het gemeentebestuur het zegt, maar omdat jij zelf besloten hebt om niet door te rijden. Je wacht voor rood, niet domweg, omdat het licht nu eenmaal op rood staat, maar op grond van argumenten die jou overtuigen.
Je hebt het gezag aanvaard uit eigen vrije wil. Of een gemeentebestuur er van uit mag gaan dat veel burgers deze afweging maken, is een andere vraag. Mij dunkt: als het prijs stelt op eerbiediging van zijn gezag, zou het er verstandig aan doen fietsers ook werkelijk te behandelen als mondige burgers en verkeerslichten daarop af te stellen...
Mondigheid in de kerk
Het kan niet anders of deze mondigheid werkt ook in het kerkelijk leven door. Ik heb me laten vertellen dat (heel) vroeger vanaf de preekstoel werd bekend gemaakt, bij wie de komende week huisbezoek zou worden gebracht, en wanneer. Dat zou je nu niet meer moeten proberen!
Afgezien nog daarvan, dat mensen het meestal veel te druk hebben om hun zonder overleg aan te kondigen 'dan en dan komen wij' - gemeenteleden zijn er niet van gediend om een huisbezoek 'opgelegd' te krijgen. Iets dergelijks zie je bij de talstelling ter voorbereiding van de verkiezing van ambtsdragers.
Vroeger kon simpelweg worden meegedeeld: "U staat op tal." Tegenwoordig maken steeds meer broeders en zusters daar bezwaar tegen. Zij stellen prijs op inspraak - "wil ik wel op het tal??"
Beroepingscommissies merken het ook.
Dominees willen steeds vaker zelf mee bepalen, of er een beroep op hen wordt uitgebracht. De predikant confronteren met een voldongen feitin de meeste gevallen is het er niet meer bij.
Kinderspel
Dit alles is evenwel kinderspel vergeleken bij het doordringen van de menselijke mondigheid in de relatie tot God. Dat veel christenen tegenwoordig problemen hebben met zondag 10 van de Heidelberger Catechismus heeft onder andere te maken met die sterk toegenomen drang om mee te kunnen praten. Zondag 10 lijkt een beeld te schetsen van een God, die soeverein bepaalt wat goed voor een mens is, en mensen die zich daaraan volgzaam onderwerpen: "in alle tegenspoed geduldig, in voorspoed dankbaar".
Maar heel wat gelovigen zijn zo volgzaam niet meer! Ze hebben zélf hun ideeën over wat goed voor hen is, en eisen het recht op om God ter verantwoording te roepen voor zijn beleid. Zij zullen de bekende regels van gezang 293:1 niet meer zo gemakkelijk meezingen: Leer mij volgen zonder vragen; Vader, wat Gij doet is goed!
Ook bij het bijbellezen verandert er iets wanneer gelovigen zich mondiger opstellen. Ooit moet iemand gezegd hebben: "Zelfs als in de bijbel stond dat Jona de vis had ingeslikt, dan geloofde ik het nog!" Met andere woorden: je gelooft iets omdat het in de bijbel staat. Punt. Uit.
Dat nu nemen veel christenen niet meer voor hun rekening. Net zomin als het voor hen vanzelfsprekend is om te wachten voor een verkeerslicht dat op rood staat terwijl er in geen velden of wegen auto's aankomen, is het vanzelfsprekend om alles te aanvaarden wat in de bijbel staat. Je hebt ook nog je gezonde verstand!
Er zijn de onweerlegbare schijnende uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek!
Je hebt soms geen 'goed gevoel' bij wat je in de bijbel leest! En zo kan de uitkomst zijn, dat de bijbel alleen nog maar gezag heeft voor zover jij als lezer hem gezag toekent.
Dan ben jij het die bepaalt of dat wat in de bijbel staat, geldt als Gods Woord.
"Daar kan ik niks mee..."
Intussen zijn de rollen dan wel omgedraaid. In plaats daarvan, dat een mens zich onderwerpt aan het gezag van het bijbelwoord in de trant van I Samuël 3:10 ("Spreek, want uw knecht hoort!"), wordt de bijbel onderworpen aan het gezag van de rede of het menselijk gevoel. Dat kan toch niet de bedoeling zijn! Nee, zeker niet, zolang je tenminste in de lijn van de Reformatie wilt blijven erkennen dat God Zelf in de bijbel tot ons spreekt en dat Hij het eerste en het laatste woord over ons leven heeft (gezang 1). Maar het ingewikkelde is, dat mensen absoluut niet bedoelen aan die belijdenis te tornen, en haar niettemin in de praktijk doen inschrompelen.
Naar mijn indruk is de menselijke mondigheid veel verder voortgeschreden in de harten van mensen, dan vaak wordt beseft. Bijna ongemerkt zijn de gewichten in het christelijk en kerkelijk leven wel degelijk verschoven: de bijbel heeft minder te vertellen, en de redelijk nadenkende en op zijn gevoel afgaande gelovige meer.
Hoe vaak hoor je mensen niet zeggen "daar kan ik niks mee". Dan gaat het niet over de minst belangrijke zaken: denk aan de bijbelse verkondiging van Gods verwoestende toorn, of aan het evangelie van de verzoening volgens Hebreeën 9:22: "Zonder bloedstorting geschiedt er geen vergeving." Het gezegde "daar kan ik niks mee" verraadt, hoe gemakkelijk het Schriftgezag gekortwiekt kan worden. Toch is het zinloos om van de weeromstuit dus maar flink tegen die 'verderfelijke geest van mondigheid' in te preken, zoals in orthodoxe kringen wel gebeurt. Want juist zulk gepreek zoekt zijn kracht in dat autoritaire, waar mondige mensen geen boodschap aan hebben. Je komt alleen verder, wanneer je met kracht van argumenten werkt, en mensen zover brengt dat zij zelf gaan inzien dat zij op een spoor terecht komen dat leidt tot inkapseling van het schriftgezag. Maar betekent dat dan niet dat je overstag gaat voor die mondigheid? In zekere zijn wel, ja. Dat is misschien zelfs onontkoombaar.
Die menselijke drang om inspraak te hebben en niet alles voor zoete koek te slikken, is eenvoudigweg niet te bezweren.
Sterker nog: het is een houding die bijbels heel wel te verdedigen is.
Bijbelse mondigheid
Bij de verkondiging van het evangelie worden de hoorders volgens het Nieuwe Testament steeds weer in de gelegenheid gesteld om zelf de betrouwbaarheid van de boodschap te beoordelen.
De Here Jezus poneert merkwaardigerwijze slechts hoogst zelden zichzelf als de Messias, maar daagt de mensen tegenover zich uit om hun eigen oordeel te geven: "Wie zegt gij dat Ik ben?" (Mattheüs 16:15) Hij neemt niet zijn toevlucht tot machtswoorden, maar vertrouwt erop dat het getuigenis dat uitgaat van de werken die Hij doet, de waarheid over Hem aan het licht zal brengen (Johannes 5:31,32,36). Zo laat Hij zijn hoorders ruimte om zelf hun conclusies te trekken; zie bijvoorbeeld Johannes 7:40-52. De belijdenis dat Jezus de Christus is wordt niet autoritair afgedwongen, maar correspondeert met het eigen inzicht van mensen; zie bijvoorbeeld Johannes 4:42. Ook Christus' apostelen doen een beroep op het eigen oordeel van hun hoorders.
Van de Joden in Berea wordt gemeld, dat zij op de prediking van Paulus en Silas reageerden door dagelijks de Schriften na te gaan, "of deze dingen zo waren." (Handelingen 17:11) Paulus spoort de Corinthiërs regelmatig aan om hun verstand te gebruiken; dan zullen zij de redelijkheid van wat hij zegt inzien (I Corinthiërs 10:15; 11:13,14). Als het om werkingen van de Geest gaat, heeft hij er vertrouwen in dat de Thessalonicenzen bij machte zijn alles te toetsen en het goede te behouden (I Thessalonicenzen 5:19-21). Dat alles wijst erop, dat de gelovigen in het Nieuwe Testament niet worden beschouwd als onmondige lieden die alles moet worden voorgekauwd. Integendeel, ze worden aangesproken op hun kritische vermogen en op hun eigen inzichten.
Wanneer zij dan ook komen tot aanvaarding van het gezag van Christus en zijn apostelen, is dat een zaak van vrijwillige bijval en niet van hersenspoeling of emotionele extase. Zo wil de HERE het ook: dat het toebehoren aan Hem iets van henzelf wordt (vgl. de uitdrukking 'in het hart geschreven', Jeremia 31:33).
Aanvaarding
In wezen hebben we het hier over het werk van de Heilige Geest, van Wie de Dordtse Leerregels zo treffend zeggen dat Hij onwilligen gewillig maakt (III/IV 11). De Geest is het die mensen uittilt boven het niveau van slaafse onderwerping en brengt tot aanvaarding van de Here en zijn woord vanuit eigen overtuiging. Waar Hij zijn werk doet, is het ontzag voor God geen 'aangeleerd gebod van mensen' meer (Jesaja 29:14), maar diep doorleefd.
Om het met een beeld van Van Ruler toe te lichten: God komt bij mensen binnen, niet door de poort van hun hart te rammeien met de stormram van zijn Woord, maar door in de kracht van zijn Geest mensen ertoe te bewegen Hem zelf open te doen. Zo creëert de Geest een bij uitstek mondige gemeente. Hoe dat er concreet uitzietdaarover meer in een volgend artikel.