Over degelijke kost, infantiliserende preken en verkondiging
2001-05-25
‘Het is wel mooi dat de dominee toegankelijk wil preken voor jongeren en buitenstaanders, maar ik begin ondervoed te raken. Ik leer niks meer.’ klaagt een gemeentelid. Wat is er aan de hand? Levert de dominee oppervlakkige preken? Dat zal hij ook voor buitenstaanders weinig te zeggen hebben. Of mist het gemeentelid iets anders?- Jaargang 45
- nummer 11
In een boek-- voor gezondheidwerkers in de derde wereld las ik een interessant verhaal over manieren van onderwijs geven.
Een groep mensen kreeg twee morgens onderwijs over tandbederf. De eerste morgen werden de mensen in rijen gezet voor een bord. Een tandarts in een witte jas sprak over cariës en tandsteen en tekende doorsneden van tanden op het bord en schreef de moeilijke woorden op. Hij sprak over merken tandpasta en borstels.
De tweede morgen werden de mensen in een kring gezet en iemand in gewone kleren kwam tussen hen in zitten.
Hij vroeg de aanwezigen elkaar te vertellen wat voor problemen ze hadden met tanden en kiezen en hoe ze hun tanden onderhielden. Ieder-een herkende problemen met het gebit. De één gebruikte stokjes, de ander spoelde met zout water, anderen deden niets. De gespreksleider vulde aan welke stokjes het best geschikt zijn, hoe je daarmee kunt poetsen en hoe je zout kunt gebruiken en wat goed en slecht is voor het gebit.
Een onderzoeker vroeg de aanwezigen welke ochtend ze het meest hadden geleerd. Vrijwel iedereen zei dat de eerste les het beste was geweest. ‘Wat herinnert u zich nog van die les en wat hebt u met die kennis gedaan?’ vroeg de onderzoeker. De mensen konden zich nauwelijks iets van de les herinneren, behalve de tandarts.
Tandpasta en borstels waren te duur om regelmatig aan te schaffen. Van de tweede les herinnerde men zich veel meer en vrijwel iedereen had er iets uit meegenomen waar hij elke dag iets mee deed.
Dit voorbeeld wordt de gezondheidswerkers voorgehouden om niet in de verleiding te komen geleerde verhalen te houden, of zich er schuldig over te voelen dat ze dat niet kunnen. ’Luister niet naar wat de mensen zéggen over jullie lessen, maar let op wat ze voor effect ze hebben op hun levensstijl. Jullie werken niet om bewonderd te worden, maar om mensen te leren zelf gezonder te leven.’ is de moraal van het verhaal.
Wat wil ik eigenlijk leren in de kerk?
Terug naar de trouwe kerkganger die niks meer leert in de preken in alledaags Nederlands die gaan over de dingen van alle dag. Wat willen we eigenlijk leren in de kerk? Waarom zitten we er? Ik kan bijzonder genieten van een degelijke bijbelstudie, een nieuw inzicht in een tekst. Daarvoor is meestal voorkennis nodig van de bijbel en de bijbelse geschiedenis en talen. Heb ik daar de preek voor nodig? Ik kan er ook over lezen en studeren in boeken.
Op mijn eigen niveau, in mijn eigen tempo. Het zijn belangrijke zaken, ik krijg er meer liefde voor de bijbel door en meer bewondering voor God, maar vaak leer ik dan niet de dingen die mijn levensstijl veranderen. Als de preek gaat over de dingen van alle dag, in een taal die wij spreken, zal dat even degelijke kost zijn voor de nieuw-gelovige als voor de trouwe kerkganger. Als het gaat over zonde en verlossing, vergeving en gevaren van verleiding en hebzucht zijn we nooit uitgeleerd. Het lijkt me ook goed mogelijk om in een preek 'laagjes' in te bouwen: een raamwerk dat te verstaan is voor alle hoorders, en hier en daar een verwijzing, of een uitstapje voor emsnen die dat kunnen waarderen.
Verstaat gij wat ge leest (en hoort)?
Er zijn preken waarbij je je aangesproken voelt als een klein kind, infantiliserende preken. Maar dat zijn preken die voor niemand goed zijn, ook niet voor jongeren en nieuwgelovigen. Veel kinderboeken, zoals Winnie de Poeh, Alice in Wonderland en de Narniaverhalen zijn geschreven voor kinderen, maar ze zijn beslist niet kinderachtig en volwassenen kunnen er ook van genieten. Terwijl ik theologie studeerde gaf ik godsdienstles aan openbare lagere scholen. Daar leerde ik of dat wat ik in moeilijke woorden wist, ook echt zelf begreep.
Verlossing, verzoening, genade, ik moest het allemaal uitleggen en omschrijven. De weetjes uit de bijbeltijd ook. Toen ik terug vroeg naar het verhaal van de vorige les en zei: ‘Wat had Zache-üs voor beroep?’ kreeg ik als antwoord ‘Hij had een restaurant.’ Natuurlijk, Jezus wilde bij hem komen eten! Ik had de cultuur van Zacheüs niet goed beschreven. Toen ik het verhaal van de verloren zoon vertelde riep de hele klas dat die vader niet eerlijk is. Toen ik het verhaal van de gevangenname van Jezus vertelde, van Petrus die zijn zwaard weg moest doen, sprong een jochie op en zei ‘Ik zou niet meer mee doen! Ik zou weglopen, dan moet hij het zelf maar weten!’ Ik vraag me af of ik uit commentaren meer had kunnen halen dan uit die ontmoetingen met mensen die de verhalen voor het eerst hoorden en voor wie ik ze ook weer als nieuw moest horen en vertellen.
Troost en uitdaging, hoorders en daders
Wat ik met dit verhaal wil zeggen is dat toegangelijkheid in de prediking en diepgang elkaar niet hoeven uit te sluiten. Integendeel. Woorden kunnen verhullen, bekende woorden kunnen geruststellend bekend klinken. Als moeder elke dag zegt ‘Kijk je goed uit?’ gaan die woorden niet meer over het gevaar op de weg, maar over moeders liefde en bezorgdheid.
Wie mensen zo wil aanspreken dat ze veranderen, zal duidelijke en telkens andere taal moeten spreken. Of zitten we niet in de kerk om te veranderen? Zitten we er om getroost te worden. Dat ook! En dan hebben de bekende woorden en liederen zeker een belangrijke funktie. Maar de verkondiging heeft twee doelen: troost en uitdaging: ‘Kom tot Mij’ en ‘Gaat en verkondig’.
We zitten niet in de kerk om te consumeren, maar om te drinken van levend water zodat dat uit ons binnenste stroomt, of, om het in andere taal te zeggen: om bij te tanken bij God en er daarna weer tegenaan te gaan in zijn Koninkrijk. Ik eindig met een verhaal van Kierkegaard zoals ik me dat uit mijn hoofd herinner: Een koning vaardigde een bevel uit en liet het in zijn hele land aanplakken. Overal in zijn rijk bewonderden de onderdanen de woorden van hun koning. Sommigen leerden de woorden uit hun hoofd, anderen gingen in studiegroepen samen zitten om ze te bestuderen en uit te zoeken wat de aanleiding, de diepe bedoeling, en de achterliggende gedachte kon zijn. Weer anderen plozen het taalgebruik uit. Maar wie deed wat de koning had bevolen? Misschien een vreemdeling die de woorden serieus nam en niet uit bewondering voor de koning bleef staan bij de woorden.