Over theologie gesproken

2001-06-08
  • Jaargang 45
  • nummer 12
Op een afstand volg ik het wel en wee in onze kerken. Veel ervan ontgaat me; lang niet alles vangt mijn aandacht. Maar als het over theologie gaat, ga ik altijd iets rechter op zitten.
In tegenstelling tot veel (?) anderen onder ons vind ik dat nu een buitengewoon boeiend onderwerp. Ik nam dan ook met meer dan gewone belangstelling kennis van de discussies op onze Landelijke Vergadering over de opleiding voor predikanten. Ik zal daar geen commentaar op leveren. Maar toen ik iemand hoorde betogen dat hij geen theoloog hoefde te worden om predikant te kunnnen zijn , wilde ik dat toch niet onweersproken laten. Ik ben theoloog om goed predikant te kunnen zijn. Maar waar hebben we het dan eigenlijk over?

We zijn het er wel over eens, onder ons, dat predikanten een gedegen opleiding moeten hebben. De kerken kunnen niet ieder die maar wil, tot het ambt toelaten. De roeping om het Woord van God te verkondigen – niet alleen op de preekstoel, maar op alle terreinen van het kerkelijke leven – stelt hoge eisen. Dit uitgangspunt verbindt ons meer dan we soms beseffen. Ik draag dit artikel op aan ds Jan Bouma, die dezer dagen zijn zilveren ambtsjubileum viert, en binnen onze kerken zijn sporen heeft verdiend op het veld van de theologische opleiding.

Taalniveaus in de medische wereld
Nog niet zo lang geleden lag ik op de operatietafel in Durban; er moest gedotterd worden en een stent ingeplant.
Onder plaatselijke verdoving werd de ingreep uitgevoerd. De cardioloog praatte me bekwaam door de handelingen heen. Op de monitor wees hij me aan wat er in de bloedvaten rond mijn hart fout gegaan was. Ik voelde me nog nooit zo vervreemd van mijn eigen hart dan op dat moment. Maar hij wist mij in begrijpelijke termen duidelijk te maken wat er aan de hand was en wat hij deed. Soms hoorde ik hem in medische termen met zijn team overleggen over de volgende stap in het proces. Nu was ik niet al te helder, maar het ging ver over mijn hoofd heen. Het was ook niet voor mijn oren bestemd. Om de ingreep vlot te laten verlopen had hij dat technisch-medische taalgebruik nodig. Nu was er verder medisch niets speciaals aan de hand met mijn hart. Er was geen reden voor ernstige zorg. De cardioloog zal met zijn collega’s over mijn hart geen discussie gevoerd hebben. Maar discussies op dat niveau zijn natuurlijk wel specialistisch met gebruikmaking van een hoog-theoretisch, technisch taalgebruik. Lang niet alle huisartsen zullen zo’n discussie kunnen volgen, laat staan de man op de tafel. We kunnen in dit proces drie taalniveaus onderscheiden waarop mijn hart ter sprake kon komen. Het eerste niveau is toegankelijk voor ieder die dat echt wil weten en er belang bij heeft, zoals de patiënt. In de krant en de populaire encyclopedie worden op dit niveau medische zaken uitgelegd. Op het tweede niveau komen we de mensen van het vak tegen, die er met kennis van zaken over kunnen meepraten. Het is het niveau waarop in medische tijdschriften wordt geschreven.
Daarbij valt niemand erover dat niet iedereen begrijpt waar men het over heeft. Op het derde niveau is dat al helemaal niet het geval. Waarom zou iemand het een medisch onderzoeker kwalijk nemen dat hij zijn studies in wetenschappelijk jargon giet?

Jaren geleden kreeg ik van een dokter zijn dissertatie cadeau. Het handelde over specialistisch kankeronderzoek.
Ik heb alleen het voorwoord gelezen en begrepen. Duidelijk is wel dat deze verschillende taalniveaus onderling verbonden zijn. Op alle niveaus wordt er over het zelfde hart gesproken of geschreven. Het ene niveau kan niet zonder het ander. Als het hoogwetenschappelijke onderzoek, waarvoor men specialist moet zijn om het te kunnen volgen er niet geweest was, had ik het in Durban niet overleefd. Er vindt een vertaalslag plaats tussen de verschillende niveaus, wat het medische gebeuren bij de mensen houdt. Het gaat toch om mensen en hun gezondheid.

Taalniveaus in de kerkelijke wereld
Dit verhaal over het verschil in taalniveaus in de medische wereld kwam ik tegen bij Prof. G. Glas, een psychiater, die reformatorische filosofie doceert.
Zou het ook niet opgaan voor de wereld van kerk en theologie? Op het eerste niveau horen we de predikant op de preekstoel en in het catechisatielokaal of op huisbezoek. Op dit niveau moet iedereen mee kunnen komen, die dat wil. In taal die begrijpelijk is – niet voor jan en alleman! – voor gelovigen van vandaag moet de bijbel ter sprake komen. Op dit niveau wordt er in kerkbodes geschreven of in christelijke tijdschriften. Niemand zal erover vallen dat dezelfde zaken op het tweede niveau besproken worden, soms in gesprekskringen of soms in theologische tijdschriften. Het geloof verantwoorden in de wereld van vandaag vraagt om voorafgaande studie. Om te kunnen blijven preken en catechiseren is voortgezette studie vereist. En dan schiet het eerste taalniveau tekort in terminologie en begrippen.
Wanneer ik me verdiep in de christologie – wat een term! – heb ik dat tweede taalniveau nodig. En me erin verdiepen mòèt ik, wil ik zondags iets zinnigs op de preekstoel kunnen zeggen over de persoon en het werk van Christus vandaag. En geen prediker ontkomt hieraan; niemand herhaalt alleen maar bijbelwoorden zonder bezinning op dit tweede niveau.
Biblicisme is een dodelijk gevaar voor de kerk. Natuurlijk vertaal ik als dominee naar de hoorders in de kerkzaal toe. Niveau-verwarring schept verwarring in de kerk. Als het goed is, gaat het op beide niveaus om dezelfde zaken, en is men gericht op hetzelfde doel: de hoorders in de kerk en hun geestelijke gezondheid. Maar dat derde taalniveau is er natuurlijk ook in de kerk en in het geloof! Want de dominees en kerkelijke werkers zijn weer afhankelijk van de specialisten op de diverse vakgebieden.
Natuurlijk kan ik me bij de voorbereiding van mijn preek beperken tot de Korte Verklaring. Maar of de gemeente dat ook zal merken! Ik zal toch ook gebruik maken van een wetenschappelijke commentaar, of soms ook wel van een speciaalstudie op een bepaalde tekst. Maar die zijn geschreven op het derde taalniveau. Dat het gemiddelde gemeentelid daar niet mee uit de voeten kan, is vanzelfsprekend. Bij de bestudering van de kerkgeschiedenis kun je toch niet volstaan met de populaire schetsen en pamfletten die je in een uur uitleest. Daar zijn studies voor nodig die niet zo maar, zelfs niet voor elke predikant, toegankelijk zijn. Het zelfde geldt voor de dogmatiek.
Er kan toch geen bezwaar tegen zijn dat op dit derde niveau de zaken van het geloof besproken worden, waar het een gemeentelid bij duizelt? Het taalgebruik zal theoretisch zijn en soms zelfs ook hoogtechnisch. Wie Pannenberg leest, zal toch wel een paar taaldrempels over moeten. Maar op dit derde niveau gaat het niet wezenlijk over andere zaken dan op het eerste.
Dat wordt wel eens gesuggereerd. En die suggestie wordt ook wel gevoed door de woordvoerders op dit derde taalniveau. Maar vaak is het toch niet meer dan schijn. De theologische specialist leeft van de christelijke kerk en haar traditie, zelfs als hij of zij zich door het geloof niet meer aangesproken weet. Waar zij het over hebben in hun onderzoek, komt ter sprake in de kringen van predikanten en kerkelijke werkers, en vindt zijn weg naar de zondagse eredienst of de catechisatie op maandag. De kerk heeft wel degelijk belang bij dit derde taalniveau. Het zal haar duur te staan komen, wanneer ze dat overlaat aan neutrale instellingen.

Predikantenopleiding
Een predikant moet zich op de eerste twee niveaus thuis kunnen voelen. We hebben het dan over zijn beroepsopleiding. Maar dat kunnen we niet waterdicht afsluiten van het derde niveau. Op zijn minst de docenten aan de opleiding zullen op het derde niveau hun weg moeten weten te vinden. In dit verband heb ik toch wat meer begrip gekregen voor Calvijn, die in de kerk een vierde ambt zag weggegelegd voor de docenten in de theologie. Maar niet alleen de docent moet in zijn vakgebied thuis zijn op het derde niveau. Ook de student moet toch het abc van deze taal leren spellen en begrijpen. Want de kerk wordt overspoeld met studies op dit derde niveau geschreven en gepopulariseerd voor het tweede niveau; de vertaalslag naar het eerste niveau ligt dan voor de hand. Als voorganger in de gemeente heeft de dominee toch ook de taak de weg te wijzen. Goed, ieder heeft zijn eigen gaven; we maken in de kerk dankbaar gebruik van elkaars gaven. De een spreekt vreemde talen vloeiend, de ander blijft stumperen. We maken als kerk van alle gaven dankbaar gebruik. Zouden we dan niet de gave ontwikkelen, die nodig is om op het derde niveau het woord te kunnen voeren? Een theoloog is iemand die op de eerste twee niveaus wel ter tale is, maar die het abc van de derde taal heeft leren spellen. De meesten van ons komen niet verder; sommigen zijn geroepen de kerk te dienen met hun taalvaardigeheid op dit derde niveau. In de theologie staat de wetenschap in dienst van de kerk – of beter: in dienst van het Koninkrijk van God. Neutraal theologie beoefenen is niet alleen onmogelijk, het leidt ook tot het einde van de theologie; het eindigt met godsdienstfilosofie. Dat is een eerbaar vak, ook voor christenen, waar veel van geleerd kan worden, maar het is geen theologie. Ik pleit er dan ook voor om theologie als wetenschap van het derde taalniveau de haar toekomende plaats te geven binnen de kerken. Dat is geen heersende maar een dienende plaats. Ook in de opleiding van predikanten behoort zij de haar toekomende plaats te ontvangen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief