Douma en een wankelende zuil
2001-06-08
Niet alleen Opbouw besteedt aandacht aan het nieuwe boekje van professor Douma (zie de artikelen van ds Smouter in dit en het vorige nummer), ook andere bladen doen dat; en niet in de laatste plaats de pers uit de kerken waarvan Douma lid is. In De Reformatie gaat G.J. van Middelkoop het gesprek aan met Douma. Hij blijkt, naast de min of meer verplichte waardering, stevige kritiek te hebben, en dan vooral op de herziening van de eigen kerkelijke opstelling zoals Douma die voorstaat: - Jaargang 45
- nummer 12
Buitengewoon jammer is het dat Douma nu voorzichtig instemt met de Open Brief waar zij het leven na de Vrijmaking typeert als bepaald door een ’vrijmakingsgeloof’ of een ‘ideologie’. () In zijn 'Herinnering en verwachting' van 1969 heeft Douma zich met deze karikatuur van een 'vrijmakingsideologie' geconfronteerd en die nadrukkelijk weersproken. Daarmee heeft hij toen velen geholpen. Ik vind het onbegrijpelijk en zeer teleurstellend dat hij nu voorzichtig instemt met de tekening van het 'vrijmakingsgeloof' van de Open Brief. En daarmee ten onrechte afstand neemt van de principiële opstelling van de kerken na de Vrijmaking, waarmee hij zich verder zo hartelijk verbonden weet.
Douma pleit er in zijn boekje voor om frank en vrij afscheid te nemen van de ‘doorgaande reformatie’ (zie de artikelen van Smouter). Van Middelkoop omschrijft hoe vanuit het verleden in zijn kerken altijd gedacht werd op dit punt: In de kring van de vrijgemaakte Gereformeerde Kerken kwam al spoedig de gedachte op, dat voor veel aktiviteiten een geestelijke eenheid noodzakelijk was. Die eenheid zochten we in de gebondenheid aan de gereformeerde confessie en voor een levende binding werd de prediking in een Gereformeerde Kerk van vitaal belang geacht. Zo werden gereformeerde actie, gereformeerde confessie en behoren bij een Gereformeerde Kerk in samenhang gezien. Het gaat hier niet om iets van de buitenkant, niet om een formeel principe, maar om een inhoudelijke band.
Douma wil dus af van deze ‘doorgaande reformatie’. Daarvoor noemt hij in zijn boekje vier argumenten. Ik neem hier over wat Van Middelkoop schrijft over het laatste van die vier: Het vierde argument dat Douma noemt, is de vrijheid van geweten. Vroeger kwelden we gewetens om mensen te pressen tot gereformeerde actie. Daarin zijn we te ver gegaan. Als je daar afstand van neemt, wankelt de vrijgemaakte zuil. Een vreemde redenering. Ik heb me nooit in geweten gedwongen gevoeld om medewerking te geven aan bepaalde organisaties. Ik koos op in mijn ogen goede gronden voor een gereformeerde studentenvereniging, een gereformeerde krant, een gereformeerde school en gereformeerde politiek, zonder mij gebonden te achten aan particuliere opvattingen van deze of gene. En ik hoop ook in de toekomst voor gereformeerde actie te kunnen kiezen, waar dat zinnig en nodig is. Zolang meerderen dat doen, hoeft de vrijgemaakte zuil niet te wankelen, ook als ze niet meer zo breed gedragen zou worden en niet meer op elk terrein een plaats heeft waar ze die vroeger had.
Mijns inziens is er dus zakelijk geen reden om breed afscheid te nemen van de gereformeerde organisatie.
En principieel zou het een grote stap achteruit zijn als we de motieven voor gereformeerde actie niet langer zouden honoreren. En die ook in veranderende omstandigheden zo goed mogelijk tot hun recht laten komen. Dan moet gevreesd worden voor inhoudelijke verarming en verschraling die de kwaliteit van onze christelijke bezinning en actie zal aantasten. Zou een denken op deze lijn werkelijk halt houden voor de gereformeerde scholen, die velen onder ons met Douma nu nog als een groot goed zien? En kun je aan de ene kant ongenuanceerd een aantal punten van je belijdenis naar achteren schuiven terwille van een bredere christelijke samenwerking, terwijl je aan de andere kant op het kerkelijke vlak brede hartelijke instemming verlangt om zeker te zijn van werkelijke geestelijke eenheid? Of zou bij deze ontwikkelingen het strikt gereformeerde karakter van de kerken ook onder druk komen te staan?
Tenslotte nog de inmiddels niet meer verrassende conclusie van Van Middelkoop: Mijn conclusie is: we moeten de weg die Douma ons wijst maar niet inslaan. Nuanceren akkoord, maar wezenlijke herziening nee. Om in het spoor van de grote Reformatie, Afscheiding, Doleantie en Vrijmaking, in dankbare continuïteit gereformeerde kerken te zijn en blijven in de nieuwe eeuw, moeten we het verscherpte zicht op de belijdenis over de kerk dat we sinds de Vrijmaking kenden in principe vasthouden.
En waar mogelijk gereformeerd bezig blijven in hulpverlening, toerusting en bezinning, om juist vanuit die gereformeerde basis vruchtbaar te kunnen werken in de breedkerkelijke en niet-kerkelijke wereld.
Hoe je er verder ook over denkt: de meningen en de tegenstellingen zijn duidelijk. Nu wordt het wel heel boeiend om in de komende tijd te zien hoe onze broeders en zusters in de GKV daarmee om gaan. Ook trouwens iets om voor te bidden, lijkt mij.