Over vergeving en genezing II

2001-06-22
  • Jaargang 45
  • nummer 13
Ter opfrissing van het geheugen
In het nummer van 27 april jl gaf ds Smouter een reactie op het artikel dat ik voor het nummer van 13 april geschreven had naar aanleiding van een preekvoorstel van een student over de genezing van de verlamde in Marcus 2: 1-12. Ik zette daarin uiteen dat de Here Jezus zich door de niet helemaal urgente hulpvraag van die vijf mensen wat overvallen en in de rede gevallen moest voelen omdat Hij immers met volle concentratie daar in dat huis bezig was te leren. Ik zag in die verstoring een duivelse toeleg, niet van die broeders natuurlijk, maar van de boze die wij in het evangelie steeds op het vinkentouw zien om de bediening van de Here Jezus een spaak in het wiel te steken. Ik stelde me voor hoe ik op de situatie van die tekst gereageerd zou hebben en bewonderde de Heiland om het feit dat Hij alleen maar lette op het geloof van die vijf, met voorbijzien van het ietwat dwingerige in hun optreden.
Wat barmhartig en geduldig! Ik zag in deze geschiedenis ook de bewuste wil van de Heiland naar voren komen om bij de volgorde van eerst het Woord en pas daarna de tekenen te blijven.
Vandaar zijn eerste woord: ‘Uw zonden worden u vergeven’, dat dan dus niet op persoonlijke zonden als oorzaak van de verlamming zou slaan. Het een en ander evaluerend kwam ik zo terecht bij de dienst der genezing zoals die tegenwoordig in veel kerken gepropageerd wordt. Ik gaf aan dat er volgens mij een lijn door het evangelie loopt die dat niet begunstigt. Niet alleen het afzonderlijk aan de orde stellen van de ziekengenezing lijkt mij weinig in overeenstemming met het verwijzende teken-karakter van de genezingswonderen, maar ook meen ik een lijn van reductie in de evangeliën op te merken.
Een lijn die loopt van de uitzending der zeventig, met een duidelijke opdracht tot het verrichten van tekenen, over het zendingsbevel bij Matteüs, dat zich tot het maken van discipelen en tot het onderwijzen van die gedoopten beperkt, tot waar het vierde evangelie de gave van de Geest alleen nog maar met de bediening van het evangelie der verzoening in verband brengt. Het is vooral hierover dat ds Smouter in bedoelde reactie zijn twijfels heeft. Hij heeft mij uitstekend begrepen als hij zegt dat het mijn bedoeling was de geloofsaandacht wat van de genezingen vandaan op het centrale (de vergeving der zonden) te richten.
Inderdaad is het mijn zorg dat die aandacht onder ons zich dreigt te verplaatsen van de hoofdzaak van het evangelie naar de bijkomstigheden van ons geloof. Daar wilde en wil ik een tegenwicht tegen bieden. Maar volgens ds Smouter - die trouwens wat dit accent betreft niet van mij verschilt - schiet ik daarbij over mijn doel heen, hetgeen veroorzaakt wordt door een ‘merkwaardige vooringenomenheid’ bij mij. Nu zal ik niet op alles wat ds Smouter tegen mijn artikel inbracht ingaan (hij heeft mij van het onjuiste van mijn uitleg niet overtuigd), maar dat punt van die lijn van reductie lijkt me de moeite van enig verweer waard.

Marcus en Johannes
Ds Smouter vindt dat ik Marcus over het hoofd heb gezien. Bij de tweede evangelist vinden we immers de duidelijke belofte aan het zendingsbevel toegevoegd: ‘Als tekenen zullen deze dingen de gelovigen volgen: in mijn naam zullen zij boze geesten uitdrijven, in nieuwe tongen zullen zij spreken, slangen zullen zij opnemen, en zelfs indien zij iets dodelijks drinken, zal het hun geen schade doen; op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen genezen worden’ (Marcus 16: 17 en 18). En het slotvers zegt: ‘(Doch) zij gingen heen en predikten overal, ter wijl de Here medewerkte en het woord bevestigde door de tekenen die erop volgden’ (vers 20). Inderdaad had ik dit gegeven van Marcus ongenoemd gelaten, vanuit de overweging dat het hier niet om een bevel maar om een belofte gaat. Een belofte die - ik haast me dat te zeggen - niet alleen gedaan maar ook helemaal uitgekomen is.
Het boek Handelingen is er vol van.
Marcus zelf merkt het trouwens in zijn slotvers ook op. Maar zou het ook kunnen zijn dat Marcus hier zo uitvoerig over is, omdat hij er nog middenin staat? En zou dat het verschil met Johannes kunnen verklaren, die er bij het schrijven van zijn evangelie als langst levende van de twaalf meer achteraf op terugkijkt? De traditie heeft aan Marcus het symbool van de leeuw gegeven en aan Johannes dat van de adelaar (Matteüs kreeg de mens als teken en Lucas het rund, naar de vier dieren uit Openb. 4: 7). Nu weet ik wel, dit is maar traditie en dus mensenwerk, maar er zou zich toch een terecht besef in uit kunnen drukken.
De leeuw is een dier dat bovenop zijn prooi springt. Zo staat Marcus boven op de tijd die hij beschrijft. Hij is (in tijd) de eerste evangelist en er zit in zijn beschrijving iets van ‘heet van de naald’, iets onmiddellijks. Denk aan zijn gebruik van het woordje ‘terstond’, dat aan zijn vertelling zelfs iets gehaasts geeft. Veel duidelijker trouwens en welsprekender is de adelaar als typering van de vierde evangelist Johannes.
Zoals de adelaar van grote hoogte af ziet wat hem interesseert en dat in een groter geheel weet in te passen, terwijl hij toch ook heel scherp het detail waarneemt, zo Johannes. Hij is enerzijds de evangelist die met opmerkelijke bijzonderheden komt. Zo weet hij zich nog precies te herinneren hoe laat het was toen hij Jezus voor het eerst ontmoette: vier uur in de middag (Joh. 1: 40). Maar van de andere kant is hij ook de evangelist die zijn beschrijving in de grootst mogelijke verbanden zet. Denk maar aan de eerste verzen van zijn boek, die machtige inzet, waarin hij de verbinding legt tussen de schepping in den beginne en het optreden van Johannes de Doper en Jezus: 'In den beginne was het Woord...’(Joh. 1: 1). Het bevreemdt daarom ook niet dat je bij hem de grote heilsfeiten van Pasen, Hemelvaart en Pinksteren zich in één punt ziet samentrekken (Joh. 20 in z’n geheel, met de verzen 17 en 22). Jezus’ hele dienst op aarde is bij hem in één beweging van uitgaan van de Vader naar terugkeer tot de Vader begrepen (Joh. 13: 3). Johannes heeft tot in de naapostolische tijd geleefd, tot in de tijd die op de beginfase volgde, tot in de tijd waarin het geloven zonder te zien steeds actueler werd (Vgl Joh. 20: 29).
En hij heeft, zo stel ik me voor, kunnen opmerken dat de begeleidingstekenen van het begin gaandeweg uitbleven.
Je hoort er in zijn brieven niets meer over. (Ook in de brieven aan de zeven gemeenten van Klein-Azië wordt er geen gewag van gemaakt.) En daarom, zo denk ik, heeft hij de opdracht die de Heiland bij zijn hemelvaart achterliet tot op de hoofdzaak teruggesnoeid: ‘Ontvangt de Heilige Geest; wien gij de zonden kwijtscheldt, dien zijn ze kwijtgescholden; wien gij ze toerekent, dien zijn ze toegerekend’ (Joh. 20: 22 en 23). En dáárover spreekt hij in diezelfde brieven van hem dan ook honderduit. Natuurlijk wilde Johannes niet ontkennen wat de Here bij Marcus beloofd had, maar voor de weg der gemeente door de tijd die hij vóór zich zag heeft hij het minder dienstig gevonden zijn lezers daaraan te herinneren. In die zin is ook zijn evangelie gedateerd. Stellig heeft de vierde evangelist zijn beschrijving van Jezus’ dienst op aarde niet als een verbeterde uitgave van Marcus willen aanbieden.
Wat Marcus schreef is daarom ook in de bijbel blijven staan, met een even rechtmatige plaats als het getuigenis van Johannes, ook wel omdat in zovele beginfases weer actueel pleegt te worden wat hij over de tekenen gezegd heeft, of liever gezegd: van Jezus zelf heeft doorgegeven. Maar ook dan, bij dat actueel worden, blijkt telkens weer dat het bij deze dingen niet van minder naar meer, maar omgekeerd van meer naar minder gaat. Dat het dus met die tekenen steeds een aflopende zaak is. Dat is wat ik uit de volgorde van Marcus en Johannes als blijvende actualiteit opmaak. Ik blijf er daarom bij dat je door de evangeliën in serie te zetten een lijn van reductie kunt opmerken die door het geheel loopt en voor heel de navolgende tijd bepalend is. Ik dacht dat ik dat wel vol kan houden.

Met mezelf in gesprek
Maar is het juist niet Johannes die met de opmerkelijke uitspraak van Jezus komt: ‘...Wie in Mij gelooft, de werken die Ik doe zal hij ook doen en grotere nog dan deze, want Ik ga tot de Vader’ (Joh. 14: 12)? Daar heb je toch dat ‘van minder naar meer’ dat ik zo-even bestreed? Ik kom zelf met dit tegenargument, om het me niet te gemakkelijk te maken. Ik ga er als volgt op in: M.i. raken we hier aan een wezenstrek van het vierde evangelie, dat het namelijk met al de wonderwerken van de Heiland naar de kern toegaat. Ik kan ook zeggen dat Johannes ze vergeestelijkt, want vergeestelijken betekent bij mij niet: laten verdampen of vervluchtigen, maar: ultiem ter zake komen. 1) In het evaluatiegesprek naar aanleiding van de genezing op sabbat, in Johannes 5, lezen we: ‘Want de Vader heeft de Zoon lief en toont Hem al wat Hij zelf doet, en Hij zal Hem grotere werken tonen dan deze, opdat gij u verwondert. Want gelijk de Vader de doden opwekt en doet leven, zo doet ook de Zoon leven wie Hij wil’ (Joh. 5: 20 en 21). ‘Grotere werken’, dezelfde term als in Johannes 14 van zo-even. Waar denkt Jezus aan? Hij gaat van het genezingswonder over op de opwekking der doden en vandaar komt Hij te spreken over het leven uit het geloof dat pas echt de naam van leven mag dragen (dezelfde overgang, deze laatste, als in Johannes 11: 25 en 26). Bij het wonderteken van de vermenigvuldiging der broden in Johannes 6 valt ons hetzelfde op: ‘Ik ben het brood des levens; wie tot Mij komt, zal nimmer meer hongeren en wie in Mij gelooft, zal nimmer meer dorsten’ (Joh. 6: 35; zie ook al het gesprek met de Samaritaanse: Joh. 4: 14 over het bronwater). De overstap wordt gemaakt van brood (en water) in de letterlijke naar brood (en water) in de geestelijke zin van het woord. En op de vraag in dit verband van de Joden: ‘Wat moeten wij doen opdat wij de werken Gods mogen werken?’, antwoordt Jezus: ‘Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem die Hij gezonden heeft (Joh. 6: 29), wat evenzeer op een vergeestelijking van de werken wijst. Ook in de geschiedenis van de genezing van de blindgeborene in Johannes 9 zegt Jezus op het eind: ‘Tot een oordeel ben Ik in deze wereld gekomen, opdat wie niet zien, zien mogen en wie zien, blind worden’ (Joh. 9: 39). Opnieuw de overgang van zien met de ogen van het lichaam naar een zien in geestelijke zin. En dat het bij de opwekking van Lazarus dezelfde kant opgaat, duidde ik zoëven al aan. Johannes heeft met zorg een selectie gemaakt uit de tekenen die Jezus voor de ogen van zijn discipelen gedaan heeft. Veel daarvan liet hij weg, maar: ‘Deze zijn geschreven, opdat gij gelooft dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, en opdat gij, gelovende, het leven hebt in zijn naam’ (Joh. 20: 31). Bij de grotere werken die Jezus in vergelijking met die van de Vader zou doen (Joh. 5), moeten wij denken aan zijn heilswerk door zijn dood en opstanding. Bij de grotere werken die de jongeren in vergelijking met die van Christus zullen doen (Joh. 14), ben ik derhalve geneigd te denken aan hun verkondiging van het evangelie in de wereld. Daarmee is immers een machtige uitbreiding aan het heilswerk van de Heiland gegeven. Het werd erdoor overtroffen, niet natuurlijk door de jongeren zelf maar door het werk van de Trooster die dit door hen zou doen. En alles wat de jongeren in verband met dit werk in Jezus’ naam aan de Vader zouden vragen, zou hun dan ook worden vergund (Joh. 14: 13 en 14). Ik geloof daarom niet dat de tekst uit Johannes 14: 12 een echt tegenargument tegen mijn uitleg is.
Nog eens, niet ds Smouter bracht dit tegen mij in, maar ik wilde zelf met deze tegenwerping gereed komen.

Concentratie
Een lijn van reductie. Maar misschien is het beter van concentratie te spreken.
Dat er in het geheel van bijbel en evangelie een toespitsing op het voornaamste zit, op het ene dat nodig is. Ik ben er wel blij mee dat mij dit begint op te vallen in een tijd dat we als christenen in dit land naar de laatste schansen worden teruggedreven.
Daarbij past een aankoersen op het centrale, juist tegenover de bestaande neiging van veel medechristenen om de dingen die m.i. voor onze situatie oud en voorbij zijn weer nieuw leven in te blazen. Daar komt nog dit bij: In de tekenen zoals die de evangelieverkondiging in de beginfases begeleiden zit iets dubbels, ze zijn niet helemaal eenduidig. Er zijn duivelse surrogaten voor, zoals we bij Jomanda zien. Ook Paulus heeft het over dat dubbelzinnige.
De tongen (zegt hij) zijn een teken, niet voor degenen die al geloven, maar voor de ongelovigen die nog over de streep getrokken moeten worden (I Cor. 14: 22). Die worden er min of meer in hun eigen taal mee aangesproken.
Het is ermee als met de plagen die Mozes over Egypte deed komen.
Daarin zat ook een groei naar meer duidelijkheid en eenduidigheid. De eerste tekenen waren wat diffuus en konden nog nagebootst worden, maar gaandeweg werd dat onmogelijk; hun oordeelskarakter werd daar te duidelijk voor. ‘Dit is de vinger Gods’, zeiden daarom farao’s tovenaars (Ex. 8: 19).
Dit is met de tendens die ik in heel de Schrift meen op te merken in perfecte overeenstemming. De bijbel is wat zijn boodschap betreft een driehoek met de punt naar voren. (Wat zijn uitstraling betreft ligt dat precies omgekeerd en gaat het van smal naar breed.)

Mogen of niet mogen?
Tot slot nog dit. Ds Smouter zegt ergens in zijn artikel: ‘Genezingen, het mag van ds De Jong nog wel op het zendingsveld en eventueel ook wel elders’. Ik moet zeggen dat ik mezelf hier niet zo goed in herken. Dat er iets van mij zou mogen of niet zou mogen bevalt me niet. Ik voel me niet als een grootmoefti van Zeist die met allerlei fetwa’s zijn volgelingen stuurt en ook niet als een evangelische voorganger die kwistig met directieven strooit.
Laten we het maar houden op een gereformeerde dominee die de weg probeert na te tekenen die de Geest is gegaan en die met behulp daarvan de richting probeert aan te geven waarin de Schrift ons wijst. Dat schept ook ruimte voor broeders en zusters aan wie weer andere dingen in de Schrift opvallen. Dat kan tot een vruchtbare uitwisseling van gedachten en gevoelens leiden. We zitten trouwens met deze dingen helemaal niet in de sfeer van mogen of niet mogen. Paulus zegt op het vergelijkbare gebied van de Geestestaal: ‘Streeft ernaar te profeteren en belemmert het spreken in tongen niet’ (I Cor. 14: 39). Dat neem ik over: Koers als kerk aan op het ene nodige en leg geen embargo’s op aan andere manifestaties van de Geest.
‘Verhinder het niet’, inderdaad, want ook in mijn bijbel staat dat God getuigenis aan de evangelieprediking geeft ‘door tekenen en wonderen en veler lei krachten en door de Heilige Geest toe te delen naar zijn wil’ (Hebr. 2: 4).
NAAR ZIJN WIL - dat is wat ik heb willen benadrukken. Geeft God deze dingen, wees er blij mee. Maar ernaar streven? Overigens moet niemand menen dat ik in mijn bediening met het apostolische voorschrift van Jacobus betreffende de voorbede voor de zieken (5 : 14 en 15) de hand heb gelicht.
Weliswaar wist ik met de daar genoemde zalving niet goed raad en had ik de neiging daar iets tijdsbepaalds in te zien, maar dat neemt niet weg dat verreweg de meeste gebeden die ik met en voor zieken gedaan heb genadig verhoord zijn geworden. Vele anderen zullen mij dat na kunnen zeggen.

1) zie mijn artikelenreeks over het vergeestelijken in de nummers van eind vorig en begin dit jaar.
De tekening op de vorige pagina van de genezing van de verlamde (Marcus 2) is ontleend aan de Ontdekkinsbijbel, een prachtig vertelboek voor jonge kinderen (4 tot 8 jaar). Vooral de platen zullen hen aanspreken – de illustraties beslaan tweederde van de pagina’s. Uitg. Medema Vaassen. (Zie ook Opbouw 05, pag. 100)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief