Om de gemeenschap van het verbroken hart

1998-01-09
  • Jaargang 42
  • nummer 1
Wat mogen we voor Christus’ kerk in Nederland nog verwachten? Mogen we rekenen op een nieuwe opbloei? Of moeten we er ons op instellen, dat uit ons land de kandelaar wordt weggenomen en dat Christus zijn werk voortzet in andere delen van de wereld? Hoe kunnen we weten wat Gods weg met Christus’ kerk in Nederland en in Europa zijn zal? Zal zijn toorn de overhand hebben of mogen we nog veel verwachten van zijn genade? En wie zal ons zeggen of het ’t een of ’t ander is? Wie helpt ons om de tekenen van onze tijd te verstaan?

De stem van de profetie
Hoe concreet mag onze verwachting zijn, dat we hierin geleid zullen worden door de Heilige Geest? Als kinderen van God, afzonderlijk of in gezamenlijke bijeenkomsten, hun hart uitstorten voor God in een geest van verbrokenheid en in het besef dat zij Hem op schrijnende wijze onrecht hebben aangedaan, mogen zij dan ook geloven dat Hij hen wil antwoorden? Mogen zij dan uitzien naar een bijzondere leiding van Gods Geest, die hen duidelijk maakt hoe God wil dat zij verdergaan?
Mag dan rekening worden gehouden met de mogelijkheid, dat God via bepaalde personen de stem van de profetie laat horen, die voor de tijd van nu ons richting wijst?
Over het algemeen zijn wij als christenen van gereformeerden huize beslist niet gewend om daarmee rekening te houden. En we zijn er nogal huiverig voor als we horen van profeten, die optreden binnen evangelische en charismatische groepen.
Ook de kerkgeschiedenis geeft ons voorbeelden van het optreden van profeten, die ons er niet bepaald enthousiast voor kunnen maken. Maar ik vraag mij steeds meer af of wij op grond van bepaalde negatieve ervaringen het goede niet zijn kwijt geraakt en of we daardoor niet een deur op slot laten, die ons op bijzondere wijze toegang kan geven tot God.

Charismata
Veel Gereformeerden leven wat betreft de gaven van de Heilige Geest nog sterk o.i.v. de gedachte dat zeker bijzondere charismata als die van genezing, het uitdrijven van demonen, het spreken in tongen en ook het profeteren strikt beperkt waren tot de tijd van het N.T. In de Chr. Encyclopedie (2e druk) zegt D. Nauta van profetie: "De profetie behoort tot de bijzondere gaven van de Heilige Geest, de charismata, die God aan de eerste christenen had geschonken (...). Het karakter van deze gave der p. is dan ook hetzelfde als dat der andere charismata. Ze moest dienen in de tijd, dat de kerk des Heren nog niet het N.T. bezat, om in bepaalde, concrete gevallen aan te wijzen, wat de wil des Heren was, of met welke toekomst de apostelen, de kerken hadden te rekenen. Ze geeft duidelijk verstaanbare mededelingen, maar die van voorbijgaande betekenis zijn. Dat in onderscheiding van de apostolische prediking, die betekenis heeft voor de kerk van alle tijden. Ons zijn dan ook slechts weinige uitspraken der profeten bewaard en die dragen juist zulk een voorbijgaand karakter."
In dit denken, waarvan Nauta dus een duidelijke vertegenwoordiger is, is onmiskenbaar een kentering gekomen. Zo luidt één van de conclusies in het proefschrift van J.W. Maris': "De vraag of glossolalie en profetie in die zin 'openbaringsgaven' waren, dat met de voltooiing van de canon van het Nieuwe Testament hun functie was beëindigd, is negatief beantwoord. Het 'openbaringsgehalte' van deze gaven is niet gelijk te stellen met de apostolische autoriteit, die door de ingeving van Gods Geest haar neerslag vond in de canon van het Nieuwe Testament. Op grond van de voltooiing van de canon kan men dus niet besluiten tot de verdwijning van deze qaven?

Omschrijving
Wat moeten we verstaan onder de gave van profetie, zoals die met name functioneert in het boek Handelingen en in de brieven van Paulus? Ik geef hier in eigen vertaling door wat ik daarover las in een commentaar op 1 Cor. 12 tlm 14 van O.A. Carson- en wat me tot nu het meest aanspreekt als beschrijving van dit verschijnsel.
Carson geeft een definitie door van D.E. Aune, die profetie omschrijft als "een bijzondere vorm van voorzegging die bestaat uit verstaanbare woordelijke boodschappen waarvan men gelooft, dat ze van God afkomstig zijn en die doorgegeven worden door geïnspireerde menselijke bemiddelaars". Daarnaast noemt hij een definitie van WA Grudem: "Profetie is het ontvangen en vervolgens overbrengen van spontane van God afkomstige openbaring". Ten overvloede geef ik ook nog de definitie van C.P. Wagner, die een heel belangwekkend boek schreef over de gaven van de Geest: "De gave van de profetie is een bijzondere bekwaamheid die God aan sommige leden van het Lichaam van Christus geeft, om ze in staat te stellen een boodschap van God voor Zijn volk rechtstreeks van de Heilige Geest te ontvangen en door te qeven'".

Profetisch gezag
Grudem constateert een opmerkelijk verschil tussen de profetie in het O.T. en die in het N.T., vooral wat betreft het gezag. De laatste vorm vooronderstelt, evenals de eerste, duidelijk Goddelijke openbaring. Maar ze is niet zó rechtstreeks van God afkomstig is, dat men haar kan doen voorafgaan door een absoluut 'zo zegt de HERE'. Als in het O.T. een profeet als zodanig was herkend en erkend, aldus Grudem, dan was het volk van God gehouden hem te gehoorzamen. Hem ongehoorzaam zijn was God ongehoorzaam zijn. En andersom: als een profeet, die zei te spreken in de Naam van God, bleek te dwalen, was de officiële sanctie de doodstraf. Maar wanneer een profeet eenmaal een ware profeet bleek te zijn, vind je geen spoor meer van herhaalde naspeuringen m.b.t. de inhoud van zijn woorden.
De uitspraken echter van de profeten uit het N.T. moesten per definitie worden gewogen en getoetst (1 Cor.
14,29; 1 Thess. 5,19-21). Het hier gebruikte woord diakrinoo veronderstelt, dat zo'n profetische uitspraak van gemengde kwaliteit zal kunnen zijnniet volledig waar, niet volledig vals. Het kaf moet nog van het koren gescheiden worden. En de profeet wordt ook niet in de ban gedaan als zijn uitspraak de toets niet volledig kan doorstaan. Het feit, dat Paulus in 1 Thess. 5,20 de gemeente moet waarschuwen de profetieën niet te verachten, zou er wel eens een aanduiding van kunnen zijn, dat men er maar al te gemakkelijk aan voorbij leefde. En ook 1 Cor. 14 is een warm pleidooi van Paulus om deze gave toch beslist niet te onderschatten, wat kennelijk maar al te gemakkelijk gebeurde.

Oude kerk
Tot aan het einde van de tweede eeuw schijnt de gave van de profetie nog hoog in aanzien te zijn geweest.
Hoewel het ook voortdurend nodig bleek te zijn om te waarschuwen tegen valse profeten. In de Didache, het oudst bekende geschrift uit de tijd van de eerste christengemeenten, worden de gelovigen aangespoord om lieden, die hun gedreven toespraken beëindigden met het vragen om voedsel of geld bij wijze van beloning, uit de kerk te bannen als bedriegers. Het is echter met name door de beweging van het Montanisme geweest, dat het profeetschap een slechte naam gekregen heeft. Montanus is (ong. 170) de leider van een nogal geëxalteerde beweging. Uit reaktie op verslapping en inzinking van het christelijk leven en onder indruk van de ernst van de tijden (bloedige oorlogen, vreselijke pestziekten) kreeg Montanus grote~nvloed door zijn prediking van soberheid, ascese en zedelijke ernst. En velen raakten vooral onder de indruk van zijn voorspelling van de a.s. wederkomst van Christus. Christus zou verschijnen in Pepuza, waar hij woonde. Hij riep de gelovigen daarom op alles in de steek te laten en naar Pepuza te komen. Vandaar de naam heiligen van Pepuza of heiligen van de laatste dagen. Montanus leerde verder, dat de Trooster, de beloofde Heilige Geest in hem verschenen was. De Geest gaf door hem nieuwe openbaringen. Hij sprak in tongen en raakte dikwijls in extase. Soms viel hij bewusteloos neer. Er ontstond een grote 'opwekkingsbeweging' om hem heen. Montanus stelde zijn profetische gaven boven de ambten.
Hierop ontstond in de christelijke kerk een sterke reaktie. Tegenover de ongeestelijke geestdrijverij van Montanus c.s. stelde men met kracht de ambtelijke bediening van Gods Woord en de sacramenten. Daarbij was ook van betekenis, dat in deze tijd het ambt steeds hiërarchischer van karakter werd en in die vorm als vanzelf weinig op had met ongereglementeerde uitingen als de profetie. Hoe sterker Montanus benadrukte dat hij in het bezit was van de gave van de profetie, waardoor een groot deel van de Schrift kon worden verwaarloosd, des temeer ging de kerk er toe over om de stabiliteit en onveranderlijkheid van de apostolische overlevering te beklemtonen.
Maar dit was, zoals gezegd, een reactie. Tot op dat moment had de kerk aan profetie alle ruimte gegeven, zonder dat dit ook maar in enige mate de apostolische traditie bedreigde.
Maar te bedenken valt dat de claim die Montanus aan de profetie toekende een afwijking was. De vraag is dan ook of niet met het badwater het kind is weggegooid. In elk geval heeft de radicale uitbanning van het verschijnsel van de profetie de kerk verleerd om er op een gezonde manier mee om te gaan.

Calvijn
In later tijd blijkt er dan ook enige verlegenheid bij het waarderen van wat in het N.T. over deze gave wordt gezegd.
Calvijn merkt in zijn commentaar op 1 Cor. 12,28-31 op, dat profeten mensen zijn, die uitmunten door de bijzondere gave om niet alleen de Schrift uit te leggen, maar haar ook voorzichtig tot tegenwoordig gebruik toe te passen.
Profeten zijn Z.i. te onderscheiden van de leraars, omdat de uitlegging van de Schrift als zodanig niet hun taak is. In onderscheid van deze categorie zijn profeten zij, "die voorzeggingen, bedreigingen, beloften en de ganse leer der Schrift bekwamelijk en kundig op het tegenwoordig nut der kerk toepassen, en de wil Gods open baren." In zijn commentaar op Hand.
21,9 noemt Calvijn het verschijnsel van de profetie als een teken dat er toentertijd voor de kerk een betere tijd was aangebroken, nadat immers de stem der profetie lange tijd niet was gehoord. Maar hij voegt er dan aan toe: "toch mocht zij slechts voor korten tijd bloeien, opdat de gelovigen niet voortdurend in spanning zouden zijn, en aan nieuwsgierige gemoederen geen gelegenheid zou gegeven worden, om altijd iets nieuws te zoeken of te verzinnen. Want het is ons bekend, dat toen de gave der profetie reeds opgehouden had, er toch nog vele geestdrijvers waren, die zich voor profeten uitgaven. Ook is het mogelijk, dat de verdorvenheid der mensen de kerk van deze gave heeft beroofd. Maar de oorzaak alleen moet ons genoegzaam zijn, dat God door de opheffing van de gave der profetie betuigd heeft, dat haar einde en volmaking in Christus daargesteld is." Overigens sluit hij zijn commentaar op 1 Cor. 14,28w af, met de opmerking, dat hij het bij zijn uitleg van wat profeten zijn verkeerd kan hebben. Maar, verzucht hij dan, het is ook niet eenvoudig te oordelen over gaven en ambten, van welke de gemeente zo lang is beroofd geweest "uitgenomen dat er alleen nog enige sporen of schaduwen gezien worden."

Hedendaagse stemmen
Laten we vervolgens luisteren naar enkele hedendaagse stemmen ter verklaring en beoordeling van het verschijnsel profetie. J.W. Maris stelt in zijn hierboven genoemde proefschrift, dat "binnen de pinksterbeweging, vooral in de 'Apostolische' groepen de profetie een grote plaats heeft. Zij heeft in de regel het karakter van voorspelling. Het is de gave om toekomstige gebeurtenissen te openbaren, of het middel om een beslissing te kunnen nemen, bijv. over de aanstelling van mensen voor bepaalde taken." Zo wordt het ook opgevat door D. Martyn Lloyd-Jones.s Volgens hem komt deze gave, waardoor iemand in staat wordt gesteld de toekomst te voorzeggen, regelmatig voor. Hij vertelt, dat hij tijdens een bepaalde periode van opwekking in 1904-1905 een voorganger kende, die iedere dag van die opwekking vertelde wat er in de naaste toekomst in zijn gemeente zou gaan gebeuren. Midden in de nacht werd hij wakker en verstrekte dan zeer gerichte en gedetailleerde informatie over wat er die dag zou gaan gebeuren en dat vond dan ook plaats.' Terugkomend op het boek van Maris, vlak na wat hierboven geciteerd werd schrijft hij: "Er zijn pinksterdenominaties die profetie in de zin van toekomstvoorspelling verwerpen, en alleen van profetie willen weten in de zin van opbouwend spreken (...) Inderdaad is in pinkster- en charismatische kring het 'woord van profetie' in de zin van een troostwoord, een vermaning of bemoediging in een algemene zin het meest talrijk. Het bijzonder ervan is alleen de weg waarlangs dit woord gegeven wordt."
Hij citeert vervolgens J. Veenhof, die van oordeel is dat in pinksterkringen en in de charismatische beweging de profetie "al te veel als een mirakuleus verschijnsel is omschreven en gepraktiseerd."
Veenhof denkt bij deze gave meer aan de inbreng van christenen met een scherp inzicht in de eigen tijd met alles wat in deze tijd in diverse stromingen op religieus, cultureel en politiek gebied op ons afkomt.
Deze gedachte van Veenhof is verwant aan de opvatting van F.J. Pop, die de gave van profetie als volgt omschrijft: "De gave van de profetie is een geschenk Gods aan de kerk, waardoor zij in staat gesteld wordt te zien hoe zij zich in deze wereld zal gedragen, welke houding zij zal aannemen en welke woorden zij in een bepaalde situatie tot mensen zal spreken.
Dank zij deze gave kan zij 'bij de tijd' zijn. In dit licht zie men de 'boodschappen', de 'herderlijke brieven', de 'uitspraken', de 'schema's', de 'encyclieken' die vanwege de kerk uitgegaan zijn. Daarin richt een kerkelijke instantie zich allereerst tot de leden van de eigen kerk, maar over hun hoofden heen tegelijk tot alle kerken en tot de gehele rnensheld.?" Een duidelijk verschil met Veenhof èn met de woordvoerders van de pinksterbeweging lijkt mij te zijn, dat in de voorstelling van Pop de gave van profetie nogal sterk ambtelijk gestempeld lijkt te zijn.
In een boekje van A.G. Kornet", dat bedoeld is als een bijdrage in het gesprek met de pinksterbeweging, wordt profetie in verband gebracht met voorvallen als van een predikant, die in zijn preek plotseling dingen zegt, die hij niet van tevoren had overdacht, maar die achteraf bepaalde hoorders bijzonder hebben getroost of geholpen.
Of dat iemand plotseling het gevoel krijgt naar een bepaald adres te moéten gaan en dan tot de ontdekking komt, dat hij daar verschijnt als geroepen.12 Ik zou in dit geval eerder spreken van de leiding van Gods Geest dan van profetie. Waar blijft hier nog de noodzakelijkheid van toetsing of de Geest wel werkelijk gesproken heeft en wat zijn bedoeling is geweest?

Wachten en uitzien
Graag sluit ik mij aan bij hen, die ervoor pleiten ook vandaag rekening te blijven houden met bijzondere profetische boodschappen. Als Christus zijn kerk belooft dat zijn Geest haar zal leiden in alle waarheid, heeft dat dan ook niet hiermee mee te maken? Wil Hij ons niet in elke nieuwe tijd duidelijk maken wat Hij van ons verwacht?
Dat vraagt van ons een grote openheid. Dat betekent, dat we allereerst moeten leren er weer rekening mee houden de stem van de profetie te zuIlen mogen horen. Het betekent vervolgens dat we God moeten bidden om vernieuwing van de gave van de onderscheiding van de geesten om de profetieën ook te kunnen toetsen.
Ik kom weer terug op de vragen waarmee ik begon: de verwarring rondom de vraag wat God in deze tijd nog doen wil en welke richting Hij ons wijst. Ik meen dat de Schrift ons aanleiding geeft te verwachten, dat we heel concreet door de Geest ook in dit opzicht in alle waarheid geleid zullen worden. Dat vereist echter wel een grote concentratie op God in een (gezamenlijk) gebed dat opkomt uit een verbroken hart. Maar zo'n gebed zal dan plaats moeten vinden in grote openheid naar God. En zullen we dan niet mogen uitzien naar een woord van God dat ons duidelijk laat zien: Ik wil dat jullie zo en zo verder gaan!?
Ja, laten we zo bidden om een profetisch woord voor deze tijd. En niet minder om de gave der onderscheiding om zo'n woord te kunnen toetsen.

Noten
1. J.W. Maris, Geloof en ervaring, Van Wesley tot de pinksterbeweging, Leiden, 1992.
2. a.w., blz. 251.
3. D.A. Carson, Showing the Spirit. A Theological Exposition oJ 1 Corinthians 12-14; 1988, Lancer Books, Homebush West, Australië.
4. C.P. Wagner, De geestelijke gaven voor de opbouw van de gemeente, Hoornaar, 1990, blz. 138v.
5. J.W. Maris, a.w., blz. 183.
6. D. Martyn Uoyd-Jones, Toon mij nu uw heerlijkheid, Leiden, 1992.
7. a.w., blz. 145.
8. J.W. Maris, a.w., blz. 184.
9. a.w., blz. 185.
10. F.J. Pop, Zo is God bij de mensen, 's-Grauenhaqe, 1967.
11. A.G. Kornet, De Pinksterbeweging en de Bijbel, Kampen, 1963.
12. a.w., blz. 78.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief