Het beroep op Psalm 103 in Den Heyers boek over de verzoening (3)
1998-01-09
In dit laatste artikel over Den Heyers boek over de verzoening vraagt drs. de Jong zich af in hoeverre achter dit boek het werk van de boze zit. Zij conclusie is dat de boze boeken als het boek van Den Heyer over de verzoening gebruikt voor zijn sinistere plan. Tenslotte vraagt de Jong zich af wat dit gegeven voor school en kerk heeft te betekenen.- Jaargang 42
- nummer 1
De rol van de boze
Professor Den Heyer met zijn verwijzing naar Psalm 103 zie ik dus midden tussen de twee besproken teksten uit Jeremia en Jesaja staan, die allebei een herinnering aan de psalm bevatten.
Zonder zelf in de oppervlakkigheid van Jeremia 3 te vervallen, geeft hij daar toch wel ongewild voedsel aan en van de andere kant ontneemt hij aan zijn psalmaanhaling de diepte van Jesaja 57 (en 53). Ergens tussen de oppervlakkigheid van het vanzelfsprekendheidsgeloof en de diepgang van de verzoening door de voldoening instaande schrijft hij als commentaar op de aanhaling van Psalm 103:8-11 de volgende verlegenheidszin, die de wending in God van de toorn naar de genade moet verklaren: 'Naar menselijke maatstaven gemeten is God op een mysterieuze wijze 'onberekenbaar' (p. 37). Jammer, deze sprong in de willekeur! Jammer en onnodig. Maar daarover nu niet verder meer. Ik zou het nog hebben over de toeleg van de grote strateeg achter mensen als Den Heyer. Hij wordt (en zij worden) gebruikt door de boze. In het interview dat Agnes Amelink mij onlangs afnam in Opbouw, in het nummer van 3 october jl, noemde ik het boek van Den Heyer een duivelse aanslag op de kerk. Dat was fors gesproken en nogal kort door de bocht. Ik wil me daarover dan ook graag verantwoorden, omdat ik vrees voor misverstand.
Men zou dit namelijk persoonlijk kunnen opvatten en als dat bedoeld zou zijn, zou het vervolgens niet waarachtig zijn met Den Heyer een gesprek aan te gaan, zoals ik dat met deze artikelen beoog. Ik heb niet willen zeggen dat in Den Heyers boek de duivel aan het woord is. Daarvoor deel ik te zeer zijn zorg over het uit elkaar groeien van wat de kerk leert en de gemeente gelooft. Zeker, ik kan me erover opwinden wanneer vanuit die terechte zorg aan het duidelijke schriftgetuigenis gemorreld wordt en ik neem er dan ook niets van terug dat ik Den Heyers boek een product heb genoemd van een 'hermeneutiek van de vervreemding'. Toch is het mij verre het boek om die reden duivels te noemen. Dat zou iedere discussie bij voorbaat afsnijden.
Maar wel is het zo dat zonder dat wij dat bedoelen of ons bewust zijn de boze van een werkstuk van ons gebruik kan maken voor zijn sinister doel. Laat ik daar iets anders als voorbeeld voor gebruiken.
Leertucht
Ik denk nu aan de geschiedenis van de leertucht in de christelijke kerk. Dat die in de loop van de tijd een bot mes geworden is, dat juist nu het nodig is haast niet meer gebruikt kan worden. Vanwege het misbruik dat er in het verleden van gemaakt is, te beginnen met de contra-reformatie en vervolgens in 1834, 1886, 1926, 1944 en 1967. Het is begonnen met gebruik, goed gebruik, in de eerste eeuwen van de kerkgeschiedenis.
In de dagen van de grote concilies zijn er ingrijpende beslissingen genomen, die met ondersteuning van leertucht de gemeente hebben bewaard bij het zuivere evangelie. Gebrekkig, zeer gebrekkig, maar toch. Toen kwam het misbruik dat meerderheden in de kerk met behulp van de leertucht hun zin doordreven, en als gevolg daarvan het onbruik. Gebruik-misbruik-onbruik, deze trits. Moet je daarvan niet zeggen dat ze van de boze is? Dit heeft toch niemand bedoeld en daar is toch geen mens verantwoordelijk voor te stellen? Natuurlijk wel voor eigen daden en voor eigen aandeel in het één of het ander, maar niet voor het gebruik dat de boze daarvan gemaakt heeft. Zijn toeleg is duidelijk: Alvorens met een ander evangelie in de kerk te komen moet ik dat instrument van de leertucht onklaar maken. Ik moet zien te bereiken dat de mensen van leertucht de buik vol hebben, zodat niemand naar dat middel meer durft te grijpen. Dan kan ik mijn gang gaan.
Het nut van geloof aan de duivel
In vergelijkbare zin nu vind ik dat een boek als dat van Den Heyer past in een duivelse strategie. Hem, de duivel, gaat het erom de gemeente te vervreemden van het evangelie van de verzoening door de voldoening. Daarvoor gebruikt hij boeken die zich presenteren als serieuze schriftstudies, die dan ook nog ondernomen zijn vanuit het nobele motief om iets te doen aan het uiteengroeien van kerkleer en gemeentegeloof.
Goede bedoelingen te over, ook bij Den Heyer. Het zal echt uit pastorale overweging zijn dat hij helemaal in de huid kruipt van de moderne mens die met de verzoening door het bloed van Christus 'niets meer kan'. Maar de boze schakelt dat in en gaat ermee aan de haal. Natuurlijk ga ik niet zover dat ik Den Heyer en anderen vanuit dit gezichtspunt helemaal verontschuldig.
Dat zou op veronnozeling neerkomen.
Ik wil ze blijven aanspreken op hun producten waarvoor ik ze ten volle verantwoordelijk houd. Maar juist door te wijzen op de duivelse toeleg achter hen wil ik de ruimte voor het zakelijke gesprek openhouden. Want waar wij ophouden in de duivel te geloven onstaat het gevaar dat we elkaar gaan verduivelen. Dan vergiftigen wij onze geest en dopen onze pen in de inkt van de kwaaddenkendheid en strooien met vileine insinuaties. Geloof in de duivel maakt het onnodig elkaar voor duivels te houden. Wel verre van dit geloof voor achterlijk en achterhaald te verslijten kan het onze discussies bij de humaniteit bewaren. God heeft in het begin het hele vrouwen zaad tegenover de slang gesteld. Daar mogen we telkens weer vanuit gaan, totdat het tegendeel hieruit blijkt dat iemand willens en wetens naar het front van de slang overloopt en slangenzaad of adderengebroed wordt.
Ga weg achter mij, satan!
Ik geloof al z'n dagen dat Christus het ook zo bedoelde toen Hij tegen Petrus zei: Ga weg achter Mij, satan! (Matteüs 16:21 ev). Niet Petrus was de boze, maar achter hem zag Jezus die opduiken.
Petrus zelf immers was in zijn reactie op de lijdensaankondiging van de Meester weliswaar zwak-zondigmenselijk en daarin niet te verontschuldigen, maar hij zag de gevolgen van zijn afwijzing van het kruis op geen stukken na. De boze zag die wel en bedoelde ze ook, oervijand van het kruis die hij is. Wat Petrus betreft, van hem kun je zelfs volhouden dat hij uit liefde de Heer tegen zichzelf in bescherming nam. Scheve liefde, maar liefde. Zoals ik ook bij Den Heyer liefde tot de Heer opmerk en die is voorwaar niet van de duivel. Maar hij zou toch eens moeten gaan nadenken over wat de onbedoelde gevolgen van zijn leervoorstelling zijn. Om dan opnieuw terug te keren tot de teksten die hij besproken heeft én aandacht te geven aan de teksten die hij niet besproken heeft. Waaronder bijvoorbeeld die van Matteüs 27:51, waar de evangelist, ik denk in een visioen, bij het sterven van Jezus de aantekening maakt: "En zie, het voorhangsel van de tempel scheurde van boven tot beneden in tweeën ...",waarmee hij in één pennenstreek de hele brief aan de Hebreeën 'vorwegnimmt'.
En dat is de brief die volgens Den Heyer nog het meest spoort met de traditionele verzoeningsleer, waarom hij hem "een grote uitzondering binnen het geheel van het Nieuwe Testament"
noemt (p. 125).
Voortgaande bezinning
't Zit me toch wel hoog, dat van die duivel. Als we werkelijk in zijn bestaan en invloed zouden geloven, niet maar op het briefje van de belijdenis maar daarnaast ook in de praktijk, dan denk ik dat het kerkelijk gesprek daardoor tot meer ontspanning zou kunnen geraken. Wat ik met name onder de orthodoxe christenen meen op te merken is dat de bestrijding van meningen en opinies vaak zo ontsierd wordt door achterdocht en het elkaar toedichten van misselijke bedoelingen. Inderdaad of men de duivel zelf tegenover zich heeft. Als we er nu eens meer van uitgingen dat we met z'n allen onder de koepel van Christus' Geest leven en dat in die ruimte in principe alles rustig besproken en elke mogelijkheid die het Woord ons schijnt te laten moedig uitgetest moet kunnen worden; als we dat zouden doen: niet zonder ernst, niet zonder betrokkenheid en zelfs opwinding, niet zonder zakelijke scherpte, niet zonder waarschuwing tegen dwaalleer, maar toch in het vaste vertrouwen dat Gods Geest ons allemáál vast moet houden en ook vasthoudt; en als we dan verder uit alle macht gingen bidden: Leid onsniet in verzoeking, maar verlos ons van de boze, - is het dan een idealisme van me wanneer ik geloof dat de gereformeerde belijdenis geen schrikbeeld meer hoeft te zijn voor mensen die zich afvragen of voor onze moeilijke tijd het laatste woord over de uitleg van het Woord al gesproken is? Laten wij ook voorgedragen opinies die ons niet zinnen, gebruiken om in onze eigen bezinning verder te komen. Zo heb ik ook het boek van Den Heyer gelezen en herlezen - al moet ik eerlijk bekennen dat zich daarbij momenten voordeden van grote opwinding en verontwaardiging.
Ook van innige vreugde trouwens, waarbij ik denk aan pagina 42, waar uit een lang citaat uit het apocriefe boek Wijsheid (2:12-20), zin voor zin raak, het beeld van de Here Jezus als de lijdende Rechtvaardige (dat is Hij namelijk, behalve de gezegende Middelaar, óók!) wordt afgelezen. Betrokkenheid dus, want tenslotte gaat het in al die besproken teksten om wat het minst vrijblijvend in ons leven is en behoort te zijn: ons algemeen, onbetwijfeld, christelijk geloof.
Kerk en katheder
Hoe verhoudt zich dit tot de leertucht die ik eerder als voorbeeld van iets anders aan de orde stelde? Moeilijke vraag! Om de academie echt academie te laten zijn is een behoorlijke experimenteerruimte noodzakelijk. Zeker in een tijd van crisis en onzekerheid moet elke serieuze manier van bijbellezen op haar houdbaarheid getoetst worden. De verlegenheid ten aanzien van het oudovergeleverde geloof is immers voor velen een realiteit. Academisch gesproken moet daarom de mogelijkheid opengelaten worden dat wij de Schrift tot dusver verkeerd gelezen hebben, en dat niet enkel op onderdelen. Anderzijds kan in een kerkelijke opleiding een ingrijpende leerverandering, die haaks staat op wat semper et ubique et ab omnibus creditum est ("wat altijd en overal en door allen geloofd is geweest", zoals de klassieke formulering het van de orthodoxe kerkleer zegt) niet geduld worden. Ziedaar de vierkante cirkel waar ze in Kampen, de plek waar Den Heyer doceert, en op andere plaatsen mee klaar moeten komen. Aan het één zowel als aan het ander moet recht worden gedaan.
Hoe? Ik denk dat bij de kerkelijke examens een duidelijke preek- en onderwijsregel gesteld mag en ook moet worden, waar de kerken krachtig de hand aan houden. En wat het academische betreft, daar mag en moet de eis van vlijmscherpe argumentatie worden gesteld. Ik zou wel voelen voor de herinvoering van het officiële openbare theologische dispuut zoals dat in de tijd van de reformatie regelmatig gevoerd werd. Een dispuut van meerdere rondes waar telkens verschillende woordvoerders met hun handlangers de degens kruisen en waar een zorgvuldig samengestelde jury telkens een iudicium en tenslotte ook een eindoordeel over geeft. En dan moet het ook uit zijn.
Is de nieuw voorgedragen leer afgewezen ais te strijdig met Schrift en traditie dan moet hij die ermee kwam de academie verlaten en maar ergens anders proberen zijn waar aan de man te brengen.
En natuurlijk Ue schaamt je er haast voor het te zeggen) moet dan zo'n slotcommuniquee van de jury meer bevatten dan de nietszeggende betuiging dat men het van beide kanten goed bedoelt. Genoeg. Op een dergelijke manier moet er een weg te vinden zijn die kansel en katheder zo dicht mogelijk bij elkaar houdt. Wat beide in ieder geval moet verbinden is het geloof dat de Here God zich in Jezus Christus definitief geopenbaard heeft en dat de Schrift daar het gezaghebbende getuigenis van biedt. Het gebed daarbij te mogen blijven en in de waarheid geleid te worden (Psalm 25) kan in beide sferen niet gemist worden. Het gebed is ook hier geen bijzaak maar hoofdzaak, want alleen in een werkelijk biddende kerk kan veel.