Zie ik haar wel?
1998-01-09
Op de onlangs (2 oktober) gehouden vrouwen-contactdag in Zwolle hield Jeannette Westerkamp onderstaande toespraak. Op verzoek publiceren wij deze toespraak. Jeannette vraagt zich in deze toespraak af wat we moeten doen om de ander te zien en wat we daarna moeten doen. “Wat zou God zien in deze mens, wat zou God me in hem of haar willen geven?” - Jaargang 42
- nummer 1
De ander. Zie ik haar wel? De ander die ik niet of nauwelijks ken. Zie ik haar wel, of loop ik direct door naar wat bekend is?
En de ander die ik regelmatig tegenkom, zie ik haar wel?
Of houd ik haar op een afstandje door de ruimte tussen ons vol te praten? Wat moet ik doen om haar te zien?
Wat moet ik doen als ik haar zie? Wil ik haar eigenlijk wel zien? Waarom zou ik haar willen zien?
Zo verschillend
We zijn allemaal zo anders, zo verschillend. Ook in ons omgaan met anderen. We hoeven ons niet te vergelijken met elkaar.
Een hand vergelijkt zich toch ook niet met een voet? De een kan zomaar een praatje maken, de ander kan dat niet. Haar moet je eerst beter leren kennen en dan kan ze eindeloos luisteren als geen ander. Een derde ziet dat je koffie nodig hebt of oppas voor je kind. Een vierde kan haast ongemerkt een gespannen moment doorbreken met een grapje.
Laat niemand hier vertrekken met een verlammend schuldgevoel: Eigenlijk .... moet ik van alles dat ik niet kan.
We zijn verschillend maar allemaal hebben we anderen nodig. Zonder ander geen gesprek, geen meeleven, geen feest, geen liefde. En toch zijn anderen ook gevaarlijk. Als we de ander ontmoeten, ontmoeten we ook onze eigen angst.
We kijken als het ware in die akelige zonnebrilletjes waarin je alleen jezelf ziet i.p.v. de ogen van de ander.
Wat zou ze van me denken? Hoe zie ik eruit? Wat zou ze van me moeten? Kan ik dat waar maken? Ik voel me zo klein naast haar. Ik voel me zo boos van binnen.
Als we de ander ontmoeten, ontdekken we ook onze eigen behoeften. We zoeken naar iemand die onze verhalen aanhoort of naar iemand die ons een goed gevoel geeft of naar iemand die onze hulp gebruiken kan, zodat we ons waardevol voelen. Maar zie ik haar wel? Wat zij te geven heeft en wat zij nodig heeft?
Onze bekleding
Na de zondeval trokken Adam en Eva kleren aan. Ze voelden zich bloot, onbeschermd, onveilig.
"Laat je niet kennen, geef je niet bloot", zegt de wereld. Vijgenbladeren en dierenhuid, katoen, wol, van alles is er op gevonden.
We hebben nog iets beters. "Bekleed u met Jezus."
Als we Jezus erbij laten kijken we voorbij die spiegelzonnebril naar God achter de ander. Dan hoeven we onze eigen naaktheid niet te bedekken, dat doet hij. "De kortste weg van mij naar de ander is via Jezus."
Met God erbij krijgen we ruimte en dan is de kunst: die ruimte te benutten en ruimte te laten.
Kijken b.v. Het kleine kind in de trein dat iedereen aankijkt zelfs de nurkse meneer aan de andere kant van het pad glimlacht en krijgt iets liefs, eventjes. Elkaar gewoon even aankijken, niet vanuit de ooghoeken, maar nieuwsgierig als een kind.
Wie ben jij, hoe voel jij je vandaag? Misschien kunnen we het eens oefenen gewoon elkaar even aankijken, een tel of drie, en niks zeggen. Luisteren. Geen eigen verhaal beginnen n.a.v. dat van de ander. Geen adviezen gaan geven.
Geen problemen proberen op te lossen. Gewoon luisteren en iets vragen om te kijken of je het goed begreep. "Wie was er nou ziek?" Ook onder de woorden door luisteren: "Je bent het zat, hè?" of: "Wat zal jij blij zijn."
De ander verder helpen "Wat ga je nu doen?" "Hoe blijf je rustig in zulke omstandigheden?" "Hoe ga je het je man vertellen?"
Als iemand u een probleem vertelt, heeft ze waarschijnlijk al tientallen oplossingen overwogen.
Het helpt als ze die eens op een rijtje kan zetten door ze hardop uit te spreken.
Dat helpt veel meer dan adviezen. Tenslotte als alles op een rijtje staan zien we misschien mogelijkheden waar de ander niet aan gedacht heeft.
Niet meer zo bang
Zo open leren kijken en luisteren verlost ons van veel kramp en het schept ruimte, voor de ander en voor God.
Niet meer zo bang zijn dat we het goede weerwoord niet weten "Heer wat vindt U ervan?" bidden we zachtjes, of samen hardop als het kan. Niet meer zo bang zijn voor de ander. "Heer wat gebeurt er met me? Hoe kijkt U naar haar? Ze doet me zeer?"
Niet meer zo hard lopen voor een ander voor we zeker weten wat er wel en niet van ons gevraagd wordt.
Met Jezus erbij zijn we ons minder bewust van ons zelf.
Zoals iemand die geliefd en mooi gevonden wordt door haar man zich ook geliefd en mooi voelt, en daar anderen niet voor nodig heeft. Zoals een kind dat weet dat het er wezen mag, en de meest nurkse mensen vriendelijk aankijkt en contact maakt.
Om de ander echt te kunnen ontmoeten moeten we naar ons zelf luisteren en ons zelf leren kennen.
Om dichtbij te durven komen, mogen we ons bewust worden van Jezus die er ook bij is. Met Hem erbij kunnen we echt kijken naar de ander en echt luisteren. Probeer het maar eens. Elkaar even aankijken. Echt kijken. En dan zeggen "Leuk dat U/jij er bent" .
In de ander ontmoeten we tenslotte ook de Maker. Iedereen is uniek. Sommige mensen lijken in niets op mij, maar ze hebben wel dezelfde Vader als ik. Als ik hen leer kennen, leer ik ook mijn Vader beter kennen. Bovendien zijn er momenten, heilige momenten, dat God mij in de ander tegemoet komt. Het verlossende woord, een arm om mij heen, ogen die me zo aankijken dat alles ineens anders lijkt.
Alleen daarom al is het de moeite waard te kijken wie naast me staat, of achter me, of zelfs tegenover me.