Tijd
1998-01-09
Tijd is een vreemd iets, vindt u niet? Ja, als het tegen de jaarwisseling loopt, krijg ik altijd filosofische neigingen.- Jaargang 42
- nummer 1
Het weer in december,- meestal druilerig en donker, werkt mee aan dit verschijnsel. Als het maar even begint te schemeren, gaan bij ons de kaarsen aan en mijmer ik er op los. Zon in december gooit wat mij betreft roet in het eten. Als het KNMI een hogedrukgebied aankondigt, word ik meteen knorrig.
Vooral zon om vier uur vind ik vreselijk. Dan krijg je dat valse licht in de kamer dat precies laat zien waar niet afgestoft is. In plaats van mijmeren moet ik dan stof afnemen en ik verzeker u dat er niets verheffends is aan dat gewapper met een gele katoenen lap. Gelukkig kwam ik wat het weer betreft dit jaar ruimschoots aan mijn trekken.
Buiten regende het vandaag pijpenstelen, het was plezierig donker in de kamer en het kaarslicht scheen mild op een tafeltje in de hoek. Ik leunde achterover in mijn stoel en dacht: "TIJD, wat een vreemd iets is tijd toch." Niet een helemaal originele gedachte, dat geef ik toe, maar toch ...een tikje wijsgerig is het wel. Niet waar ... ik, als schrijfster, zit in het oude jaar en moet nog oliebollenbakken en u, als lezer, leeft al in het nieuwe jaar en piekert erover hoe u die paar bollenkilo's er weer af moet krijgen. Vreemd toch? Tussen u en mij zitten op dit moment twee weken en twee kilo!
Tja ... TIJD. Een kwartier. Wat is nu een kwartier in de tijd. Niets toch? Maar in een wachtkamer bij een dokter lijkt het alsof je een uur tussen de kwalen zit en in de file bij de kassa van de supermarkt duurt een kwartier ook tamelijk lang. Als ik luister naar mooie muziek daarentegen, is een kwartier als een knip met de vingers.
(Ik bouw het niveau van mijn overpeinzingen langzaam op, dat merkt u zeker wel.) Tijdens dat kwartier bij de kassa heb ik me trouwens best geamuseerd. Voor mij in de rij stonden drie mensen die bij elkaar hoorden: een echtpaar en een zuster van de man. Dat schoot in ieder geval op. Welwillend keek ik hoe ze een kar vol laadden en zette vervolgens mijn spullen op de lopende band: groenten, twee pakken spliterwten, een in cellofaan verpakt varkenshieltje en een rookworst."
De man bekeek mijn boodschappen.
"U gaat zeker snert koken?" merkte hij op. Ik knikte, want met die ingrediënten maak je uiteindelijk geen Boeuf Stroganoff.
"U weet tenminste hoe je snert moet koken", prees hij.
"Mijn vrouw kan er niks van. Mien, kijk eens. Dat mens hier weet tenminste hoe ze snert moet koken. Lekker met een been erin." Zijn vrouw keek hem uitgesproken koel aan. "Ik mot geen poten in mijn snert", zei ze gedecideerd en wendde zich afkerig af. Hij haalde zijn schouders op. "Hoor je dat nou?" zei hij vertrouwelijk tegen mij. "Ik ga van 'r af ook!"
De zuster bemoeide zich er mee. "Hé Mien, ze zijn toch gewassen," suste ze.
Ik schoot in de lach en oogstte daarmee ook een koele blik.
"Ik doe er normaal geen bot in hoor," vermeldde ik solidair. "Zo!" zei de vrouw triomfantelijk. Hij haalde zijn schouders op. "Allemaal één pot nat."
Even later liepen ze voor me uit op het plein. Het echtpaar innig gearmd. De vrede leek weer getekend. Gelukkig, want in deze tijd van het jaar maak je geen bonje. Dat zou pas echt snert zijn!