Altijd vergeven?

1998-03-06
  • Jaargang 42
  • nummer 5
Moet je als christen altijd vergeven? De eerste indruk uit Marcus 18 lijkt onontkoombaar een bevestigend antwoord te geven. Zegt Jezus zelf immers niet wanneer het over vergeven gaat: “Ik zeg u, niet tot zeventig maal toe, maar tot zeventig maal zeven maal”?

Er wordt gezegd dat de rabbijnen hadden bepaald dat de grens voor het vergeven van je naaste bij drie keer lag.
Petrus schuift de grens een aardig eindje op, naar zeven keer. Hij is heel royaal. Want stel het je maar eens voor dat je collega of je eigen man of vrouw of een klasgenoot, dat die je iets flikt.
En oké, je vergeeft het. Maar na een tijd gebeurt er weer iets, iets wat je misschien erg kwetst, maar je bent zo gek nog niet, je vergeeft weer. En nog eens. Ik kan me die rabbijnse regel van drie keer vergeven goed voorstellen. Dat lijkt toch wel echt de limit te zijn.

Geen rekengetallen
Maar hoe royaal Petrus ook wil zijn, hij stelt een grens aan zijn vergeven van een ander. Het heeft iets in zich van: ,,Jezus, ik wil een heel eind meegaan met wat ik van U begrijp, daarom mijn royaliteit, maar zeg eens: het moet niet overdreven gek worden. Lijkt zeven keer U niet wat?" "Nee", zegt Jezus, "Nee, niet tot zeven keer aan toe vergeven, maar tot zeventig maal zeven keren." Dat zijn geen afstreepgetallen. Het verschil tussen Jezus en Petrus is niet dat Jezus een langere lijst nodig heeft voordat bij Hem de maat vol is, zoals Petrus een langer lijstje nodig zou hebben dan de rabbijnen. Jezus zegt: "Het gaat niet om getallen, maar om je houding, je innerlijk. Waar vergeving een aftreksysteem wordt, daar deugt iets niet."

Jezus' cijfers zijn geen toeval
Geen aftrekgetallen dus. Maar ook op een andere manier zijn de cijfers die Jezus noemt geen toeval. De mensen toen hebben gedacht aan Genesis 4, waar we (in de Griekse vertaling) Lamech horen brallen: "Ik sloeg een man dood om mijn wond, een knaap om mijn striem; want Kaïn wordt zevenvoudig gewroken, maar Lamech zeventig maal zeven." Lamech is het wrekende type bij uitstek. En waar wraakzucht z'n kans krijgt, daar breekt het geweld zich baan en is het einde zoek. Want geweld dat beantwoord wordt met geweld, roept altijd weer nieuw geweld op, verschrikkelijker geweld. En is heel de geschiedenis hiervan niet een overtuigend bewijs? Heeft de onmacht van bijvoorbeeld de Verenigde Naties hiermee niet te maken, dat systemen, dat machthebbers, dat mensen wraak willen, het onderste uit de kan willen, zodat de spiraal van geweld almaar verder gaat?
Laat Lamech extreem zijn geweest, ik denk niet dat onze wereld nu, duizenden jaren later, wezenlijk anders is.
Tegenover de grenzeloze wraak in een wereld van geweld stelt Jezus hier de grenzeloze vergeving. "Onbegrensd vergeven", zegt Jezus, "dat moet je doen, zeventig maal zeven keren." En die uitspraak licht Hij toe met het bekende verhaal over de man die grote schulden had bij de koning en aan wie iemand anders een klein beetje schuldig was.

Totale kwijtschelding
Deze man - wellicht een soort belastingambtenaar; iemand die belastingen moest innen en uiteraard aan de koning afdragen en dat had hij blijkbaar al heel lang niet gedaan - wordt bij de koning gebracht, kan hem niet betalen en moet met vrouwen kinders worden verkocht. Dan werpt deze man zich neer en laat zo merken dat hij helemaal is aangewezen op de gunst van de koning. "Heb geduld met mij en ik zal u alles betalen." De koning krijgt medelijden met hem, zegt Mattheüs. Hij gebruikt een woord dat slaat op iemands ingewanden. Het geeft aan dat de koning - beeld van God - tot in het diepst van z'n ziel, van z'n botten, is geraakt. Het doet hem werkelijk wat! En hij doet er wat mee: hij scheldt hem alles kwijt. Voor ons is het bekend, maar 't is verbijsterend wat er gebeurt. Haast absurd. Zoiets doet niemand. Inderdaad, niemand, behalve deze koning, de koning van het hemelse rijk.

Het vervolg
De man gaat weg, van hopeloos verloren tot gered, van gebonden aan en door een levenslange schuld tot vrij man. Hij treft een van zijn medeslaven, die hem iets schuldig is; een bedrag dat in geen enkele verhouding stond tot de schuld die hij bij de koning had. Maar gebeurde er eerder iets ongelofelijks, iets absurds, totale kwijtschelding, dit is minstens zo absurd. De man grijpt zijn schuldenaar bij de keel: "Betaal wat je schuldig bent!" En precies zoals hijzelf bij de koning had gedaan, doet deze man bij hem: hij valt op z'n knieën en zegt: "Hebt geduld met mij en ik zal u betalen." Maar waar de koning oneindig goed was, te goed, daar is deze man oneindig slecht, te slecht.
Anderen zien het en vertellen het aan de koning. En dan is het opmerkelijke in Jezus' verhaal dat de koning terugkomt bij die eerste slaaf op z'n kwijtschelding.
Dat lijkt niet zo netjes van hem. Zelfs al is het volkomen af te keuren wat deze man een medesláaf aandoet, dat staat toch buiten diens onderonsje met de koning? Dat de koning zich toch hiermee bemoeit kan komen doordat deze slaaf geld dat voor de koning was bestemd óf niet geïnd had óf in eigen zak gestoken had. Wanneer hij een medeslaaf tegenkomt die hem iets schuldig is, zou dat geld kunnen zijn dat bestemd is voor de koning. Dat zou de zaak nog wranger maken. Hoe ook maar, de koning vindt het zo ongepast wat deze slaaf doet, dat hij terugkomt op z'n goedheid. Hij zegt als het ware: "Dit gaat zo in tegen alles wat jou is overkomen, hoe ik je heb behandeld, van in feite ter dood veroordeeld tot levenslange gratie, hier zit geen greintje goedheid bij." En dan is het alsof hij met gelijke munt terugbetaalt, dus ook zonder medelijden, zonder gevoel. "Had ook jij geen mededogen moeten hebben met je medeslaaf, zoals ik mededogen met jou heb gehad?" Het een, het mededogen van de koning, kán niet zonder het ander, het mededogen van mensen onderling. Er is samenhang tussen Gods vergeving en onze onderlinge vergeving. Of dat betekent dat wij altijd moeten vergeven, wanneer je weet mag hebben dat de HERE God ons vergeeft? Daarover de volgende keer.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief