Historiciteit en geloofwaardigheid (4 - slot)

1998-03-06
  • Jaargang 42
  • nummer 5
Verschillende visies op de historische karakter van de Bijbel werden het afgelopen jaar in Opbouw naar voren gebracht. Van Der Dussen benadrukte de eigen aard van de bijbelse geschiedschrijving en typeerde die als ‘verkondigende geschiedschrijving’. Koers kwam hiertegen in het geweer en onderstreepte krachtig, dat in het Schrift feiten worden weergegeven, ‘geselecteerde feiten, in een bepaald raamwerk gezette feiten, maar wel feiten.’ Hierop liet Holwerda aan de hand van een reeks voorbeelden zien, dat de Bijbel een eigenaardige taal gebruikt om de werkelijkheid weer te geven. Hij sprak van een meer dichterlijke, verbeeldende taal.

Wanneer we proberen enige greep te krijgen op het karakter van de bijbelse geschiedschrijving, doen we er goed aan om uit te gaan van de duidelijkste en door iedereen mee te maken voorbeelden. Die zijn er gelukkig. Koers, die niets moet hebben van algemene typeringen als 'verkondigende geschiedschrijving' en 'verdicht gebeuren', ontkent het bestaan van zulke vormen van geschiedschrijving niet. Een sterk voorbeeld van de comprimerende, stilerende wijze van bijbelse geschiedschrijving vindt hij (zie Opbouw 41e jrg. no. 2, pg. 30) Mat. 1, met zijn geslachtsregister van de Here Jezus in 3 x 14 geslachten.
Inderdaad is dat daarvan een goed voorbeeld. Een geslachtslijn immers isindien je de juiste gegevens ter beschikking staan - heel exact vast te stellen. Het geval echter is, dat Mat. 1:1-17 naar de vervulling van Gods Messiaanse beloften is toegeschreven. Daartoe heeft Mattheüs het geslachtsregister in drie perioden van veertien geslachten verdeeld. Prof. Versteeg zei ervan: .Zes zeventallen gaan aan Jezus vooraf. In Jezus ligt het begin van de ware sabbat van Israël," Om deze mooie structuur te krijgen, heeft Mattheüs echter wel bepaalde namen uit de oudtestamentische geslachtsregisters weggelaten. Een vergelijking van Mat. 1:7-11 met 1 Kron. 3:10-16 wijst uit, dat Ahazia, Joas en Amazia in Mattheüs' geslachtsregister ontbreken. Conclusie: t.w.v. de verkondiging heeft Mattheüs de overlevering 'verdicht'.

Symbolisch-didactisch reisboek
Zulke overtuigende voorbeelden zijn er meer in de Schrift te vinden. In Num.
33: 1-49 vinden we een overzicht van de tocht die Israël door de woestijn maakte.' Dat wordt gegeven middels de opsomming van 42 pleisterplaatsen die het volk tijdens de tocht heeft aangedaan.
Tussen het begin- en eindpunt van de reis liggen dus 40 plaatsen, precies zoveel als het aantal jaren, dat Israël in de woestijn doorbracht. Wie echter probeert de tocht van Israël m.b.v. deze lijst in kaart te brengen, stuit op problemen. Niet alleen kunnen veel plaatsnamen niet worden thuisgebracht, m.n. de afstand tussen de wél bekende plaatsen stelt voor vraagtekens. Het vermoeden lijkt gerechtvaardigd, dat dit reisboek op maat van het aantal jaren dat Israël in de woestijn doorbracht is gesneden.
Ds. C. Vonk meent, dat de bedoeling van dit reisboek symbolisch-didactisch is geweest. "Het geeft geen onderwijs in aardrijkskunde. Maar het geeft wel onderwijs aangaande de geschiedenis van Gods daden met en voor zijn oude verbondsvolk. En dat doet hij op een wijze waaraan een zekere symboliek niet vreemd lijkt te zijn."3 Via dit geslachtsregister en reisboek stuiten we dus op een omgang met feitelijke gegevens, die verre van exact is. Sterker, tot nu toe bevestigen deze voorbeelden de karakteriseringen van Van der Dussen en Holwerda geheel. Omdat Koers zelf Mat. 1 ter sprake bracht, verbaast het me, dat hij het anderen zo kwalijk neemt, dat zij op dit spoor vérder denken en zoeken naar andere momenten waarop de Schrift op deze eigen omgang met de geschiedenis 'betrapt' kan worden. Het feit, dat bepaalde schriftdelen over dezelfde historische stof moeilijk, zelfs onmogelijk te harmoniseren zijn, geeft hiertoe voldoende aanleiding. Ook kan de eigen aard van de bijbelse geschiedschrijving de spanning verklaren die er soms tussen de archeologische gegevens en het bijbelse geschiedenisbeeld bestaat.

Verdichting?
Een andere vraag vervolgens is, of op de weergave van de werkelijkheid door de bijbelschrijvers in z'n totaliteit het stickertje 'verdicht gebeuren' geplakt kan worden. Die kant gaat Holwerda op, als hij van de verhalende delen van de Schriften zegt, dat die het verhaalde gebeuren presenteren in een gestileerde en verdichte vorm. Voor Koers' moeite hiermee kan ik om een aantal redenen begrip opbrengen. Allereerst vind ik Klaas Holwerda's gebruik van de term 'verdicht' niet helder. Enerzijds bedoelt hij daarmee dat verschillende gebeurtenissen in het bijbelverhaal in één greep worden samengevat. Anderzijds, dat de Bijbel gebruik maakt van een meer dichterlijke, verbeeldende taal, die op een veel diepere en zinrijkere manier aan die werkelijkheid recht kan doen dan onze over het algemeen meer klinische en al te eenduidige taal vermag te doen (Opbouw 41e jrg. no. 24, pg. 446). Symbolische geschiedschrijving en 'dichterlijke, verbeeldende taal' vallen echter niet samen. In het eerste geval is er van een verdamping van historische gebeurtenissen, i.c. 'de daden des HEREN' geen sprake, maar in het tweede geval kan dat zomaar gebeuren. Dit blijkt ook uit de door Holwerda gegeven voorbeelden.
Een overtuigend voorbeeld "van de verdichting van een meervoudig gebeuren tot een enkelvoudig gebeuren", vind ik de wijze waarop Goliath, de Filistijn getekend wordt (Opbouw, 41e jrg. nr. 26, pg. 488). AI wat twijfelachtiger is dat van Deut. 9:7-10:11 (Opbouw 41e jrg. nr. 25, pg. 467), omdat de uiteenliggende historische momenten als zodanig benoemd worden (zie 9:22,23), dus niet in één plaatje samenvloeien. Deut. 9:7-10: 11 heeft daarom meer van de optellende, cumulatieve vorm van geschiedschrijving, die ons ook verder bekend is uit de Bijbel (zie o.a. Ps. 78; 105; 106; Neh. 9; Hand. 8). Van de manier waarop Holwerda de val van Jericho en de genezingen van de verlamde, de dove en de blinde in resp. Marc. 2:1-11, 7:31-37 en 8:22-26 behandelt (Opbouw, 41ejrg. nr. 29, pg. 488w.), moet echter gezegd, dat datgene wat De Jong indertijd onder symbolisch verstond heel ver uit het blikveld verdwijnt. Om me tot dat laatste voorbeeld te beperken: de verlamde heet 'verlamd door schuld' te zijn, en van de dove geldt dat de in- en uitgangen van het leven verstopt zijn. Holwerda: "Het lijkt me niet ondenkbaar dat de opening en ontstopping ... een proces van maanden of jaren geweest is in plaats van uren of minuten, een ondeelbaar ogenblik waarin het in het verhaal verdicht is." Deze benadering van de door Christus verrichte wonderen geeft me een ronduit onbehagelijk gevoel. Het concrete wonder verdampt wel degelijk, omdat het erdoor verbeelding van een innerlijk proces wordt. De boodschap dreigt de genezing te gaan vervangen, terwijl de genezing de dráger van de boodschap is, óók in Mc. 8:22-26.

Overbelicht gebeuren
M'n tweede bezwaar tegen een algemene karakterisering van de bijbelse geschiedschrijving als 'verdicht gebeuren' is, dat de middelen waarmee de bijbelschrijvers de overgeleverde stof weergeven m.i. veel te divers zijn om onder één noemer te brengen. Soms is sprake van 'verdichting' à la De Jong. Maar het omgekeerde komt ook voor, namelijk, dat één aspect van een bepaald gebeuren uit het geheel wordt gelicht, om daarop alle aandacht van de lezer te focussen.'

Tweemaal Hemelvaart?
Ter illustratie wil ik hiervan één voorbeeld geven en wel de heel verschillende wijze waarop de evangelist Lukas aan het slot van zijn evangelie en aan het begin van de Handelingen Hemelvaart weergeeft. Het bijzondere van dit voorbeeld is, dat één en dezelfde evangelist hetzelfde gegeven op heel verschillende wijze heeft verhaald." Tussen Luk. 24:43-53 en Hand. 1:1-14, bestaan enkele opmerkelijke verschillen:

1. Wie Luk. 24:43-53 leest, krijgt de indruk, dat Pasen en Hemelvaart op één dag zijn gevallen. Vanaf de dag van de opstanding komt de evangelist in één pennenstreek te spreken over het afscheid van Jezus, zonder melding te maken van een tussenliggende periode van veertig dagen.

2. Van het vraaggesprek dat de discipelen met de Heiland hebben - zie Hand. 1:6-11 - maakt Lukas in zijn evangelie geen enkele melding.

3. In het evangelie lezen we, dat de discipelen na Hemelvaart voortdurend in de tempel verblijven, lovende God; in Hand. wordt bericht, dat zij in de bovenzaal verblijven en aldaar eendrachtig volharden in gebed (:13,14).

Dat het hier toch om de beschrijving van dezelfde gebeurtenis gaat, blijkt uit Hand. 1:2: "Mijn eerste boek heb ik gemaakt, Theofilus, over al wat Jezus begonnen is te doen en te leren, tot op de dag, dat hij werd opgenomen." Rijst de vraag wat Lukas ertoe bewogen heeft om de Hemelvaart van de Heiland zo verschillend weer te geven. Zelf doe ik de volgende suggestie. Lees je Luk. 24 in één ruk door, dan voltrekt zich een volstrekte omslag in de houding van de discipelen. Zij zijn aanvankelijk 'zum Tode betrübt', maar uiteindelijk 'himmelhoch jauchzend'. Deze omslag van totale ontreddering naar de opperste vreugde is het gevolg van zowel Pasen als Hemelvaart. Jezus is de Levende, wat meer is, de Zegenende, wat nog meer is, de Verhoogde!
Door het zo naadloos aan elkaar verbinden van Pasen en Hemelvaart eindigt het evangelie op de hoogste denkbare hoogte én toon. En de lezer wordt genodigd deze beweging mee te maken en mee te doen met de lofzang van de discipelen.
De plaats van hemelvaart in Handelingen is een andere. Hemelvaart is allereerst het begin van 'de tussentijd', die zendingstijd is. Elk woord in Hand. 1:1-14 dringt in de richting van een nieuwe periode, waarin Jezus lichamelijk afwezig, maar in de Geest aanwezig zal zijn, om zijn discipelen in staat te stellen de grote opdracht te vervullen.
Daarom eindigt deze perikoop met het gezamenlijk gebed om de Heilige Geest: "HERE, kom, help ons, sterk ons!" Vanuit de eigen plaats die de Hemelvaart in het evangelie en de Handelingen inneemt - de ene keer als afsluiting van de omwandeling op aarde, de andere keer als beginpunt van een loodzware tussentijd - laten Lukas' redactionele ingrepen zich dus verstaan.
Zo zien we, dat de bijbelschrijvers bij hun weergave van gebeurtenissen niet alleen het middel van de ver-dichting gebruikten, maar ook het middel van de overbelichting. Het effect hiervan kan zo groot zijn, dat sommige exegeten geneigd zijn aan twee verschillende gebeurtenissen te denken", terwijl anderen een sterk door de historische kritiek bepaalde oplossing voor de verschillen zoeken.' Beide benaderingen houden te weinig rekening met de eigen aard van de bijbelse geschiedschrijving ..

Profetisch en Geestelijk
Nog vele andere 'technieken' kenden de bijbelschrijvers om geschiedenis te schrijven. Ik denk ook aan het gebruik van bepaalde namen, die - gaande de geschiedenis - een symbolische meerwaarde hebben gekregen. Zo denk ik aan de karakterisering van Egypte in Jes. 30:7; 51:9 en Ps. 87:4 als het oervloedmonster 'Rahab' - zie Job 26:12-, de zeedraak die een tegenstander is van God en een bedreiging van het leven op aarde. Te denken valt ook aan de wijze waarop de naam van Israëls buurland Edom gaat functioneren als een chiffre van de Gode vijandige volkeren (Jes. 63:1-6). Ik denk ook aan de .
geestelijke typering die de eerste christenen van Rome gaven door van Babylon te spreken (2 Pet. 5:13). Simpel maar zeer indringend wordt hiermee over de geschiedenis een profetisch licht geworpen. Om weer iets heel anders te noemen. Oude geschiedenissen worden soms - verrijkt met nieuwe openbaringskennis- herschreven. Op de wijze waarop in Openb. 12:3 de moederbelofte van Gen. 3 wordt opgenomen rust het gewicht van vrijwel heel de openbaringsgeschiedenis! Zo'n herschrijving is mogelijk ook terug te vinden in Gen. 20:1-18, waarin het reeds bekende verhaal van Gen. 12:10-20 op zo'n wijze is her-bewerkt, dat andere openbarings- en ervaringskennis daarin een plaats heeft gekregen. Ook zou het Johannes-evangelie, dat zo'n heel eigen karakter heeft, de vrucht van zo'n herschrijving kunnen zijn, een vrucht van de Geest. Wijst daarop niet het woord van onze Heiland: "Nog veel heb Ik u te zeggen, maar ge kunt het thans niet dragen. Maar wanneer Hij komt, de Geest der waarheid, zal hij u de weg wijzen naar de volle waarheid."
(Joh. 16:12,13)8 Daarbij komt dat we met nàg tweehaaks op elkaar staande - mogelijkheden rekening moeten houden. Er zullen bijbelgedeelten zijn, die in hun verloop zo dicht bij het werkelijk gebeurde staan, dat een camera vrijwel hetzelfde beeld geregistreerd zou hebben. Maar omgekeerd mag niet worden uitgesloten dat er enkele gevallen van bijbelse geschiedschrijving zijn, die een in historie verpakte gelijkenis zijn. Zo sluit ik op zowel historische als literaire gronden niet uit, dat het bijbelboek Jona zo’n historische gelijkenis is. Dit boek lijkt uitsluitend om de boodschap geschreven, zoals de Here Jezus sommige gelijkenissen uitsluitend om de boodschap verteld heeft.

Verkondigende geschiedenis
Uit deze voorbeelden blijkt, dat rn.i. de wijze waarop de Bijbel geschiedenis schrijft niet onder één noemer valt te brengen. Iedere overkoepelende karakterisering van de aard van de bijbelse geschiedschrijving stuit op bezwaren. Het dichtste bij de roos is mogelijk wel die van Van der Dussen: "verkondigende geschiedschrijving". In mijn woorden: de Bijbel is zo geschreven dat de boodschap, die ligt in hetgeen geschied is, maximaal óverkomt. Inderdaad kan dat van misschien wel alle verhalende stof in de Bijbel gezegd worden. Maar als algemene typering kleeft hieraan toch wel dit bezwaar - mogelijk verklaart dat de felheid van Koers' reactie, ook al geeft Van der Dussen daartoe geen enkele aanleiding!: de geschiedenis die God met Israël en in Christus gegaan is, hoeft niet verkondigd te worden, hoeft niet boodschappelijk gemaakt te worden, die is verkondiging, die is boodschap. De bijbelse geschiedenis is verkondigende geschiedenis geweest, de geschiedschrijving heeft daaraan als zodanig niets toegevoegd.

Nalezing
Over een enkel punt van de gevoerde discussie wil ik heel kort nog iets zeggen. Zo heb ik nauwelijks verwezen naar de bijdrage van Bart Cusveller (Opbouw 41e jrg. nr. 25, pg. 468), hoewel ik die zeker de moeite waard vond. Ook ben ik voorbijgegaan aan Van Kampens opvatting, dat het criterium voor de historische betrouwbaarheid gezocht moet worden in de vraag of de Here Jezus bepaalde stof uit het Oude Testament als historisch beschouwt (Opbouw 41e jrg. nr. 10, pg. 188). Behalve dat ik deze benadering te theoretisch en dogmatisch vind, zou ik willen tegenwerpen dat voortdurend blijkt, dat zowel de Vader als de Zoon zich doorlopend aanpassen aan het kennisniveau van de mens(en) met wie zij in gesprek zijn...
Tenslotte, wat nut ons deze hele bezinning? Allicht zijn er in het licht van het komende Koninkrijk buitengewoon veel waardevoller dingen te doen, dan over de aard van de bijbelse geschiedschrijving te discussiëren. Om die reden ben ik ook wel blij, dat het gesprek steeds in het tweede deel van Opbouw gevoerd werd. Ik kon ook wel iets begrijpen van die wat bittere verzuchting van ds. Koers: er wordt meer over het brood gesproken dan dat er heerlijk van gegeten wordt. Toch heeft de hele bezinning iets onontkoombaars. Sinds de Verlichting is de mens ook de Bijbel veel sterker 'historisch' gaan benaderen. Voorzover de resultaten van deze veranderde leeswijze op ongeloof gestoeld zijn, kunnen we er niet zo heel veel mee. Maar voorzover die benadering oog geeft voor spanningen binnen het bijbelse geschiedenisbeeld en tussen de Bijbel en hetgeen wij van het Oude Oosten weten, is er alle reden om op gelovige wijze de gedachten eens te laten gaan over de resultaten daarvan. Echter niet om bij die historische vragen te blijven steken, maar vanuit het verlangen ruimte te scheppen voor onbevangen schriftstudie. "Voed het oud vertrouwen weder." Daarin is voor mij het nut van dit hele gesprek gelegen: door een bezinning op de bijbelse geschiedschrijving ruimte scheppen voor het eigenlijke: het met kinderlijk vertrouwen lezen en beluisteren van de Bijbel, het leven met en naar het evangelie.

Noten:
1 J.P. Versteeg, Evangelie in viervoud. Een karakteristiek VW1de vier evangeliën. Kampen 1980, pg. 22.

2 Zie hiervoor bijv. C. Vonk, De Voorzeide Leer, deel 1c. Numeri, Deuteronomium. Barendrecht 1966, pg.328-333.

3 Vonk, a.w. pg. 333

4 Koers vestigt hierop ook de aandacht (Opbouw 41ejrg. nr. 21, pg. 384). Zie ook J. VW1Bruggen. Christus op aarde. Zijn levensbeschrijving door leerlingen en tijdgenoten, Kampen 1987, pg. 74vv

5 De aversie van Koers tegen het woord 'verhaal', ..het theologische modewoord van deze tijd' (Opbouw 41ejrg. nr. 21, pg. 385) deel ik niet. Allereerst zijn de woorden verhaal en verhalen niet modieus, maar worden ze al talloze malen door Greijdanus gebruikt in bijv. zijn Lukas-commentaar. Ten tweede worden de bijbelse geschiedenissen ook werkelijk verhaald, zoals prachtig blijkt uü het - overigens kritisch te lezen - boek van J.P. Fokkelman, Vertelkunst in de Bijbel Een handleiding bij literair lezen, Zoetermeer 1995

6 o.a. E. Ellis is van mening, dat in Luk. 24 van een andere gebeurtenis sprake is dan inHand.1 (zie J. Bruggen, Lucas. Het evangelie als voorgeschiedenis, Kampen 1993, pg. 417)

7 Wolfhart Pannenberg bijv. is van mening, dat in de traditie van de vroegchristelijke kerk Pasen en Hemelvaart aanvankelijk samenvielen en pas in een later stadium van de tradtitievorming als twee onderscheiden gebeurtenissen werden beschouwd.. Zie De geloofsbelijdenis.
Een uitleg van de apostolische geloofsbelijdenis voor mensen van nu, Baarn 1976, pg. 115.

8 Zie hierover H.N. Ridderbos, Het evangelie naar Johannes. Proeve van theologische exegese, Deel 1 (hoofdstuk 1-10), Kampen 1987, pg. 11-28, mn. pg. 25vv.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief