Zelfbewust voor Gods aangezicht
2000-03-31
De nacht is het moment bij uitstek waarop diepe gevoelens zich laten gelden.- Jaargang 44
- nummer 7
Soms zo sterk, dat je wilde dat het wat minder sterk kon. Met name moeilijke en pijnlijke momenten komen boven in de rust en stilte van de nacht, gebeurtenissen of beslissingen waaraan je liever niet terugdenkt.
De dichter van dit avondlied (zie vs.3 en 15) heeft te maken met vijanden.
Zoals vaak in de psalmenbundel krijg je niet een precies beeld van wie dat zijn. Zodoende mag je voor hen invullen: alles wat en allen die je het leven moeilijk maken en vooral je leven met God.
Hoogmoed?
Het lijkt alsof de dichter zijn vrome leven aan God voorhoudt. Het heeft de sfeer van: God, ik doe het goed, doet U daarom goed aan mij. Dat lijkt misschien hoogmoedig, maar hij durft te vragen wat hij doet, omdat hij ervan overtuigd is, dat hij rechtvaardig is, goed leeft, eerlijk is, oprecht.
Is dat hoogmoed? Ik denk van niet. Ik denk meer aan zelf-bewustzijn. En zeker, de grens daartussen is uiterst smal. Het is balanceren op het scherp van de snede en dat nog wel voor het aangezicht van God.
De dichter is er zeer van overtuigd dat hij gelovig leeft. Ik haal er dit uit. De ene keer weet je je intens blij met God en zing je dankliederen. Een volgende keer snap je niets van Hem en klaag en schreeuw je het uit. Weer een volgende keer weet je je schuldig, zondig en laat je dat doorklinken in je gebed. En weer een andere keer weet je je oprecht.
In onze traditie is de nadruk gevallen op onze zonden. En ik zal het terechte daarvan niet ontkennen.
Kijk alleen maar naar jezelf! Maar er is dus ook een andere kant; een kant die ook recht van spreken heeft. Het is dit: God, ik ben trouw aan U, ik doe wat U van me verwacht.
Zo leef ik, zo ben ik.
Gespletenheid
Maar er is toch gewoon de realiteit dat er altijd dingen in je leven zijn, die niet goed zijn? Voor veel mensen is wat Paulus schrijft herkenbaar: "Terwijl ik het goede wil doen, doe ik toch het kwade, wat ik niet wil."
En de spijt komt later of er is direkt al. We weten van het kwaad, in eigen leven. En al hoef je dat niet dramatisch in te vullen in de zin dat je heel slecht bent, het blijft gewoon staan dat je niet zo bent en doet als God wil. Hoe komt de dichter er dan toch bij om te zeggen wat hij zegt?
Eerlijk
Hij weet dat hij eerlijk is, voor zichzelf, voor God.
Hij zegt niet dat hij zonder zonde is. Wel dat hij staat voor een rechtvaardige zaak, dat hij onschuldig is. Hij zegt niet dat hij van binnen helemaal schoon van zichzelf is en nooit iets verkeerds denkt of verzint. Wel verklaart hij dat hij geen leugen spreekt. Daarom durft hij ook te zeggen: "U, die mijn hart toetst, die het peilt in de nacht, bij mij vindt U niets." Daarin zit: er is helemaal niets waarvan U niet weet, omdat ik het voor U verborgen zou houden. Alles, echt alles vertel ik U: mijn vreugde en verdriet, mijn falen en goede dingen. U vindt niets wat er tussen mij en U staat omdat ik het U niet zou vertellen. Nee, alles weet U, alles zeg ik U. Ik heb geen verborgen, stiekeme plekjes. Licht me maar helemaal door en U zult het zien, alles weet U al. Het is heel intiem.
Een intiem en een gewaagd beeld
Van hieruit durft hij het intieme beeld te gebruiken: "Berg mij in de schaduw van uw vleugelen."
Deze mens is inderdaad niet hoogmoedig, want in dit beeld zit: ik red het niet, ik ben bang. Maar God, laat mij zo dicht mogelijk bij Uzelf zijn, door U beschermd, door uw vleugels, door uw liefde voor mij. Het is het beeld van een bedreigd en hulpeloos mens.
En hij heeft nog een beeld: "Bewaar mij als uw oogappel." Eigenlijk staat er: uw oogpupil. Zo bid je: HERE God, zoals mensen uiterst zorgvuldig met hun ogen omgaan, want ze zijn zo kostbaar voor ons, we doen er alles aan om ze te beschermen, bewaar mij ook zo, als iemand die uiterst kostbaar is voor U. En het beeld is nog wat gewaagder.
Want je pupil is niet alleen kostbaar, het maakt je ook kwetsbaar. Er wordt wel gezegd dat de ogen het zwakke punt van de mens zijn. En zo zeg je: Bescherm mij als iets kostbaars van U, ja God, bescherm mij, want in mij, door mij, bent U toch kwetsbaar? Zoals ogen onze kwetsbare en kostbare plek zijn, zo zijn wij Gods kostbare en kwetsbare plek. En daarom: God, laat mij niet in de steek, maar bescherm me. Een ontroerend beeld, het beeld van een kuikentje, schuilend onder de vleugels van de moeder.
Een minstens zo ontroerend beeld is het beeld van Gods oogappel, dat voor ons de bijbetekenis heeft van: lieveling, kostbaar.
Ontroerende beelden; beelden ook, denk ik, bedoeld om God te ontroeren.