Bedenkelijk geestelijk niveau?

2000-03-31
  • Jaargang 44
  • nummer 7
Het aardige van preken – heeft Luther eens gezegd – is dit, dat het bier daarna zo lekker smaakt. Luther was beide: een groot prediker en een groot bierdrinker.
Hij sprak dus uit ervaring en kon het weten.

Ik denk dat de meesten van ons Luthers opmerking wel kunnen waarderen, hoewel sommige brave borsten het woord ‘bier’ liever door ‘koffie’ zouden willen vervangen.
Maar er zijn altijd mensen geweest, ook in Luthers tijd al, die bij zo’n opmerking beginnen te steigeren, omdat ze die niet vroom genoeg vinden. Ze vinden het een schoolvoorbeeld van ongeestelijke taal. Iemand die dergelijke taal hanteert, staat bij hen onmiddellijk in de hoek van ongeestelijke mensen, die het niet zo nauw nemen met de heiliging van het leven. Wie de waarde van de prediking van het evangelie voor zichzelf relateert aan het drinken van een paar pinten bier, kan volgens hen nooit een goede geestelijke leidsman zijn.
Bij Luther vonden deze critici een overvloed van opmerkingen die dat naar hun mening ondubbelzinnig bewezen. Ik laat er hier nog een volgen uit zijn tafelgesprekken: Iemand zei: Herr Doktor, de mijnwerkers geven graag, maar ze hebben dit gebrek: op zondagen en op sabbat drinken ze zich een stuk in de kraag.
Luther antwoordde: de mijnwerkers doen daar weliswaar niet goed aan, maar als ze de volgende dag weer vlijtig werken, moet men bij hen iets door de vingers zien.
Maar dat moet men niet tegen hen zeggen, want dan zouden ze nog meer uit de band springen. Ze moeten heel zwaar en gevaarlijk werk verrichten en ook de regio waar ze wonen, speelt een rol.
Ikzelf drink ook behoorlijk.
Maar niet iedereen moet me dat nadoen, want niet iedereen heeft dezelfde moeitevolle last te dragen als ik. Wanneer dus de mijnwerkers 's morgens een preek horen en bidden, moet men het, met het oog op hun moeitevol leven en hun gewoonten, bij hen door de vingers zien, als ze de middagdienst verzuimen.
Volgens de critici is een dergelijk advies van een bedenkelijk geestelijk niveau. In plaats van op te roepen tot levensheiliging legt het zich bij een misstand neer. Iemand die zulke adviezen geeft, kun je niet als geestelijk leidsman aanvaarden.

Slechtere mensen?
Dat deden de Dopersen in de tijd van de Reformatie dan ook niet. Hun fundamentele kritiek op de kerken van de Reformatie, zowel de lutherse als de calvinistische, bestaat hierin, dat in die kerken de levensheiliging ondergesneeuwd is door de grote nadruk op de leer van de rechtvaardiging door het geloof. Veel van de toonaangevende Dopersen en Spiritualisten waren aanvankelijk enthousiast over de Reformatie, maar namen daar later teleurgesteld afstand van, omdat die volgens hen in zedelijk opzicht tekortschoot.
Het was een kritiek die ook op sommige van Luthers medestanders indruk maakte. Tijdens een van de tafelgesprekken bij Luther thuis merkte iemand op, dat de mensen slechter geworden waren sinds de prediking van het sola gratia.
In de Roomse Kerk werden ze achter de broek gezeten om goede werken te doen, omdat ze daardoor de hemel moesten verdienen en de prediking van hel en verdoemenis moest hen daartoe aansporen.
Maar nu de genade gepredikt wordt, is die stok achter de deur weggevallen en leven de mensen er maar op los.
Luther antwoordde daarop: Toch moet men de genade prediken, omdat Christus het bevolen heeft.... Het is Gods eer genade te prediken. Ook al maken we de mensen er slechter door, dan mogen we toch het Woord van God niet naast ons neerleggen.
Maar we confronteren hen ook trouw met de Tien Geboden die men ook te rechter tijd en vaak aan hen moet voorhouden.

Zorgeloze mensen?
Ook Paulus kreeg al met die kritiek te maken. Hem werd voor de voeten geworpen, dat hij door de rechtvaardiging door het geloof te prediken de zonde in de kaart speelde.
De mensen zouden gaan zeggen: als we alleen maar door het geloof gerechtvaardigd kunnen worden, doet het er niet meer toe hoe we leven.
Dan kunnen we rustig de zonde aan de hand houden.
Hoe meer we zondigen, hoe groter de ons bewezen genade wordt (zie Rom. 6).
Tegen de achtergrond van dit verwijt moet ook vraag 64 van de Heidelbergse Catechismus gelezen worden: maakt deze leer (van de rechtvaardiging door het geloof) niet zorgeloze en goddeloze mensen?
Het antwoord van de catechismus probeert dit doperse verwijt te ontzenuwen door te stellen: het is best mogelijk dat er in de kerk zorgeloze en goddeloze mensen voorkomen; dat is echter geen gevolg van de leer van de rechtvaardiging door het geloof, maar van het feit dat deze mensen geen levende relatie met Christus hebben. Wie waarachtig met Christus verbonden is als een rank met de wijnstok, kan niet anders dan vrucht dragen.
Hoe bijbels dit antwoord ook is, het heeft de Dopersen en hun sympathisanten nooit overtuigd.
Bovendien mocht Luther om de mensen wakker te schudden graag provocerende en krasse uitspraken doen, die – als ze uit het geheel van zijn visie werden gelicht en op zichzelf werden gesteld – de indruk wekten dat er ook met de leer van Luther wel degelijk iets fout zat en dat hij de zonde vergoelijkte of zelfs aanprees.
Natuurlijk was die indruk verkeerd, maar het leidde er wel toe, dat velen zich van de Reformatie afkeerden en hun heil zochten bij doperse stromingen, die veel spiritueler waren en niet zo aan de letter van de Schrift gebonden waren. Voor veel Dopersen en vooral voor de Spirituelen waren de door de Geest gewerkte innerlijke ervaringen, ingevingen en beleving veel belangrijker dan de bijbel zelf.

Geestelijk en ongeestelijk
Wie zich verdiept in de controverse tussen Dopersen en Spirituelen enerzijds en de reformatoren anderzijds, komt tot de ontdekking dat toen dezelfde vragen en problemen speelden als vandaag, zij het in een andere context en daardoor mogelijk iets minder gemakkelijk herkenbaar.
Voor mijn besef heeft dat alles te maken met verschil in visie op wat onder ‘geestelijk’ (spiritueel) en ‘ongeestelijk’ verstaan moest worden.
Voor de reformatoren waren geestelijk en ongeestelijk kwalificaties van een levensstijl, van een manier van optreden.
Volgens Dopersen en Spirituelen echter waren ze aanduidingen van twee verschillende terreinen.
Spiritueel was in hun visie alles wat behoorde tot het terrein van de godsdienst en vroomheid, zoals bidden, preken, het bezig zijn met innerlijke godsdienstige ervaringen en mystieke belevenissen, enz. Dat terrein was het belangrijkste. Hoe meer je je ermee bezighield, des te geestelijker was je. Het omspitten van een tuin, het bakken van brood en het drinken van een glas bier vielen per definitie buiten dat terrein en konden dus nooit en te nimmer geestelijk zijn. Het waren veelal onvermijdelijke bezigheden, waaraan je je niet volledig kon onttrekken, maar hoe minder tijd je eraan besteedde, hoe beter het met je gesteld was.
Daartegenover hielden de reformatoren vol, dat brood bakken even geestelijk of ook even ongeestelijk kon zijn als bidden.
Welke kwalificatie erop van toepassing was, hing af van de vraag of je in al je doen en laten je al dan niet door Gods Geest liet beheersen.

Het totale bestaan
Volgens de Schrift raakt een leven naar de Geest het totale bestaan van de mens in al zijn facetten: van de beleving van zijn sexualiteit af tot zijn gebed toe. Bij wie naar de Geest leeft, is over het geloof praten of het evangelie verkondigen helemaal niet geestelijker dan suiker verkopen of ramen zemen of met je vrouw naar bed gaan. Voor een christen heeft een kantoorkruk niet minder met een leven door de Geest te maken dan een preekstoel en het maken van een fiets niet minder dan het maken van een preek.
Leven naar de Geest is: je in de totaliteit van je bestaan, in al zijn facetten en levensuitingen, laten leiden door Gods Geest.
Het is duidelijk dat beide visies principieel van elkaar verschillen. Anders dan bij de reformatoren viel voor de Dopersen en Spirituelen een groot (om niet te zeggen: het grootste) deel van het leven buiten de grenzen van het geestelijke. Voor velen van hen werd het daardoor minder gewichtig en in vergelijking met het geestelijke van lager allooi. Dat impliceerde dat de vroomheid zich concentreerde op het innerlijke leven en de geestelijke groei van de individuele gelovige en los kwam te staan van het gewone dagelijkse leven. Het besef dat bijbelse vroomheid alles te maken heeft met het trouw doen van je alledaagse werkzaamheden, verdween zo. Het komt me voor dat de huidige roep om meer spiritualiteit zijn wortels heeft in dezelfde onbijbelse visie op wat geestelijk is.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief