Vermenigvuldigen of delen? (1)
1999-01-22
De moderne wereld staat in het teken van de eigen kracht tot vermenigvuldiging, het bijbelse wereldbeeld staat in het teken van het uit genade mogen delen.- Jaargang 43
- nummer 2
Als het Evangelie betekenis heeft voor ons handelen in de hedendaagse samenleving, dan moet dat een centrale betekenis zijn en niet een betekenis die pas aan de rand van ons handelen tot gelding wordt gebracht. Deze stelling contrasteert scherp met de situatie waarin we ons als christenen in de westerse samenleving bevinden aan het einde van de twintigste eeuw.
Dietrich Bonhoeffer zei al: God is aan de rand gedrongen van ons bestaan, want wij kunnen alles verklaren, alles berekenen, maar welke taal is nodig om het Evangelie van betekenis te laten zijn midden in die wereld?2 Er ligt een scheiding tussen de moderne wereld en de bijbelse wereld, die we op allerlei manieren kunnen ondervinden en die ons voor diepgaande keuzes kan stellen. De vraag die in deze artikelenserie centraal zal staan, is hoe er tussen deze twee tegengestelde werelden weer een verbinding kan worden gelegd. Hoe de schotten die bestaan tussen de bijbelse wereld en de moderne samenleving als het ware op te tillen zijn en of er niet een mogelijkheid is om die twee werelden op het diepst mogelijke punt elkaar weer te laten bereiken. Daarbij zal de economie centraal staan.
Vermenigvuldigen
De moderne wereld staat in het teken van de eigenmachtige vermenigvuldiging en het bijbelse wereldbeeld staat vooral in het teken van het delen. Vermenigvuldiging wijst hier naar het ”altijd meer”, naar expansie. Het begrip expansie is vrijwel onmisbaar bij het typeren van de westerse economie.
De westerse mens is steeds bezig om zijn grenzen te verleggen en wil daarin zijn mondigheid bewijzen.
Dat geldt wel allereerst voor de expansie in de ruimte. Er is natuurlijk een samenhang tussen de pogingen van Columbus om de westerse wereld als het ware te verlaten en te reizen naar verafgelegen continenten en de pogingen van de mens in de twintigste eeuw om de maan te bereiken en het universum te verkennen tot in zijn diepste verten. Dat is niet alleen een poging om meer te weten te komen.
Het is ook een poging om ruimtelijke begrenzingen te doorbreken, niet opgesloten te zijn in datgene wat de mens aan leefruimte heeft toebedeeld gekregen. Maar die expansie van de ruimte gaat gepaard en is pas mogelijk door een expansie, een vermenigvuldiging van de kennis. De westerse mens is van meet af aan op kennis gespitst geweest. Dat is zeker ook een positief aspect in de ontwikkeling van de westerse wereld, aangezien kennis de mens in staat stelt als mens te groeien en daarmee zijn of haar mondigheid te beleven. De betrokkenheid op de rede als mogelijkheid tot verdere menswording is steeds in onze cultuur aanwezig geweest.
Vooral in onze tijd is er ook een grote expansie van de middelen: het streven naar en ook het bereiken van een hogere levensstandaard in materiële zin. De wereldhandel expandeert. En tenslotte is er de expansie van de macht. Want achter al die pogingen tot vermenigvuldiging zit wel degelijk ook een machtsmotief: een poging van de mens om te heersen. Het is een motief dat er al is vanaf Genesis. De mens die zijn naam uitroept over de aarde en die een bewijs van zijn eigen grootheid poogt op te richten, nl. de toren van Babel (Genesis 11:1-9).
Zoals gezegd, bij expansie en vermenigvuldiging hoort de verruiming van de mogelijkheden van de mens. Het is verbonden met mondigheid. Maar het is in al die gevallen een mondigheid die primair getypeerd kan worden als een streven naar autonomie door het stellen van eigen regels, eigen wetten.
Op die wijze wil de mens zijn waarde bewijzen. Van die mondige wereld, waar ook Bonhoeffer over schreef, kan gezegd worden dat het die wereld is waar God tot aan de rand wordt teruggedreven.
Want daar is de mens degene die verklaart, die zelf de teugels in handen neemt en die in staat is datgene, wat voorheen als onverklaarbaar wonder werd aangeduid, zelf tot de kennis van elementaire natuurlijke verschijnselen terug te brengen. God lijkt alleen nog maar aan de rand te verschijnen. Als Iemand die goed is voor het persoonlijke leven, maar die niet meer problemen kan oplossen.
Het vermenigvuldigingsproces voortkomend uit de menselijke autonomie ontwikkelt zijn eigen dynamiek. De drang naar expansie en het ten uitvoer leggen daarvan gaat steeds maar door. Als het vermenigvuldigingsproces eenmaal volop aan de gang is, lijkt het zijn eigen weg te gaan en nauwelijks meer te stoppen. Het proces krijgt een autonoom karakter en gaat in de samenleving een vooraanstaande rol spelen. Het lijkt erop dat het autonome karakter van de mens leidt tot een autonoom vermenigvuldigingsproces.
En zoals de autonome mens zich afsluit voor regels en wetten van buitenaf, zo lijkt dat ook op te gaan voor het vermenigvuldigingsproces, dat eerder dicteert wat er wel en niet in een samenleving gebeurt, dan dat het openstaat voor bijsturing vanuit de samenleving. Zowel de autonome mens als het autonome vermenigvuldigingsproces worden gekarakteriseerd door geslotenheid.
En dan is de vraag: hoe kunnen we nou in dat wereldbeeld God weer in zicht krijgen? Als moderne mondige mensen? Dat lukt niet. Het lijkt alsof de mondigheid die gebaseerd is op de autonomie van de mens, het bestaan van God midden in die wereld uitsluit.
Dat kan echter niet waar zijn voor de ware, de echte mondigheid. Want dan zou het Evangelie een gekortwiekt Evangelie zijn. Het zou dan moeten ophouden op het moment dat de menselijke mondigheid begint. Alsof pas wanneer de mens onmondig wordt, God op het toneel mag verschijnen.
Delen
Tegenover de wereld die gekenmerkt wordt door expansie als exponent van de mondige, autonome, westerse mens staat het bijbelse wereldbeeld, dat gebaseerd is op het delen. Dat komt bijvoorbeeld naar voren in het delen van het land door Israël. Elke stam kreeg zijn aandeel toegewezen (Jozua 14:1-5). Een ander voorbeeld is het manna, waarvan wordt gezegd dat het voor allen bestemd is en dat allen daarin moeten delen (Exodus 16:4 en 16-18). De vermenigvuldiging van de vijf broden en de twee vissen (Johannes 6:1-15). Jezus krijgt de broden en vissen van de jongen. Die jongen heeft de bereidheid om te delen.
Jezus vraagt ook als het ware die bereidheid als vooronderstelling. Pas dan is het vermenigvuldigen mogelijk.
Ook de maaltijd van de Heer is een maaltijd die in het teken staat van het delen. Het bijbelse delen kan staan voor een type economie dat niet in het teken staat van het eindeloos vergroten van de middelen. Er zijn economieën geweest, en ten dele zijn die er nu nog, die zo hebben gewerkt. De stameconomie in Afrika bijvoorbeeld.
In dit type economie hebben de mensen de bereidheid om beschikbare goederen met anderen te delen, zonder dat daar op hetzelfde moment een tegenprestatie tegenover staat. Die tegenprestatie wordt op een later moment geleverd, wanneer de voor die tegenprestatie noodzakelijke middelen beschikbaar zijn. Belangrijke voorwaarde hierbij is het aanwezige onderlinge vertrouwen dat de tegenprestatie inderdaad op enig moment geleverd zal worden. Ook in het oude Israël waren de elementen aanwezig van het delen van de opbrengsten van het land, het leggen van de opbrengst in de poort. Dat heeft zijn betekenis voor de economie.
Is de vermenigvuldiging in de moderne westerse wereld gebaseerd op menselijke autonomie en machtsdenken, het bijbelse delen komt uit geheel andere wortels voort. In het bijbelse wereldbeeld staat God in het centrum.
Er is geen sprake van menselijke autonomie. De mens heeft juist een sterk besef van afhankelijkheid van God. Machtsdenken speelt geen rol, maar dienen is de norm. De mens is in dit wereldbeeld gericht op God en op het welzijn van de naaste. ”... zoekt eerst zijn Koninkrijk en zijn gerechtigheid ...” (Matteüs 6:33)
Vermenigvuldigen om te delen?
Met het bovenstaande is een scherp contrast getekend tussen de moderne westerse wereld en de bijbelse wereld.
Maar is met het schetsen van deze tegenstelling een niveau bereikt waarop de gezochte verbinding tussen die twee werelden gelegd kan worden?
Kan volstaan worden met te zeggen: die wereld moet weer terug van vermenigvuldigingseconomie naar een economie van het delen? Dat zal op een bepaalde wijze wel waar zijn, maar hoe wordt dat overtuigend? Er kan bijvoorbeeld als tegenargument naar voren gebracht worden: is dat vermenigvuldigen van middelen in onze tijd juist niet nodig om aan delen te kunnen toekomen? Hoe zou zonder een voortgaande groei van de productie een verzorgingsstaat in stand moeten worden gehouden? Hoe zou het mogelijk zijn om ontwikkelingshulp te geven, wanneer niet eerst de mogelijkheden daartoe zijn ontstaan door een groei van onze eigen economie?
Het is blijkbaar nodig om dóór te vragen en zo de analyse te verplaatsen naar een dieperliggend niveau. In het volgende artikel wordt hier verder op ingegaan.
Noten
1 Deze artikelenserie is een aanvulling en bewerking van de lezing ”Vermenigvuldigen of delen?” die prof. dr B.
Goudzwaard in 1994 heeft gehouden bij l’Abri in Eck en Wiel.
2 Dietrich Bonhoeffer, Verzet en Overgave, Ten Have, 1968, p. 105.
(Drs. Jan Smit - 40 jr - heeft bedrijfskunde en economie gestudeerd en bekleedt een financiële functie bij KPN-Telecom.)