Binding aan de belijdenis

1999-02-05
  • Jaargang 43
  • nummer 3
In het Nederlands Dagblad (toch ook een beetje ons clubblad) van 31 december 1998 las ik een artikel met als kop ’Het liep vast op de binding aan de belijdenis’.
Drie predikanten, een Christelijk Gereformeerde, een Vrijgemaakt Gereformeerde en een Nederlands Gereformeerde, maakten de voorlopige balans op van falende pogingen tot samenspreken.
Hun krantengesprek was een herhaling van zetten, een echt vastlopend gesprek. Mij bekruipt zo onderhand het gevoel dat je op de manier van het ND-artikel niet meer over de belijdenis kunt spreken. Hebben we het trouwens ooit weleens anders gedaan? Het kan en mag anders, denk ik.

Belijden – iedereen is nodig
Toen de kerk nog jong was, leefde de kerkvader Origenes (185-253). De tijden waren bar: nauwelijks waren de vervolgingen achter de rug of de intellectuele bestrijders van het evangelie dienden zich aan. Eén van de eersten die de christelijke leer onderuit wilde halen, was de filosoof Celsus. Tegenover hem verdedigde Origenes de boodschap van Christus. Celsus had al zijn grieven tegen de leer in een pittig boek neergelegd en Origenes beantwoordde al die bezwaren in zijn geschrift ’Contra Celsum’.
Dat werd een werkstuk vol intellectuele hoogstandjes, want de beide heren waren scherpzinnige denkers.
Maar Origenes was behalve dat ook een christen in hart en nieren. Midden in een hoofdstuk (I, 2) vol intellectueel gekrakeel schrijft hij: „Op deze plaats moet ik nadrukkelijk zeggen dat er voor ons geloof een bewijs is, dat alleen bij het geloof past en dat veel meer waard is dan al dat intellectuele gedoe. Dit hogere bewijs noemt Paulus het ’betoon van geest en kracht’ (1 Kor. 2: 4).” Met deze opmerking wijst Origenes erop dat het wezenlijke niet gezegd kan worden in de taal van het verstand, maar in een andere taal, de taal van ’geest en kracht’.
De oude kerk is dan ook in díe taal het gesprek begonnen over wie God was, wat de betekenis van Christus en de Heilige Geest was en hoe we over de kerk moeten denken. De eerste eeuwen van de kerk hebben veel drukte gekend over deze belangrijke vragen. Geen wonder natuurlijk, want het evangelie was nu eenmaal een vreemde eend in de antieke bijt. Aanvankelijk snapte niemand precies hoe het allemaal zat, het christendom was een nieuw verschijnsel in de Griekse wereld en het moest nodig duidelijk uitgelegd worden. Maar in al die theologische discussies ging het er niet allereerst om wie het slimst vragen kon oplossen. Die kant zat er natuurlijk ook aan. Maar in de kerk was het vooral belangrijk wat iemands woorden en redeneringen betekenden in zijn of haar leven en in dat van de kerk, of het geestelijke en dus kerk-bouwende taal was. Je kon wel een slimme theoloog of een handige prater zijn, maar daarmee was je in de oude kerk nog beslist geen gelovige in hart en nieren.
In de oude belijdenissen werd de taal van het hart en niet zozeer die van de logica gesproken.
Ik vind de woorden van Origenes ontroerend en stimulerend vanwege hun nederigheid en broederlijkheid. De vraag ’Wat betekent Christus voor je’ kun je aan een kind stellen. Als je mocht denken dat de christelijke leer alleen weggelegd is voor grote geesten en knappe koppen, dan zet Origenes dat even recht. Als je zijn uitspraak leest, vallen er zomaar 18 eeuwen weg en voel je de hand van een broeder op je schouder. Zijn uitspraak roept herkenning en instemming op. Hij is mij althans uit het hart gegrepen, ik ’vat hem’ en dat heeft iets te maken met ’belijden’.

’Ieder spreke met mij in zijn hart’
’Belijden’ doet de kerk nog altijd. Als de dominee in de middagdienst de geloofsbelijdenis ter sprake brengt, zegt hij: „Ieder spreke met mij in zijn hart...”.
Merkwaardige woorden zijn dat eigenlijk bij nader inzien. Tegen wie zeg je zoiets? Ik kan me niet voorstellen dat je met deze woorden de groenteman aanspreekt.
Of de postbode. En wie kan jou oproepen om iets in je hart te zeggen?
U voelt wel: met dit zinnetje is iets aan de hand. Waarom is dat zinnetje nou zo apart? Ik denk doordat het woord ’hart’ erin voorkomt. Je kunt nog wel tegen iemand zeggen: ’Spreek mij na’. Tegen je kinderen of tegen mensen die je goed kent. Maar ’in je hart’ – dàt zeg je niet zomaar en zeker niet tegen de eerste de beste.
Als iemand zegt ’Spreek met mij in uw hart’ dan zou de eerste vraag kunnen zijn: Kan ik dat eigenlijk wel? Ik denk dat die vraag in onze tijd gesteld moet worden: ’Kun je nog spreken met je hart?’. Die vraag moet u dan niet allereerst in de kritische zin opvatten, maar in een bezinnende context. Kennen wij de taal van het hart eigenlijk nog wel?
In onze moderne wereld spreken we allerlei talen: de taal van de economie, de taal van de politiek, de taal van auto’s, mobiele telefoon, e-mail en wat niet al. Maar hoe zit het met de taal en de rede van het hart?

Belijden: meerstemmig instemmen
Je kúnt dus in moeilijkheden komen als de dominee zegt: ’Spreek met mij in uw hart’. Heb je dat eigenlijk wel geleerd?
Toegespitst op de belijdenis: Hoe doe ik dat – spreken en belijden met mijn hart? Is die uitdrukking een vorm van ouderwets (en dus: hol) taalgebruik en zou die dan dus vervangen moeten worden? Of is de uitdrukking nog steeds bruikbaar en verstaanbaar? Zeggen we dat in het jaar 2000 nog tegen elkaar: ’Spreek met mij in uw hart’? En wat bedoelen we daarmee?
Als je iemand iets hoort zeggen wat je zelf ook al regelmatig bedacht hebt dan zeg je: ’Dat is me nou uit het hart gegrepen’. Zoiets heb ik met het fragment van Origenes en eigenlijk ook steeds op zondagmiddag als de dominee de belijdenis voorleest. Als hij zegt: ’Ik geloof ...’ dan begint het: de woorden van het geloof worden – opnieuw – in je hart en in je mond gelegd. Er komen woorden tot je die tot jouw hart en tot dat van de anderen gericht zijn. Bij die woorden voelen jij en de anderen om je heen in de kerk zich thuis en gerust.
Het is taal naar ons hart. Als Origenes spreekt over het betoon van geest en kracht dan wijst hij naar die ’laag’ in ons leven.
Niet alle woorden komen uit je hart.
Ook niet alle woorden blijven daarin achter. Sommige woorden gaan eraan voorbij, sommige komen er hard in aan.
Sommige woorden willen er nooit meer uit weg. Ieder mens heeft van die woorden die hij altijd met zich omdraagt, je ’bewaart’ ze in je hart. Het kan ook gebeuren dat je lange tijd probeert woorden voor iets te vinden dat belangrijk voor je is. Als dan iemand zomaar en schijnbaar moeiteloos de juiste en rake woorden zegt die precies datgene treffen wat jij altijd maar mist, dan geeft dat opluchting. ’Dat is raak gezegd’ verzucht je dan. In die categorie vallen voor mij de woorden van de belijdenis.
Het gebeuren van de belijdenis in de kerkdienst is een spel van voor(t)zeggen en naspreken. Iemand begint met het uitspreken en degene die het hoort, wil en kan niet anders dan instemmen.
Dat woord ’instemmen’ neem ik letterlijk: in het gebeuren van de belijdenis mengen zich ook uw en mijn stem.
Belijden is naar zijn aard meer-stemmig.
Met de aloude belijdenis stem je in, niet omdat iemand dat van je vraagt, maar omdat de woorden zich aan jou geven.
Je stemt niet gedachteloos in met de belijdenis, daar ben je met hoofd en hart en handen bij betrokken. Het zijn verlossende woorden, woorden die jou een weg wijzen, die de dingen in een leefbaar licht zetten voor je. Woorden die je dankbaar meeneemt het leven in.
Het is niet zo dat ik grijp naar die woorden, maar die woorden geven zich aan u en mij. Met die woorden zijn wij geholpen, we zitten er steeds weer verlegen om.

Taal uit een andere wereld
Als er boven het ND-artikel staat ’Het liep vast op de binding aan de belijdenis’, dan is dat voor mij taal uit een andere wereld. Natuurlijk snap ik best wat er bedoeld wordt, maar toch is die zin vreemd voor me. Want hoe moet ik dat combineren: de taal van de belijdenis die in ons hart thuishoort aan de ene kant en het contractuele en tactische gemanoeuvreer van de drie heren in het genoemde artikel aan de andere kant? Dat zijn twee werelden.
Weet u, één ding is me in dat artikel pijnlijk opgevallen. Op een terloopse opmerking van één van de gesprekspartners na heeft niemand de naam van Christus genoemd. Dat vind ik een veeg teken. Terwijl Hij en allen die Hem onvergankelijk liefhebben ons juist tot belijden brengen. Het ND-gesprek was een herhaling van zetten, echt een vastlopend gesprek. Want het ging over niets, omdat Hij niet ter sprake kwam.
Hoe zouden de heren trouwens uit elkaar gegaan zijn na het gesprek?
Mij bekruipt zo onderhand het gevoel dat je op de manier van het ND-artikel niet meer over de belijdenis kunt spreken.
In dat artikel kwam de belijdenis naar voren als een soort contract, als een inzet van onderhandeling. Nee, dat zeg ik niet goed. In de verschillende kerkgenootschappen ligt om de belijdenis heen een cordon afgeleide uitspraken en die vormen samen een (vergeeft u mij de uitdrukking) prudentie. ’Prudentia’ is het latijnse woord voor verstand van zaken, inzicht en levenservaring, ’wijsheid’. Net zoals je in de rechtspraak om de wetgeving heen een arsenaal aan juridische ervaring – jurisprudentie – hebt, zo is rond de belijdenis ook een ’confessio-prudentie’ ontstaan. In kranten, tijdschriften, boeken en in de onderlinge omgang.
In het kerkelijk leven is die prudentie feitelijk van groot belang. De ervaring van jarenlange kerkelijke praktijk is daarin neergeslagen. Je kunt erin zien hoe een bepaald kerkgenootschap de belijdenis hanteert. De kritieke vraag is hoe de prudentie en de belijdenis zich tot elkaar verhouden: staan ze los van elkaar of is de afstand tussen die beide (te) klein?
En wat zit daar tussenin? In sommige kerkelijke gemeenschappen gaat men er prat op dat alles in het kerkelijk leven evident en via één korte, rechte lijn afgeleid is uit de belijdenis. In andere laat men zich ogenschijnlijk weinig gelegen liggen aan de belijdenis. In feite ligt de identiteit van een kerkgenootschap meestal niet direct in, maar rónd de belijdenis in de confessio-prudentie.
Identiteit is een vorm van omgaan met de belijdenis.

Belijden aan banden
Met al dat gepraat over ’binding aan de belijdenis’ wordt het belijden aan banden gelegd, vind ik. Wie geleerd heeft met de kerk van alle tijden en plaatsen echt te belijden, krijgt van dat geredeneer geestelijk ademnood. Redeneren leidt tot dwingende en dus bindende conclusies. Redeneren gehoorzaamt geen andere wetten dan die van de logica. Belijden is wat anders: het is onder het regime van de Geest proberen je af te stemmen op en in te stemmen met wat je hart en je bestaan aangeraakt heeft. Afleiding is geen inspiratie.
Gebonden zijn is onvrij, instemmen is vrij. Binding voert tot koekoek één zang, instemming tot meerstemmigheid.
In het ND-artikel waart een geest rond van ’Modern belijden is fout; je moet belijden zoals het altijd gedaan is en zoals wij het doen’. De Nederlands Gereformeerde gesprekspartner kwam er – als altijd – uit als de kwaaie pier.
De twee andere gesprekspartners wekten de indruk dat elk modern en actueel belijden overbodig is of schadelijk. Maar de authentieke belijdenis kent een beweging van rijkdom, van uitwaaiering, het maakt christelijk spreken en getuigen mógelijk. Ook wel hachelijk en riskant soms, maar het evangelie stimuleert en vráágt om actualisering. Anders is het immers dood kapitaal, diep verborgen in de grond. Het vraagt erom juist niet naar elkaar te kijken, maar naar ons aller Heer. Het vraagt erom de bevangenheid in de eigen verstarde status quo te laten varen. Het vraagt erom tot de anderen en met hen te gaan. In het artikel waren heren aan het woord, kerkelijke baasjes, die het belijden ernstig bemoeilijken.

Vooronderstellingen
Het wordt tijd om een paar spaden dieper te gaan. Welke vooronderstellingen liggen ten grondslag aan het schermen met ’binding aan de belijdenis’? Ik denk dat onopgemerkte politieke en demagogische strategieën met de blik op het verleden daarin de dienst uitmaken. Het is immers duidelijk dat op het punt van ’de binding’ de wegen uiteengaan, op dat punt wordt de ’eigen identiteit’ duidelijk.
’Mijn binding is hoger dan uw binding’.
Zoiets. De beste binding – zagen we zojuist – is die, welke naadloos aansluit op ’de belijdenis’. Als er geen speld tussen te krijgen is. Er is niets op je aan te merken als je binding aan ’de belijdenis’ zo nauw is, dat niet meer te horen is of jij spreekt of ’de belijdenis’. Dan zit je namelijk altijd goed. Dat is geen ’trouw’ aan de belijdenis, maar identificatie met de belijdenis. Je enige zorg is dan de identificatie, je identiteit. Dat is een politiek motief. Hier is een afbindend mechanisme aan het werk: hoe nauwer je je identificeert met ’de belijdenis’, hoe meer recht van spreken je zelf krijgt en hoe minder bijgevolg ’de anderen’.
Jij zegt immers hetzelfde als ’de belijdenis’ en dus kun jij uitmaken wat de belijdenis ’eigenlijk’ zegt.
Je zit altijd aan de veilige kant, omdat je niets eigens zegt. Je zegt altijd iets dat strak en eenduidig is afgeleid uit ’de belijdenis’. Daarmee laat je dus altijd ’de belijdenis’ voor je en door je spreken.
Geleidelijk krijgt jouw spreken hetzelfde gezag als dat van ’de belijdenis’, omdat je hetzelfde zegt. Je verandert in een ’meeprater’. De grenzen vervagen.
Bovendien geraak je – ongewild? – in de positie van waaruit je kunt beoordelen hoe het met de binding van de anderen aan ’de belijdenis’ zit. Immers, tussen jouw woorden en die van ’de belijdenis’ zit niets! Jouw binding is direct en transparant, die van de anderen gaat via ’omwegen’. De ander die zich niet zoals jij identificeert, schiet daarmee automatisch te kort en zal nimmer van hetzelfde geestelijke postuur zijn als jijzelf. Jouw identificatie, jouw glasheldere binding is norm en voorbeeld.
Elke eigen inbreng in het spreken vanuit de belijdenis wordt automatisch opgevat als een vertroebeling of een afwijking van ’de belijdenis’. (Ik zeg ’automatisch’, omdat hier een autonoom mechanisme aan het werk is). Want inbreng van iets eigens is hier het tegendeel van identificatie.
Het is daarom geraden dat spreken af te wijzen ten gunste van letterlijke binding. Dat laatste is altijd ’veiliger’.
Van het eigene kán immers altijd gevreesd worden dat het niet strookt met ’de belijdenis’. Al het eigene wordt hier verdacht, potentiëel kwaad. Het tornt aan de identificatie. Wie met iets eigens aankomt, kán niet anders dan onontvankelijk verklaard worden. Wie er ook bij wil horen, moet zich eveneens conformeren en identificeren. Het eigene moet geofferd worden, wil je aanvaard worden. Tegenover zulke overweldigende en intimiderende onaantastbaarheid kunnen derden zich alleen maar hulpeloos en schuldig voelen.
Wie wèl binnen een kring van een aanvaarde binding leeft, zal aan de voorgangers aflezen wat de juiste omgang met en toepassing van ’de belijdenis’ is.
Zij immers vertonen de ideale vorm daarvan. Elk lid van de kring kan zijn echtheid tonen door zich zo nauw mogelijk bij hen aan te sluiten. Eenvormigheid wordt tot een verplichting en er ontstaat een beschermende en beschermde groep. Dat is een demagogisch motief. Alles wat iemand binnen de groep kan onderscheiden van de anderen wordt terzijde gezet. Het subjectieve wordt dus verbannen. Ze gaan allemaal dezelfde dingen op dezelfde manier zeggen. Het wordt zaak net zo te worden als de anderen en als puntje bij paaltje komt allemaal samen te gaan lijken op de voormannen, wier zeggingskracht niet te onderscheiden is van ’de belijdenis’. En het geeft nou eenmaal rust en zelfrespect en bevestiging als je weet dat je het ’goede’ deel hebt gekozen.
Ik haast me te zeggen dat ik het ieders goed recht vind om zekerheid te zoeken in de belijdenis van Christus. Ook ik leef in verbondenheid aan Hem en op die wijze: vrij. Maar verbondenheid mag nooit ontaarden in een binding die zo strak is, dat je niks actueels en eigens meer durft te zeggen. Als je met zo’n binding je zekerheid verwerft, zijn de kosten te hoog.

Hoe anders?
Het enig mogelijke belijden is een antwoordend interpreteren, steeds weer opnieuw en desnoods steeds overnieuw.
De belijdenis interpreteren is: weten op welke vragen de belijdenis het antwoord is. Belijden is het in je leven toelaten van die vragen, het dankbaar gedenken van de reeds gegeven antwoorden en vervolgens in je eigen taal en vanuit je eigen betrokkenheid op het Evangelie óók een antwoord laten horen, uitspreken in je hart en met je mond. Want misschien zijn er intussen wel nieuwe vragen bijgekomen en oude weggevallen. Oude antwoorden kún je niet kopiëren, je mag zelf een antwoord geven in je eigen situatie. Met alle risico’s van dwalen en dolen. Ook dat leren de feiten.
Tijd voor bezinning dus. Zet de kerkelijke erfenis, die als een schil om de belijdenis zit, nou maar eens even aan de kant. Laat je geestelijke oren uitspuiten.
Ga met elkaar opnieuw luisteren naar de enige stem die het in de kerk voor het zeggen had en heeft en altijd zal hebben: de goede herder. Hij brengt ons weer ’te kooi’, zoals Lied 13A zegt, thuis en bij elkaar. Leer samen – met en vooral vàn elkaar – nieuw en opnieuw belijden! Kun je nog spreken met je hart? Spreek dan mee.

(Bart Starreveld (1956) is belijdend lid van de Nederlands Gereformeerde gemeenschap van Barneveld/Voorthuizen)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief