Meest hoopvol in ’99
1999-02-05
Het was op nieuwjaarsdag dat ik het ND van 31 december 1998 las. De woorden ’minsten meest hoopvol’ waren prikkelend genoeg om er even bij stil te staan. Van ’vrijgemaakte’ afkomst (met zelfs een CG opa), blijf je toch geïnteresseerd in wat daar gebeurt. De krant gaf een ’tour d’ horizon’, over een wat breder kerkelijk terrein met meningen van ’kerkleiders’ die zich vooral met zichzelf of hun eigen ’club’ bezighielden.- Jaargang 43
- nummer 3
Eén was er gelukkig (Biewenga), die uitdrukking gaf aan wat ’gewone’ gelovigen bezighoudt, namelijk dat het ze weinig interesseert waar de leidende figuren zich druk over maken. Een ander ’highlight’ was de Pinsterbroeder (Sleebos) die zijn zorg ventileerde over de bestedingen van vele kerken en zijn vreugde over de EO jongerendagen.
Verderop in de bijlage, het interview met de predikanten Hendriks, Schaeffer en Westerink. Dit artikel was voor mij het minst hoopvolle artikel van ’98.
Het was wél verhelderend. Voor iemand die het klein-vaderlandse kerkelijke geruzie op de vierkante millimeter reeds lang meer dan beu is, is het niettemin nuttig om af en toe een ’samenvatting’ als deze te lezen en dan te ontdekken dat de geestelijke elite gewoon doorgaat met het verstrooien van de kudde in plaats van ze te vergaderen.
Even voor de beeldvorming: we zijn van oorsprong ’vrijgemaakt’. In de jaren ’70 werden we gedwongen die kerk te verlaten omdat we weigerden ons in de USA (om uitsluitend administratieve redenen) bij een zgn. zusterkerk, die zo’n 2000 km verderop lag, aan te sluiten. We kozen voor een Christian Reformed Church ter plaatse.
Na terugkeer in Nederland werd het ’natuurlijk’ niet weer de GKV maar de op dat moment (begin jaren ’80) frisse, open, zelfs een beetje ’evangelische’ NGK. Een aantal jaren later gingen we weer in het buitenland wonen, en vonden een thuis in een (overwegend Amerikaanse) gemeente met plaats voor presbyterianen, baptisten, anglicanen, enz., en dus ook voor ’ons’..
Wat voor Hendriks een ’nachtmerrie’ is, was voor ons een mooie droom; „een evangelische kerk waar iedereen zich thuis voelt” (cit). Een plaats waar je werd bepaald bij de essenties van het geloof. Bij de kern van het gemeente zijn. Zo moest het zijn. Zo was het ooit bedoeld. Geen ’taaie’ belijdenis-geschriften, die, voor een deel gedateerde documenten die veelal antwoord geven op vragen die niet meer worden gesteld. ’Slechts’ het Woord bleek voldoende. Het ging om de belangrijke heilsmomenten die binden en juist niet om de theologische en dogmatische verschillen die scheiden.
Het ging over ellende, verlossing en dankbaarheid. Maar eindelijk bleven we eens niet ’steken’ in de ellende en de verlossing, maar was er ruim plaats voor de dankbaarheid.
Als je meerdere keren voor langere tijd buiten Nederland verblijft, daarnaast tamelijk veel reist en vele kerken ter plaatse bezoekt, is het beschamend en verdrietig om te zien waar de ’leiders’ zich hier te lande mee bezighouden.
Dan kan het je gebeuren dat je je meer thuis voelt in een baptisten kerk in Moskou waar je vrijwel geen woord Russisch van meekrijgt, maar toch alles ’verstaat’, dan in de kerk van je eigen afkomst, waar je elk woord begrijpt, vaak zelfs de volgende zin al zelf kunt bedenken nog voordat die uitgesproken is. Dan kan een piëtistisch of opwekkingslied in een ’evangelical’ kerk veel beter bij woord en leven passen dan een vaak zeer gekunsteld bij de preek gezochte psalm.
Maar in ’klein gereformeerd’ Nederland permitteren we ons nog immer de luxe van het debat over zoiets als de ’toeëigening des heils’ (vraag de gemiddelde jongere eens waar de kreet überhaupt op slaat), over de vrouw in het ambt, over wel-of-niet liedboek, over kinderen aan het avondmaal, over de tucht ten aanzien van predikanten die af en toe eens een ’gewaagde’ stelling aandurven.
Over zulke dingen schrijven we kranten en kerkbodes vol. Verder besteden we miljoenen aan kerkgebouwen en tonnen aan orgels. Ondertussen stromen de ’traditionele’ kerken leeg, of vertonen ze geen échte groei (ook niet die van deze drie broeders). De opdracht tot eenheid in Zijn Naam wordt de facto slechts met de mond beleden.
Jaren geleden, we studeerden allebei nog, had ik eens een gesprek met Johan Schaeffer. Hij was toen al ’buiten verband’ geraakt, ik was er nog ’binnen’. We hadden beiden de hoop dat er ooit een tijd zou komen dat ook de GKV naar ’buiten zou gaan kijken’ en niet steeds naar de eigen navel zou staren. En dat kon toch niet lang meer duren, dachten wij... Dat gesprek is zo’n 30 jaar geleden. Die hoop is ijdel gebleken. Althans bij de ’Hendriksen’.
Gelukkig lees ik ook wel eens bemoedigende verhalen van mensen als Kamsteeg en van predikanten die willen leren van ’Willow Creek’. Maar een radicale doorbraak naar ’buiten’ is er nog steeds niet. Ik herinner me de nachtelijke gesprekken tussen m’n vader en grootvader over de verschillen tussen C- en V-gereformeerden.
Dat moet zo’n 50 jaar geleden zijn.
Wat is er intussen bij de C-Gereformeerden gebeurd?
De twee grijze eminente C- en Vgereformeerde predikanten weten het tegenover Schaeffer (nog steeds) allemaal heel goed te vertellen, zijn ze het zelfs aardig met elkaar eens en Schaeffer zit (nog steeds) in de verdediging.
Ik bewonder br Schaeffer om zijn geduld, maar het is zonde van zijn ’paarlen’.
Inmiddels dreigt de NGK zelf ook een ’échte’ kerk te worden, (overigens gedwongen door de anderen). Compleet met eigen opleiding en eigen leiders.
Ds Mudde heeft gelijk als hij schrijft dat de kerk een ’tent’ hoort te zijn. Een tent heeft namelijk geen drempels, het lekt er wel eens, je zit allemaal op de grond en af en toe behoorlijk op de tocht. Maar als je dicht tegen elkaar aan kruipt is het wél warm.
Een tent kun je makkelijk verplaatsen, is een stuk goedkoper en een keyboard is voldoende om de gemeente te begeleiden. Als anderen zich in miljoenen kostende ’tempels’, compleet met ’eredienst’ beter thuis voelen, het zij zo, wij prefereren onderweg te zijn, desnoods ’kamperen’ in de woestijn.
En die 40.000 ’EO jongeren’ gaan wel naar de ArenA, die ’sporttent’ in Amsterdam.
Helaas moeten ze het verder vaak zelf maar uitzoeken, noodgedwongen in hun ’één-persoons tentje’. Van het beklimmen van de tempeltrappen krijg je alleen maar kapotte knieën en het schiet niet op.
Terug in Nederland voelen we ons kerkelijk ’zonder vaste woon- of verblijfplaats’.
Ja, ’traditiegetrouw’ zijn we (weer) NG geworden. Je voelt je min of meer ’verplicht’, ook al is het onpraktisch, zo’n streek-gemeente, een eind rijden.
Soms ’kerken’ we ook in een baptisten-
gemeente waar de liederen en gezangen, die zo eigen zouden moeten zijn aan elke nieuwtestamentische gemeente, bij saxofoon, zanggroep en drumstel, tot eer van God weerklinken.
Op zondagmorgen kijken we soms naar de (o.a NBC) TV en horen zo de eerste preek waarbij vooral de toepassing van het Woord centraal staat en niet de theologische waarheidsvraag.
We zijn ’gastlid’ van een Engelse kerk omdat o.a. de ’hymns’ zo zeer tot het hart spreken. Geregeld bezoeken we de (NH) evangelisatie-kapel in ons eigen ’rooie’ dorp, de enige gemeente ter plaatse. Wat een zegen. En zo hebben we geleerd de ’Joden een Jood en de Grieken een Griek’ te zijn.
In al die gemeenten worden we aan de tafel des Heren genodigd. Wanneer we met onze GV familie naar de kerk gaan, of wanneer wij ’anderen’ meenemen naar onze gemeente, ligt dat even anders’. Straks hebben we gelukkig een eeuwigheid om dat goed te maken.
Mijn meest hoopvolle gedachten voor 1999 zijn dat de ArenA te klein zal zijn voor de EO, dat er steeds minder gelovigen wakker zullen liggen van de problemen van de kerkelijke leiders, en dat vele, ook C-, V- en N-Gereformeerde christenen, hun talenten, giften en gaven besteden aan échte geestelijke en materiële ’doelen’. Ik hoop dat er een nieuwe generatie geestelijke leiders opstaat, dat er een nieuw ’reveil’ komt, dat niet datgene wat scheidt ons langer bezighoudt maar dat wat bindt en dat bovenal ’klein gereformeerd’ als geheel enige relevantie krijgt voor ’hen die buiten zijn’.
Of moeten we met schaamte blijven bekennen dat de Samaritaan, de ’outsider’ er nog steeds meer van begrijpt dan de priester en de Leviet?
A.R. Mollema
(officier bij de Kon. Luchtmacht), Houtigehage (Friesl.)