Spinsels

1999-02-05
  • Jaargang 43
  • nummer 3
Familiebanden
Het is een ouder echtpaar, beiden grijs en wijs door wat het leven hun bracht.
Ik spreek ze eigenlijk te weinig, terwijl ik weet dat ze zoveel te melden en te geven hebben.
Op deze zondagmorgen na de dienst spreken ze mij aan. Ik heb waarschijnlijk een enigszins verbeten trek om de mond. Daarnet heb ik, direct na de avondmaalsviering mijn zoon van zijn stoel gesleurd en naar de garderobe gebracht. Ik begrijp best dat het voor een kind met een aan autisme verwante stoornis iets te veel van het goede is; Een andere dominee, een avondmaalsviering en dan ook nog een logeerpartij in het vooruitzicht.... Daar zou ieder kind wiebelig van worden, dus hij zeker. Maar hij overschrijdt alle grenzen, ook die hij best kent. Het toppunt is wel dat hij tijdens het rondgaan van de beker en het brood zit te klieren. En dat hij als wij weer naast hem schuiven ook nog om een snoepje vraagt. En dan boos worden als hij het niet krijgt!
Vandaar dat gesleur. Tussen de jassen van mijn broeders en zusters heb ik hem een preek gegeven die hij deemoedig in ontvangst nam. Mijn boosheid is aardig gezakt, maar nog niet mijn frustratie.
Of is het schaamte?
Die broeder en zuster begrijpen het wel, dat weet ik. Toch voel ik mij schuldig voor de storing die mijn kind veroorzaakte.
Hij zegt het niet erg te vinden, ze weten toch dat dit kind anders is dan anderen?
Ik schud mijn hoofd: „maar dat hij nu juist tijdens het avondmaal...” Zij haalt haar schouders op: „Hij is toch ook een van ons? Hij hoort erbij zoals hij is.” Ik kan niet zoveel zegen, mijn keel zit dicht. Maar soms begrijp je ineens heel goed wat het betekent broeders en zusters te hebben.

Guurtje Leguijt, Alphen aan den Rijn

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief