Oorlog in de kerkbanken

1999-02-05
  • Jaargang 43
  • nummer 3
De ondertitel van het boek ’Oorlog in de kerkbanken’ luidt: overlevingsgids bij conflicten in de geloofsgemeenschap.
Je denkt dan direct: dat moet toch niet nodig zijn in de kerk? Dat mensen – juist op een plek die geborgenheid zou moeten bieden – een overlevingsgids nodig hebben? Inderdaad: „Dit boek had eigenlijk niet nodig moeten zijn”, meldt de tekst op de omslag. „Maar het is wèl nodig, heel erg zelfs.”

In dit tweede deel over conflicten in de kerk gaan we nog iets verder in op het boek ’Oorlog in de kerkbanken’, van de hand van Frank Martin. Martin is, naast zijn baan als president van MBM Companies, altijd kerkelijk zeer actief geweest.

Neem rust!
Het tweede deel van het boek heet: een zes-stappen-plan om te overleven.
Martin constateert dat mensen tijdens een kerkelijk conflict vaak té zeer bij het onderwerp betrokken zijn (hij noemt in dit verband de term vrijwillige junkies). Daardoor missen ze de nodige distantie. Verwijzend naar het feit dat Jezus zich vaak terugtrok geeft ook Martin het advies: wat Christus van ons verlangt is stoppen, zitten en luisteren. Hij adviseert dan ook een rustperiode van een aantal dagen om uw hart en uw gedachten te bevrijden van boosheid, wrok en wrevel. Of iemand in een aantal dagen écht bevrijd wordt van zijn machteloosheid en woede is voor mij de vraag. Zelfs na 30 jaar Nederlands Gereformeerde kerken zitten veel gemeenteleden nog met gevoelens van boosheid ten opzichte van de vrijgemaakten. Enkele dagen time-out tijdens een kerkelijk conflict is wel een noodzakelijk begin in de richting van een oplossing.
Helaas wordt die tijd in het heetst van de kerkelijke strijd zelden genomen.

De leerstellingen van de kerk
Maar liefst 3 hoofdstukken besteedt Martin aan een aantal vragen die mensen die betrokken zijn bij een kelijk conflict voor zichzelf op een rijtje moeten zetten. De eerste vraag is: waarom hebt u zich aanvankelijk bij dit kerkgenootschap aangesloten? Soms sluiten mensen zich aan omdat het ergens zo gezellig is, of omdat de dominee zo indrukwekkend preekt. In het begin is dat heel aantrekkelijk, maar vind je er op den duur voldoende geestelijk voedsel? Sommige kerken zijn namelijk wel een kilometer lang en maar slechts een centimeter diep.
Een tweede punt dat de auteur aan de orde stelt zijn de wezenlijke opvattingen en leerstellingen van de kerkelijke gemeente. Wat vormt de kern van de boodschap? Veel kerken hebben allerlei tradities als waarheid aan de Bijbel toegevoegd. „Als kerken aan menselijke instellingen hetzelfde gewicht toe gaan kennen als aan Gods geboden, zit er iets goed mis” (63).
De derde vraagt luidt: kunnen de leerstellingen en praktijken van de kerkelijke gemeente de toets van Gods Woord doorstaan? Martin: „Ik ben ervan overtuigd dat God wil dat niet één van zijn kinderen bij een kerk betrokken is, die de waarheden van de Schrift verdraait of die tekort doet” (65).

Het leven binnen de kerkelijke gemeente
Na de leer van de kerk volgen vragen over de persoonlijke geloofsopbouw.
Groeit er binnen mijn kerkelijke gemeente voor mij een nauwere band met Christus? Groeien mijn kinderen binnen deze gemeente in geestelijk opzicht? Heb ik binnen deze gemeente vrienden die een positieve invloed op mij en mijn gezin hebben?
Daarna stelt Martin vragen over de visie en de doelstelling van de kerkelijke gemeente. Veel conflicten ontstaan omdat niet duidelijk is welke richting de kerkelijke gemeente uit gaat. „Een kerk kan niet tegelijk traditioneel en progressief zijn” (75). Als er geen lijn is uitgezet, gebeurt volgens de auteur het volgende: een gemeentelid komt met een idee, een paar maanden later komt een ander gemeentelid met een ander, min of meer strijdig idee. Beide ideeën worden aangenomen, beide plannen bloeden dood. Zet de visie van de kerk op papier, dan weet u in welke richting de kerkelijke gemeente denkt!, zo luidt het advies van Martin. Helder beleid kan inderdaad een aantal problemen voorkomen. Tegelijkertijd ben ik op dit punt aarzelend. De Nederlands Gereformeerde kerken bieden onderdak aan gemeenteleden van allerlei pluimage, van orthodox-gereformeerd tot evangelisch. Het gevaar van vastomlijnd beleid is dat sommige leden niet tot hun recht komen. De kerkgeschiedenis laat zien dat het op die manier ondersneeuwen van een deel van de gemeente juist de kans op kerkelijke conflicten vergroot. Met andere woorden: helder beleid is goed, mits dit beleid niet een deel van de gemeente uitsluit. Wie niet door Christus wordt uitgesloten, behoren wij in ons kerkelijke beleid ook niet uit te sluiten.
De auteur stelt ook vragen over leer en leven van de predikant(en) van de gemeente. Vervolgens komen de geestelijke gaven van het individuele gemeentelid aan de orde. Tenslotte worden er vragen gesteld met betrekking tot de dienst van de kerkelijke gemeente aan de wereld. Moedigt de kerkelijke gemeente zending en evangelisatie aan? Martin sluit daarbij nauw aan bij de gedachten van Willow Creek.

Profielschets
Het zijn geen onaardige vragen die Martin stelt. Iemand die veel moeite ervaart binnen zijn kerkelijke gemeente, zou deze vragen eens voor zichzelf moeten beantwoorden. Het kerkelijk samenleven wordt op deze manier in een breder kader geplaatst.
De vragen bieden de gelegenheid om even tot rust te komen, om met iets meer distantie naar de gemeente te kijken. „Ik heb inderdaad heel erg veel moeite met het zingen van opwekkingsliederen.
Maar als ik deze vragen beantwoord, zie ik....” Een kerkenraad zou, aan de hand van dezelfde vragen, het profiel van de kerkelijke gemeente kunnen verhelderen.
Op die manier zouden de sterke en de zwakke kanten concreter benoemd kunnen worden. Vervolgens zou er kunnen worden afgesproken welke prioriteiten er in de komende jaren gesteld moeten worden.
Aarzelend ben ik ten aanzien van de terminologie die Martin gebruikt. Hij heeft het voortdurend over leiders in de kerk en over effectief leiderschap.
Daar klinken mij teveel managementtermen in door. Stel je voor dat een hoorcommissie in onze kerken aan een lid van de kerkenraad zou vragen: „Is uw predikant een effectief leider?” Zoiets past niet bij de manier waarop we naar onze kerken kijken. Gegevens uit het management kun je niet zondermeer toepassen in de kerk; ook het jargon moet dus terughoudend worden gehanteerd.

Consumptiekerk
Achter deze kritiek op het boek ligt nog een ander bezwaar. Het centrale thema luidt: moet ik blijven, of moet ik weg gaan? Hoewel de auteur het antwoord op deze vragen koppelt aan diepere beweegredenen, moeten we in onze tijd bedacht zijn op een gevaar in deze vraagstelling. Wordt de vraag niet te individualistisch gesteld?
In de Verenigde Staten zijn veel groeigemeenten, waar de kerkgangers voor het overgrote deel bestaan uit gasten uit andere kerken. Ook in Nederland zien we deze tendens. Mensen gaan in de nieuwe woonplaats op zoek, maar ze sluiten zich maar moeizaam aan. Er ontstaat slechts binding, voor zover de kerkdienst past binnen de doelstelling van de bezoeker. Martin waarschuwt in het boek tegen deze tendens, maar dat gebeurt slechts in zeer beperkte mate („het laten vallen van de ene kerk voor de andere is een daad die we niet lichtvaardig of regelmatig kunnen doen”).
Een bijbelgetrouwe preek, een spannende eredienst, een leuke kindernevendienst: het is natuurlijk allemaal van belang. Maar houdt de bezoeker het – met deze houding – ook vol als de nieuwe predikant veel saaier blijkt te zijn, als de dienst opeens minder aantrekkelijk is? Of gaat hij dan weer op zoek naar een andere gemeente?
Dan komen we terecht in het gevaarlijke vaarwater van de consumptiekerk, een vorm van ongehuwd kerkelijk samenwonen.
Omgekeerd: zou het niet zo kunnen zijn dat – ondanks het feit dat een gemeente minder voldoet aan ’mijn’ verwachtingen – God mij toch juist in deze gemeente een plek wil geven?
Het kan zijn dat er in uw woonplaats veel aantrekkelijker gemeenten zijn.
En tóch wil God u juist hier gebruiken, tot opbouw van déze gemeente.
Met deze opmerking wil ik de individuele nood van gemeenteleden niet ontkennen.
Maar naast het individuele verhaal hoort ook het collectieve verhaal een plaats te krijgen: op welke plek wil God mij plaatsen tot heil van de gemeente?

Karakter(fouten)
Aan de rij van 14 vragen naar aanleiding van het thema blijven of weg gaan ontbreekt de vraag naar de eigen persoonlijkheid. In een later hoofdstuk besteedt de auteur (hoewel oppervlakkig) enige aandacht aan dit onderwerp. Wie overweegt de kerk te verlaten zou ook de vraag moeten stellen in hoeverre botsingen in de gemeente met het eigen karakter te maken hebben. Dat die vraag in dit rijtje ontbreekt, is overigens niet zo verwonderlijk.
De auteur is geen psycholoog en de vraag valt op zichzelf al moeilijk te beantwoorden. Echter: bij kerkelijke conflicten is vaak sprake van botsingen tussen karakters. Soms blijken personen elkaar nauwelijks te kunnen bereiken, omdat ze elkaar niet begrijpen. Het gedrag van de één lokt dan voortdurend een tegenreactie uit van de ander. Een 15e vraag zou in deze richting kunnen gaan. In hoeverre heeft mijn conflict binnen de kerk te maken met mijn eigen karakter(fouten)?
Dat is geen gemakkelijke opgave, omdat juist mensen met een ’moeilijk’ karakter ook vaak weinig inzicht hebben in de gevolgen van hun eigen gedrag voor de verhouding met anderen. Toch hoort ook dit thema in het rijtje thuis. Waarom zet ik steeds mijn stekels op als broeder X iets zegt? Waarom reageer ik zo allergisch op besluiten van de kerkenraad?
Waarom zie ik steeds weer negatieve kanten van mijn predikant? Waarom erger ik mij als predikant steeds weer aan broeder X? Dergelijke spanningen hebben vaak (mede) te maken met botsende karakters binnen de kerkelijke gemeente. Op den duur kunnen ze escaleren in een hoogoplopende ruzie. Kerkelijke conflicten – vroeger en nu – hebben meer te maken gehad met botsende karakters dan we geneigd zijn toe te geven. De leerstellige of kerkrechtelijke argumentatie functioneert dan min of meer als dekmantel die de eigen karakterfouten moet toedekken.

Oorzaken van conflicten
Aan het slot van het boek gaat Martin nogmaals in op de oorzaken van kerkelijke conflicten. Voor een deel is dit hoofdstuk een herhaling van datgene wat al eerder gezegd werd. De auteur noemt o.a. egoïsme, wetticisme, het van bijzaken hoofdzaken maken, roddels, misverstanden, onbelemmerde immoraliteit, concrete zonden in de gemeente, leerverschillen, strijd om ’de macht’. Hij wijst deze gevaren aan binnen de hedendaagse kerken, maar verwijst ook vaak naar de eerste christelijke gemeenten in het Nieuwe Testament.
In die bijna 2000 jaar is er niet veel veranderd....
Hoe kun je een vredestichter worden in je gemeente? Het eerste advies van Martin: Houd uw tong in toom! Een opvallend, maar zéér terecht advies.
Voor sommige gemeenteleden is het leven in de christelijke gemeente bijna onmogelijk geworden door de vele roddels die de ronde doen. Waar hebben we het over als we bij elkaar op bezoek zijn? Daarna gaat de auteur in op de wijsheid en op ons eigen karakter.
Uiteindelijk roept hij op tot gebed.
Klagen helpt niet, bidden wél....
Het laatste hoofdstuk heeft als titel: Vergeet de werkelijke vijand niet. „Terwijl we daar aan het ruzie maken waren, kon ik de Satan en zijn demonen bijna door de zaal zien dansen.” Oftewel: een gemeentevergadering die tot een speeltuin van de duivel geworden is. Een huiveringwekkend beeld, maar ik denk helaas dat het waar kan zijn....

Vredestichters
’Oorlog in de kerkbanken’ is een boek dat indruk maakt. Het houdt de lezer een spiegel voor: hoe is het met mijn eigen geloof, met mijn wijze van samenleven met andere christenen en met het functioneren van mijn gemeente gesteld? Het beantwoorden van de vragen die Martin stelt kan zeer confronterend zijn. Die confrontatie kan een heilzame verandering teweeg brengen. Waar zijn we nu eigenlijk mee bezig? Wat is de kern van ons christelijk leven? Die spiegel moeten we onszelf steeds voorhouden.
Het gaat immers niet om ons eigen gelijk. Niet wij hoeven te winnen, Christus moet overwinnen in ons leven en in dat van de gemeente.
Ondanks enkele punten van kritiek kan ik het boek daarom zeer aanbevelen.
De auteur eindigt zijn betoog met de vraag: ben ik als lid van de gemeente bereid om alles te doen om de vrede en de eenheid te bevorderen? Wat zou dat goed zijn, als we allemaal vredestichters zouden zijn, die als Gods kinderen bekend staan....

Naar aanleiding van: Frank Martin, Oorlog in de kerkbanken; Uitgeverij Barnabas, Heerenveen; 171 blz.; ƒ 32,50

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief