Bouwen op vaste grond

1998-03-20
  • Jaargang 42
  • nummer 6
Omgaan met de ervaring van het geloof, dat hebben we niet zo in huis. Althans, op de een of andere manier doet ieder dat zelf natuurlijk wel, maar we hebben moeite het met God en met elkaar te delen. Tegelijk is het wel erg nodig. God heeft er recht op en wij hebben er baat bij. Dat was de lijn van het vorige artikel.

Eerst ga ik nog even in op de baat, die wij er zelf bij hebben. Het is al meer dan eens geschreven: het is heel moeilijk, zo niet onmogelijk, om iets door te geven als de hoorders niet merken dat het een ervaren werkelijkheid voor je is.
Ik merk dat heel duidelijk in de omgang met mijn catechisanten. Ik kan drie keer over de kop stuiteren om ze de bijbelse leer over te brengen, maar het glijdt langs ze af als ze niet aan me merken: hij heeft het zelf ervaren, het werkt, het helpt. Vroeger was dat anders. Als ik met een mooi schema een deel van de bijbelse leer verduidelijkte, dan kreeg je discussie. Ze gingen er tegenin, niet eens omdat ze het er zo oneens mee waren, maar vooral om te testen of het verhaal valide was. Nu merk ik eerder dat ze het langs zich heen laten glijden; ze accepteren dat het mijn werk nu eenmaal is om te vinden dat dit de bijbelse leer is en ze zullen wel zien of ze er iets mee kunnen. Een voorbeeld: het is in deze tijd enorm belangrijk om jongeren te leren, hoe gevaarlijk de occulte wereld is. Dat ze niet mee moeten doen aan glaasje draaien, aan waarzeggerij en zo meer.
Als ik dat zo helder mogelijk breng, dan zullen ze het waarderen dat ik zo duidelijk ben, en vervolgens er net zo naïef mee om blijven gaan als ze al deden. Maar als ik iemand laat vertellen, die zelf zo naïef geweest is en daardoor de demonen in huis gehaald heeft (met alle gevolgen van dien), dan pas heb ik kans dat ze het als echt zuIlen beschouwen.

Waar bouw je op?
Ik zou meer voorbeelden kunnen noemen, maar laat ik aannemen dat het duidelijk is: eigenlijk valt vandaag alleen een ervaren werkelijkheid goed over te dragen. Wat overigens heel goed spoort met de bijbelse notie uit Deuteronomium 6:6v: 'Wat Ik u heden gebied, zal in uw hart zijn, gij zult het uw kinderen inprenten en daarover spreken, wanneer gij in uw huis zijt", enz. Daar is een onomkeerbare volgorde mee aangeduid. Het moet eerst in je eigen hart zijn, voordat je het je kinderen kunt inprenten.
Toch ligt hier ook een probleem. Want waar bouw je die overtuiging van je hart op? Laat ik zeggen: de overtuiging dat God je Vader is, dat Hij voor je zorgt en dat Hij om Christus' wil je zonden vergeeft? Bouw je dat op persoonlijke ervaringen met God, of op de beloften die we in de Bijbel vinden? Als je alles zet op de kaart van de ervaringen, dan heb je in wezen een wankele basis. Want, heus, het christelijk leven is niet altijd juichen en halleluja.
En als je in de narigheid zit, dan vallen allerlei mooie herinneringen daarbij in het niet. Dan denk je, dat je het je allemaal verbeeld hebt en je kunt vallen in een put zonder bodem. Gelukkig hebben we in Gods beloften die in de Bijbel staan een veel steviger basis, ja, de enige basis die je leven werkelijk dragen kan. Zoals we het zingen met Psalm 90: 'Wij mogen bouwen op de vaste grond van uw beloften en van uw verbond". Hoe weet ik, dat Christus ook voor mij gestorven is? Dat weet ik, omdat God het me beloofd heeft. Bij de doop verbond Hij mijn naam met de zijne. Daarin en in alles wat daarmee samenhangt ligt mijn zekerheid, waaraan ik me vast kan houden ook als ik het diepst in de put zit.

Belofte en vervulling
Dit laatste, lijkt me, is een vertrouwd geluid onder ons. En ik sta er ook met overtuiging achter. Maar waarom laten we het daar dan niet bij? Waarom moeten daar nog allerlei menselijke ervaringen bij, en vooral het spreken over die ervaringen? Wel, eerlijk is eerlijk: de aanleiding waarom je er nu zoveel over hoort is, dat de tijd erom vraagt. We stonden daar al uitvoerig bij stil. Uiteraard is dat niet beslissend: de tijd kan zoveel vragen, maar als het verkeerde vragen zijn dan moet je er niet op in gaan. Maar je kunt door de vragen van je eigen tijd ook bepaald worden bij hoofdlijnen uit de Bijbel die we dreigden te verwaarlozen. De grote Reformatie, waarbij we leerden om achter het gezag van de Kerk te vragen naar de bronnen in de Bijbel, die stond óók niet los van de geest van die tijd, maar dat maakt onze dankbaarheid er niet minder om. En dan is mijn indruk, dat het sterke punt van onze gereformeerde traditie, namelijk het bouwen op Gods beloften en op zijn verbond, ons intussen zó ingeprent is, dat het een schema dreigt te worden. De waarheid dat je op Gods beloften moet bouwen kan de ogen doen sluiten voor het feit, dat God op die basis ook iets bouwen wil.
Ooit (op 31-12-82) beschreef ik dit in Opbouw eens met twee voorbeelden uit de Bijbel. Aan de ene kant het voorbeeld van Abraham, die zijn zoon moest offeren op de berg Moria. Decennia lang had hij alleen Gods belofte gehad om zich aan vast te houden. Toen gaf God ook de vervuIling van die belofte, door de geboorte van zijn zoon Izaäk. En toen kwam dat ongehoorde, dat God hem vroeg om die zoon te offeren. Op dat moment bleek, dat de belofte voor Abraham nog zwaarder woog dan de vervulling ervan. "Hij, die de belofte aanvaard had, wilde zijn enig zoon offeren. Hij heeft overwogen, dat God bij machte was hem zelfs uit de doden op te wekken. En daaruit heeft hij hem ook bij wijze van spreken terug gekregen"
(Hebr. 11: 17v). Kijk, dat is sterk. Dat is zelfs machtig sterk en we mogen wel hopen en bidden om van die kracht Iets te kennen: bouwen op de belofte. Maar daarnaast staat het voorbeeld van koning Achaz, de sidderende koning van Juda. Hij was zó bang, dat de Here hem aanbood een teken te vragen. Maar Achaz weigerde, heel vroom zeggend: "Ik zal geen teken vragen, en de Here niet verzoeken,. En die houding, wat is die fnuikend: vrome woorden als masker voor praktisch ongeloof. Achaz was zo gepokt en gemazeld in het "belovende spreken van God", dat hij de vervulling niet nodig had. Hij had liever de zekerheid van een God waaraan hij twijfelde, dan de kans dat Hij onmachtig zou blijken.
Als van die houding bij ons iets is, dan is dat toch zonde en jammer. Ik bedoel dat letterlijk: zonde voor God en jammer voor ons. We missen zo ontzettend veel van wat God ons vandaag al gunt. En als onze ogen voor de vervulling van Gods beloften niet open zijn, dan doen we Hem tekort in dankbaarheid.

Een ladder naar de hemel
Ervaringen van het geloof: je kunt er je leven niet op bouwen, maar je kunt de hulp die God je ermee geeft gewoon niet missen. Op dat punt zijn we nu gekomen. Om die twee werkelijkheden op elkaar aan te sluiten leerde ik veel uit de geschiedenis van Jakob, die bij Bethel gekomen die prachtige droom krijgt van een ladder die tot in de hemel reikt. Het eerste wat ik eruit leerde is: laat je niet wijsmaken dat "ervaringen met God" iets is voor heel gevorderde gelovigen. Jakob zat niet aan de top, maar juist aan de grond als gelovige. Hij had alles verprutst en voor hem leek de hemel gesloten.
Toen kwam die droom van God: een ladder die tot in de hemel reikt en engelen Gods die op en neer gaan, met God zelf bovenaan. Je mag zeggen: hij kreeg daar van God de ervaring van een open hemel. Engelen die zijn verdriet en zijn. berouw omhoog brachten naar God en die Gods zegen omlaag brachten naar hem. Was dat iets bijzonders? Ja, het was een Godswonder dat hij op dat moment zo'n droom had. Tegelijk was het natuurlijk dat heel gewone, wat God hem altijd al gegund had: Ik ben bij je en Ik hoor naar je stem! En de stem van God, dat was wat zijn vader bij het afscheid nog tegen hem gezegd had: "God, de Almachtige, zegene u".
Zeg maar: het was de belofte waar hij altijd al uit had mogen leven. Maar soms is een mens zo diep gezonken, dat de Here er speciaal doorheen moet breken. En zo kwam Jakob tot die prachtige belijdenis: ''Waarlijk, de Here is aan deze plaats en ik heb het niet geweten". Het meeste leerzame aan het verhaal vond ik wat daarna volgt: dat Jakob een steen opricht als voortdurende herinnering aan deze ervaring. Als een monument. Zoiets heb je nodig om het vast te kunnen houden. Want er komen ook andere tijden; Jakob heeft ook wel anders gedroomd in al die jaren bij Laban. En God heeft hem later nog eens met zijn hele gezin langs gestuurd bij die steen, om het zich allemaal weer te herinneren.

Markeren
Welnu, wat richten wij voor stenen op? Hoe markeren wij ervaringen met God, de ervaring van een open hemel? Als je het niet markeert, gegarandeerd dat je het later weer kwijt raakt. Maar je kunt zo'n ervaring ook vastleggen, om er zelf later aan terug te denken en misschien om het te delen met anderen. In een brief aan God bijvoorbeeld, of een brief aan de gemeente? Wat zouden we elkaar daarmee kunnen bemoedigen. Ik bewaar, naast mijn eigen herinneringen, een aantal kostbare verhalen van mensen met wie ik omga. Over een droom, een genezing, een uitredding, een woord van God dat grote troost was. Zou het denkbeeldig zijn om te veronderstellen dat er heel wat mensen zijn, die ooit ook van God zo'n ervaring kregen van een open hemel, en die het nu vergeten zijn? Hoe delen we ervaringen met elkaar?
We krijgen toch niet van die Amerikaanse toestanden, met van die mensen die de meest intieme zaken op tafel gooien en die het doen lijken of geloof alleen maar succes meebrengt? Ik deel die zorg en ik ken tig voorbeelden die mij ook afschrikken.
Maar ik hoor anderzijds wel eens zeggen "het gaat niet om mensen, het gaat om het Woord" en dat vind ik 66k onzin. Het gaat God wèl om mensen en daarom klopt die tegenstelling niet. Voor mezelf ben ik een vruchtbare benadering gaan zoeken in de Psalmen, die immers zo'n prachtige collectie vormen van het antwoord dat wij mensen vanuit de praktijk mogen geven aan God. Wat een breed scala aan reacties op Gods handelen komen we erin tegen! We zien in elk geval een heel andere wereld dan van: ik geloof wel, maar geloven is privé en daarom praat ik er niet over. Een collega vertelde over een man die in de kerk zat mee te zingen "Gij die God vreest, ik zal u spreken van al wat aan mij is geschied". Z'n zoon zat ernaast en reageerde achteraf: "nou, pa, dat heb ik u nog nooit horen doen".

Breed en diep
lets anders wat je uit de Psalmen leert is, hoe breed en diep de ervaringen met God zijn. Ik ben heel blij met al die nieuwe lofliederen, maar dat is toch niet de héle werkelijkheid? Als we ervaringen van mensen een plaats gaan geven in onze gemeenten, dan moesten het eigenlijk niet alleen succesverhalen zijn. We hoeven geen reclame voor God te maken met allemaal een brede glimlach. Als we ergens in de kerk plaats vinden om de echte noden en de echte dankbaarheid bij God te brengen, dan zou dat geweldig zijn. Uit de diepte van de wanhoop en op de hoogte van de lofprijzing.
Het laatste wat ik uit de Psalmen noem is een opvallende trek. Aan de ene kant zijn de Psalmen zo concreet over ziekte en nood, over vervolging en haat. Maar aan de andere kant zijn ze ook merkwaardig terughoudend. Wat had David precies, toen hij bad: "Sla acht op mijn hulpgeroep" of: "Voorwaar, de Here heeft gehoord"? Dat weet je niet, en aan ik vind dat wel mooi omdat er toch ook iets tussen God en een mens verborgen mag blijven; bovendien is het voordeel ervan dat ieder de "open plekken" kan invullen voor zijn eigen leven. Nu zal ik niet zeggen, dat het delen van ervaringen met God en mensen vandaag precies zo moet als in de Psalmen. Wel zie ik er enorm naar uit om van die openheid van de Psalmen tegenover God en tegenover elkaar meer mee te maken. Niet zoals in talkshows, waarin ze alle details van hun liefde en haat etaleren. Wel zoals in de Psalmen, waarin we leren om in hoogte en diepte samen de weg naar God te vinden. Hoe dat in de praktijk kan? Daarover volgende keer een aanzet.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief