Het meisje en de hel

1998-03-20
  • Jaargang 42
  • nummer 6
Er was eens een meisje dat besloot geen mens ooit te vertrouwen. Daar had ze vast een goede reden voor. Misschien waren haar ouders liefdeloos. Of misschien waren ze te veel afwezig. Misschien wisten ze niet hoe ze kinderen moesten opvoeden, omdat ze zelf niet opgevoed waren. Misschien was er niets mis met de ouders maar had het meisje wat ze beleefde verkeerd begrepen en uitgelegd. Wie zal het zeggen? Zulke dingen liggen erg ingewikkeld en het meisje had zelf geen idee van de wortel van haar wantrouwen. Ze zag alleen dag in dag uit dat ze volkomen gelijk had. Mensen zijn niet te vertrouwen. Ze zitten vol bijbedoelingen en al hun aandacht en aardigheid kan zomaar wegsmelten. Het leven is niet te vertrouwen. Overal loert ziekte en dood om de hoek. Je lijf is ook niet te vertrouwen. Het is zomaar te dik en te mager en als je ongesteld bent ga je huilen of schelden zonder reden.

En God, die is helemaal niet te vertrouwen, wist het meisje. Ja, ze geloofde in God. Ik bedoel: ze geloofde niet in God, ze geloofde dat God bestond en ze wilde dat dat niet zo was. Voor mensen kun je je afsluiten, maar waar moet je je verstoppen voor God? Als het Adam niet lukte, en Jona niet, hoe zou het haar dan wel lukken? Ze schold tegen God, ze vloekte, maar God liet zich niet weg jagen. Hij bleef bestaan.

"Het is niet eerlijk," zei het meisje op een dag tegen een klasgenoot je, "ik ben geboren op een rotwereld, tussen rotmensen. Als ik me er doorheen geslagen heb, kan ik ook nog naar de hel."
"Waarom?", vroeg het klasgenoot je verbaasd, want zij geloofde niet dat er een god was. "Als je niet in God gelooft ga je naar de hei", zei het meisje. "Mooi", zei het klasgenoot je, "dan gaan we daar samen iets leuks van maken." Die begreep er dus niks van en het meisje zweeg er verder over. Het meisje groeide op en deed er alles aan om zich te weren in de wereld. Ze probeerde sterk te worden en van niemand afhankelijk. Ze volgde strenge diëten in de hoop dat ze zou gaan lijken op de hooghartige modellen die door iedereen begeerd en benijd worden, maar aan niemand gebonden zijn. Op andere momenten propte ze zich vol met snoep om iets van de pijn en de eenzaamheid te verzachten. Nooit, nooit, liet ze iets van die zwakte zien aan anderen. Iedereen kende haar mooi opgemaakt, en sterk. Ze klaagde nooit en maakte geen ruzie. Maar bij het minste of geringste trok ze zich terug, ook al moest ze er afspraken voor breken. De enige tegen wie ze schold was God, in Wie ze niet geloofde, maar Die maar niet ophield er te zijn.

Na verloop van tijd werd het meisje mager, hard en afschuwelijk eenzaam. Mensen bewonderden haar en... hielden haar op afstand. Ze wisten niet wat ze aan haar hadden. Er ging geen warmte van haar uit en ze leek het ook niet te kunnen ontvangen. Als een jongen verliefd op haar werd, was dat door haar uiterlijk, maar niet omdat hij haar lief vond, want dat was ze niet. En het was ook altijd snel weer over. De ogen van het meisje werden donker en diep van pijn en angst. Alles hield ze op een afstand. Niemand kon haar meer iets doen. Wie waren dan die stemmen in haar hoofd: "Je bent te dik", terwijl ze zo mager was als een lat. "Je bent stom."
"Iedereen heeft een hekel aan je." "Ze zien wel hoe zwak je bent, je redt het nooit alleen." Allemaal stemmen die nooit ophielden. Eéntje gilde er boven uit: "Slapen. Ga toch slapen, voorgoed.
Het leven is ellendig. Ga toch dood." Het was of de dood een knappe ridder was die haar in zijn armen in slaap zou wiegen. Ach, wat verlangde het meisje naar hem. Als God er maar niet was en de hel. Want God zou haar zeker uit de armen van de dood trekken en haar wakker maken voor een eeuwig lijden.
Ze haatte God, 0 wat haatte ze Hem. Op een avond liep ze door de mistige straten naar huis, toen ze een vreemd gegrom hoorde, vlak bij. Ze keek verschrikt om zich heen en zag een grote hond tegen de grond gedrukt. Hij leek van plan om haar te bespringen. Het meisje verstijfde van schrik en zag toen dat de hond vast zat in het prikkeldraad. Het zat om zijn kop en een voorpoot gewikkeld. Het draad was bevestigd aan palen en de hond had al één paal uit de grond gerukt. Scherpe prikkels waren diep in zijn neus gedreven. Het meisje keek in de bloeddoorlopen ogen en er ging iets door haar heen wat ze nauwelijks meer kende: een warme golf medelijden.
Ze schoot op de hond toe om hem te bevrijden, maar zodra ze binnen zijn bereik kwam, beet hij haar in haar hand. Ze gilde. Het deed afschuwelijk zeer. Uit haar ooghoeken zag ze dat haar hand er lelijk uit zag. Zonder te kijken wikkelde ze haar sjaal losjes om de hand en deed ondertussen haar best om niet flauw te vallen of over te geven. "Wat nu?", zei ze hardop tegen zichzelf en besefte toen dat haar huisarts om de hoek woonde. Ze wankelde er heen. Haar gezonde hand ondersteunde de gewonde. Ze belde aan bij de deur met Privé er op.
Het is gek wat pijn soms met mensen doet. Of was het de golf medelijden? Of was het de aardige, rustige vrouwelijke dokter die haar hand had verzorgd en verbonden, een prik had gegeven en haar tenslotte mee had genomen naar haar huiskamer voor een kop thee?
Ineens zat het meisje te huilen en te praten. Ze deed alle twee tegelijk, hoewel ze praten altijd heel moeilijk vond en huilen onmogelijk. Ze praatte over zichzelf en haar angst en de stemmen. Ze praatte ook over de hel. "Waarom ben je toch zo bang voor de hei?", vroeg de dokter toen ze uitgepraat was. Het meisje keek haar verbaasd aan en zei niets. "De hel is toch dat je alleen bent en aan jezelf overgeleverd en ver van God en zonder liefde om je heen?" Het meisje knikt. "En met veel pijn", voegde ze er nog aan toe. "Zoiets als die hond", zei de dokter. Het meisje schoot overeind. "We moeten die hond nog helpen", riep ze. "Ik heb net al naar de politie gebeid", zei de dokter. "Daar zoeken ze wel iemand die weet hoe je zoiets aan moet pakken. Waarschijnlijk zullen ze hem plat moeten spuiten voor ze hem kunnen helpen. En nou jij. Moet jij ook eerst platgespoten worden?"
Het meisje begreep het niet. Het was een tijdje stil. 'Volgens mij," zei de dokter, "na alles wat je me verteld hebt, geloof ik dat jij nu al in de hel zit. Niemand hoeft jou er in te stoppen, jij bent er zelf in gekropen om je te verstoppen voor God. Dat is op zich wel slim, want de hel is geen plek voor God. Je hoeft nooit meer bang voor Hem te zijn. Hij haalt geen mens uit de hel die er vrijwillig in kruipt." 'Waarom voel ik dan dat Hij er ergens is?", vroeg het meisje, nu achterdochtig. "Misschien staat Hij voor de opening van de hel om je er uit te lokken. Misschien is Hij er niet zo zeker van dat je daar echt lekker zit en dat dit echt is wat je zoekt." "Ik heb vreselijke dingen tegen God gezegd om Hem weg te jagen", zei het meisje zachtjes. Het was weer even stil. Ze wiegde voorzichtig met haar hand heen en weer. De verdoving raakte uitgewerkt.
"Waarom wil je die hond eigenlijk helpen terwijl hij je zo heeft toegetakeld?", vroeg de dokter. "Ik denk dat hij bang was en pijn had." "Maar is het dat waard? Hij had ook nog een pees kunnen doorbijten of zoiets." Het meisje haalde haar schouders op. "God steekt zijn hand naar binnen in de hel om jou er uit te halen en jij bijt erin", zei de dokter. Het meisje sprong overeind, stootte haar hand tegen de leuning van de stoel en gilde. Toen begon ze te huilen en wist zelf niet of het de pijn was of iets anders. Ze bedacht dat ze nog nooit zo gehuild had en dat verdriet ook een goed gevoel kon zijn. Heel raar eigenlijk. Ze dacht dat ze kapot zou gaan of zo maar verdwijnen, maar dat gebeurde niet.

"Kom", zei de dokter toen het meisje wat rustiger was, "ik loop met je mee naar huis. Bel je morgenochtend met de assistente voor een afspraak? Ik wil je graag morgen weer even zien. Hier is wat voor de nacht. Een pijnstiller en iets om te slapen als dat niet lukt." Zwijgend liepen ze door de stille straat. "Hier was hef', zei het meisje bij de plek waar de hond had gelegen. "Die ligt vast zijn roes uit te slapen." Ze liepen verder.
"Waarom spuit God mij niet plat?", zei het meisje toen. Ze bedacht dat ze jaloers was op de slaap van de hond.
"Jij bent geen hond", zei de dokter. "Jij bent een mens." Ze waren er bijna.
"Bedankf', zei het meisje.
"U hoort in ieder geval niet in de hel,"
"Nee," zei de dokter, "zo helpe mij God almachtig. Jij ook niet trouwens."

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief