Apart of sámen?

1998-04-03
  • Jaargang 42
  • nummer 7
Het idee veroorzaakte veel beroering binnen de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt).
Een lange reeks van ingezonden bijdragen in het Nederlands Dagblad was het gevolg. De kinderen apart in Haarlem.... hoe was dit nu mogelijk?

In de Nederlands Gereformeerde kerken is het niet ongebruikelijk dat kinderen naar een kindernevendienst gaan, maar voor de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt) was dit feit nieuws. De vele reacties die de start van een kinderbijbelclub in Haarlem opriep, leidden tot de organisatie van een landelijk congres over de plaats van kinderen tijdens de kerkdienst.
Gezien de belangstelling (het congres was volgeboekt) een thema dat zeer de aandacht trekt. Want ook in de vrijgemaakt-Gereformeerde kerken groeien dè vragen rond de geloofsopvoeding.

Plezierige herinneringen?
Het congres in Amersfoort vond plaats onder auspiciën van het Gereformeerd Vormings Instituut (GVI). Nadat er, onder begeleiding van Peter Sneep, stevig gezongen was uit de E&R-bundel, zette dagvoorzitter Sjoerd Wijma de aanwezigen al direct aan het werk. " Vertel aan je achterbuurman een dierbare herinnering uit de kerkdiensten die je als kind mee hebt gemaakt." Het viel me op dat dat geen gemakkelijke opgave is. De vraag is natuurlijk: hoe komt dat dan? Is het zo dat wie meegroeit binnen de christelijke gemeente weinig hoogtepunten meemaakt? Is het allemaal vanzelfsprekend? Of overheersen bijvoorbeeld in de kerkelijke geschi'edenis de spanningen?
Iemand zei in de pauze: "Ik kon niets bedenken. Ik ging best graag naar de kerk. Maar er gebeurde zoveel om heen dat niet leuk was. De kerkscheuring, een ruzie op school die in de kerk doorwerkte, spanningen voor mijn vader in de kerkenraad. En dan denk ik nu aan mijn eigen kinderen. Wat pikken die op? Dat we wéér van die felle discussies gaan voeren?"

Leren om niet te luisteren
De eerste spreker was drs. A.L.Th. de Bruijne, universitair docent ethiek aan de Theologische Universiteit van de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt) in Kampen. De Bruijne neemt hier ook de colleges liturgiek waar. Vanuit het vak liturgiek ging hij in op de plaats van kinderen tijdens de kerkdienst. Ds. De Bruijne begon met een schets over de gang van zaken binnen de gemeente. De theorie (de kinderen horen er bij, dat hoort bij het Verbond) sluit niet aan bij de praktijk. "Let u er eens op hoe kinderen in de kerkdienst zitten! Een kind van 7 jaar vraagt na het gebed: 'was dat de preek?" Een ander kind zit te tekenen, een puber zit onderuit en alles te doen, behalve te luisteren". Later merkte iemand op: "In onze kerkdiensten leren kinderen vooral om niet te luisteren!" Met andere woorden: kinderen ervaren de kerkdienst niet als hun kerkdienst.
Daarnaast zijn kinderen, aldus De Bruijne, heel gevoelig voor de signalen die ouders uitzenden. Een kind weet wat ik van de dienst vind, ook al heb ik er nooit iets over gezegd. Kinderen voelen vaak ook aan hoe ouders tegenover de predikant staan. Bovendien luisteren ouders vaak via de oren van hun kinderen. "Wat vind ik namens mijn kind van de dienst?" En wat merken kinderen op hun beurt daar weer van? We kunnen, aldus De Bruijne, niet ontkennen dat er een probleem ligt. Niet alleen wat betreft de dagelijkse praktijk, ook wat betreft de manier waarop we met deze discussies omgaan.
"Vroeger deden we het niet, dus nu ook niet!" Of: "Zo is het bij de Synodalen ook begonnen!". En: verloren lijkt het gesprek. Nee, zegt De Bruijne, deze discussie kunnen we niet meer ontlopen: we moeten ermee aan de slag! Daarbij kun je de goede dingen van anderen meenemen en van de gemaakte fouten leren.

Onderweg naar de synagoge

Was het toeval, dat ik in de trein op weg naar het congres, een Joodse man ontmoette?
Hij is onderweg naar de dichtstbijzijnde synagoge (in Amsterdam). Hij bezit een auto, maar op de Sabbat mag hij die niet gebruiken. Het treinkaartje werd een dag eerder gekocht. Aan deze Joodse man de vraag hoe tegenwoordig de positie van de kinderen in de synagoge is .... Uit zijn antwoorden het volgende: In principe doen kinderen al vanaf 3jaar mee aan de 'godsdienstoefening' -,Dan al leren ze bepaalde teksten. Want het onderwijzen heeft binnen de Joodse traditie een belangrijke plaats. Op iets oudere leeftijd worden de kinderen ingeschakeld bij bepaalde 'liturgische' handelingen, zoals het op de plaats. zetten van de boekrollen. Er wordt niet van de kinderen verwacht dat ze steeds op hun plek zitten, ze kunnen ook rondlopen. Overigens zijn er op dit punt nogal wat verschillen binnen de Joodse gemeenten.

Apart of sámen?
Waarom zijn die kindernevendiensten ontstaan? Ds. De Bruijne: "De kindernevendienst ontstaat altijd als de preek domineert en te cognitief is"(teveel op het verstand gericht). De Gereformeerde kerkdienst is een leerdienst geworden, het aspect van het vieren lijkt op de achtergrond te zijn geraakt. Overigens: die ontwikkeling in de richting van kindernevendiensten is in de 'grote' kerken al weer achterhaald. Sinds het begin-van de jaren 'SO is daar een tegenbeweging aan de gang: de kinderen horen er gewoon bij. Juist in de kerkdienst moet je kunnen laten zien en ervaren dat we er allemaal bij horen ....

Verschillende argumenten
De Bruijne ging kort in op enkele overwegingen waarom men kiest voor een aparte benadering van de kinderen (bijv. Nehemia: "en allen die het konden begrijpen"). Er zijn, didactisch gezien, redenen waarom men de kinderen 'apart' zou kunnen houden. Je kunt dan beter inspelen op de behoeften van kinderen, de vertelling is op hun niveau ingesteld, de afstand tot de kinderen is klein. Je gebruikt dan vooral argumenten die in een leerdienst passen: bij het 'Ieren' vragen kinderen om aandacht op hun niveau. Maar het feit dat kinderen moeten ingroeien in de geloofsgemeenschap vraagt er juist om dat ze al jong meedoen met de rituelen. Dat geldt voor de hele kerkdienst, inclusief de preek.
De kernvraag is: waar willen we naar toe? We willen de kinderen betrekken bij het Evangelie, daar is iedereen het over eens. Hoe je dat het beste kunt doen, is een kwestie van inzicht en fijngevoeligheid. Daarop zijn geen eenduidige antwoorden te geven. De Bruijne waarschuwde ervoor om de discussie niet te geladen te doen zijn, met massieve argumenten voor en tegen. "We moeten vanuit de christelijke vrijheid, op een ontspannen manier, zoeken naar wat we sámen het beste vinden."

We horen bij elkaar
Ds. de Bruijne kon zich indenken dat er gemeenten zijn waar men de kinderen (gedeeltelijk) apart benadert, maar die kant wil hij toch niet uit. Het apart houden is een gevolg van invulling van de kerkdienst die vrijwel uitsluitend gericht is op volwassenen. Die gerichtheid op één 'groep" uit de gemeente noemde De Bruijne een praktijk die is gebaseerd op een onbijbels mensbeeld. Als je Handelingen 2 leest, dan zie je dat de gemeente uit heel verschillende groepen bestaat.
Maar daarom laat je de gemeente toch niet uit elkaar vallen? Juist in de kerkdienst train je elkaar omdat je bij elkaar hoort. Dat is de gemeenschap der heiligen. Maar als je die kant uit wilt, zal er ook veel moeten veranderen in de kerkdienst. De kerkdienst moet meer eredienst worden. De liturgie is bedoeld als de lof van God. Daarvoor heb je alle gemeenteleden nodig, dus ook de kinderen uit de gemeente.

Er is meer dan het gesproken woord
Onze kerkdiensten zijn vooral woorddiensten. Helaas blijkt dat van het gesproken woord maar een heel klein deel blijft hangen. Er is een onderzoek dat vermeldt dat als je iets alleen hoort, je dan vaak maar 10 tot 15% onthoudt, als je het hoort én ziet onthoud je 40% tot 50%. Waarom werken we in de kerkdiensten niet vaker visueel, laten we niet vaker dingen zien?
Wat doen we met ons gevoel, met het beeld dat we hebben bij een bepaalde geschiedenis? Waarom moeten we steeds stil zitten? (even later, tijdens het zingen van Psalm 134, ging er een aantal handen omhoog: "Heft nu uw handen naar omhoog". Inderdaad: waarom zingen we dat wel en houden we onze armen gewoon 'beneden'?). Waarom vormen we niet af en toe een kring tijdens de kerkdienst?

Kinderen hebben ook gaven
Ds. De Bruijne ziet mogelijkheden in het gebruik maken van de gaven die kinderen hebben. Maar: dat is wat anders dan de kinderen in het centrum zetten, want dat is verwennen. Je kunt de kinderen op allerlei manieren inschakelen tijdens de dienst. Hoe kunnen ze meedoen? Je kunt hun gaven gebruiken en daarbij ook de gave van het gebaar, van de beweging gebruiken. Nog een aantal praktische voorbeelden: kinderen kunnen een lied zingen als de belijdende leden aan het Heilig Avondmaal aangaan, ze kunnen tekeningen maken, ze kunnen collecteren, een schriftgedeelte lezen, ze kunnen vragen stellen, muziek maken, naar voren komen tijdens de doop, meezingen in beurtzang, ze kunnen kinderliederen zingen, ze kunnen een gedicht voordragen, ze kunnen de doopvont of de avondmaalstafel klaarmaken, ze kunnen meedoen in de gebeden.
Ook de gemeenteleden kunnen hun gaven gebruiken ten dienste van de kinderen. Waarom zou de predikant alles in de dienst moeten doen? Als er gemeenteleden zijn die de gave hebben om iets uit te leggen aan de kinderen, dan mag je die gave gebruiken. En die gave hoeft dus niet alleen door middel van het gesproken woord geuit te worden: God heeft ons ook andere gaven gegeven. Het gebruik maken van die gaven kan zelfs tijdens de preek (het sandwichmodel: predikant, gemeentelid, predikant).

Mag dat dan?
Er ligt een fors spanningsveld tussen het ideaal dat ds. De Bruijne schetste, en de dagelijkse praktijk binnen de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt). Wie zou denken dat 'de vrijgemaakten' de Nederlands Gereformeerden op dit punt van de kerkelijke praktijk 'links inhalen' heeft het vooralsnog mis. Veel ideeën die ds. De Bruijne noemde zijn in onze kerken nauwelijks geaccepteerd. Maar de kerkelijke praktijk binnen de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt) is niet anders. Tijdens de gesprekken in de pauzes en tijdens de workshops bleek dat er teleurstelling bestaat over de moeizame manier waarop het gesprek over deze veranderingen op gang komt. Men was blij met het optimistische betoog van ds.
De Bruijne, maar de kerkelijke praktijk is weerbarstiger. Toch benadrukte de docent aan de Theologische Universiteit dat datgene wat hij naar voren bracht bijna allemaal ook ten uitvoer kan worden gebracht. "Bijna alles wat ik nu noem, mág inmiddels binnen het kader van de liturgische afspraken in onze kerken!" Een aantal praktische aspecten van deze visie komen inmiddels in de predikantenopleiding in Kampen aan de orde.
Ds. De Bruijne benadrukte dat de kerkelijke liturgie niet los mag staan van de huisliturgie. Ook thuis mogen we uit de Bijbel lezen, de kinderen daarbij inschakelen, bidden en zingen met hoofd en hart en handen. Aan het eind van zijn lezing waarschuwde hij nogmaals tegen de ontwikkeling in de richting van een kindernevendienst.
Samenvattend kwam zijn betoog op het volgende neer. Een liturgische vernieuwing is hard nodig. Maar als we nu op het spoor van de kindernevendiensten gaan zitten, remmen we die vernieuwing juist af. Misschien dat we af en toe, in een noodsituatie, zullen kiezen voor de kindernevendienst. Maar uiteindelijk moet het die kant niet uit. De kerkdienst zélf moet anders worden ingericht....

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief