Doop door onderdompeling
1999-02-19
Eén van onze predikanten heeft de trein eens één van de beste evangelisatie-gelegenheden genoemd. Mensen zitten gedurende enige tijd bij elkaar en soms ontstaat er zomaar een gesprek. Maar zo’n gesprek kan ook uitmonden in een theologische discussie....- Jaargang 43
- nummer 4
Gesprekken ontstaan nogal eens als je een boek zit te lezen. Als een medepassagier nieuwsgierig van aard is, wil deze nog wel eens reageren op de titel van een boek. Zo wekt de titel Oorlog in de kerkbanken de nieuwsgierigheid op van een medepassagier.
Hij wil weten waar het boek over gaat.
Daarna gaat hij over op zijn eigen verhaal. „Want, meneer, als u eens weet wat ik allemaal aan oorlog in de kerkbanken mee heb gemaakt. Dat gun ik niemand, ook u niet. Die hele Pinksterbeweging kan mij gestolen worden!”
Uit de gemeente gezet
„Ik was Gereformeerd, maar dat beviel me niet. Het was allemaal zo koud, zo lauw, zo afstandelijk. Mijn eigen geloof leed er onder. Ik werd zelf ook lauw, ik raakte daar de Heer kwijt. En dan kom je in aanraking met een Volle Evangelie-gemeente. Kent u die gemeenten?
Fantastisch! Wat een meeleven met elkaar! Dat was wat ik zocht! Ik heb me laten uitschrijven bij de Gereformeerde kerk. Nooit meer wat van gehoord. En ik heb me laten dopen door onderdompeling.
Twee jaar geleden ontmoette ik een vrouw. Ik heb haar bij de Heer mogen brengen. Maar we zijn niet getrouwd.
Zijn we wel van plan, hoor. Maar zij had zó’n huurschuld, dat ik zei dat ze bij mij in mocht trekken. Nou, wat je dán allemaal over je heen krijgt. Daar lusten de honden geen brood van. De oudsten kwamen op bezoek. Ik leefde samen met een vrouw en dat kon zomaar niet. Bovendien was die vrouw ook nog eens gescheiden. Nou, meneer, ze mochten de slaapkamer zien, we slapen echt apart. Maar ja, er deugt niks meer van me. Ik leefde in zonde tegen het zevende gebod.
Voortaan werd ik totaal genegeerd en afgeschreven. Ik hoorde er niet meer bij. Ze hebben me uit de kerk gegooid.
Dat is nou oorlog in de kerkbanken!
En dan gaan je de ogen opeens open, hè? Meneer, ik kan u zoveel ellende vertellen over die gemeente. Kent u die gemeente?” Die gemeente zegt me niets, mijn medereiziger woont in een andere woonplaats. „Oh, gelukkig maar, dan komt u niet in de verleiding om daar de samenkomst te bezoeken. Bent u trouwens kerkelijk aangesloten?”
Menselijke tradities
We komen met elkaar in gesprek over de vraag wat de kern is van het Evangelie.
„Niemand minder dan Jezus Christus”, zegt hij. „En daarom begrijp ik het niet. Ze leggen allemaal menselijke normen aan. Iedere keer weer loop ik daar tegenaan. Ze bemoeien zich met de kleding van jongeren. Een oorbel in je oor en je hoort er niet meer bij. De ene na de andere jongere verlaat de gemeente, omdat ze geen ruimte krijgen. Wat zou Jezus daarvan gezegd hebben?” „Dat is een belangrijke vraag”, antwoord ik. „Maar de kerken bestaan uit mensen en die mensen hebben de neiging om naar menselijke maatstaven te meten. We kijken soms meer naar de buitenkant dan naar de binnenkant.
Een traditie wordt – als we niet uitkijken – na een tijdje gelijk gesteld met de Bijbel. Daar gaat dit boek ook een beetje
over. Maar gelukkig: het kan ook anders.”
Oorlog in de treinbanken
„Waar bent u eigenlijk lid?” vraagt mijn overbuurman opeens. „Ik hoor bij de Here Jezus”, antwoord ik. Dat bedoelt hij niet. Hij wil nu het naadje van de kous weten. Dus vertel ik waar ik op zondag naar de kerk ga.
„Nederlands Gereformeerd? Ja, die kerk ken ik wel een beetje, dat valt nog wel een beetje mee. Maar u bent dus niet gedoopt door onderdompeling?” „Nee, voor zover ik me kan herinneren ben ik niet gedoopt door onderdompeling”, antwoord ik – een beetje de scherpte van zijn vraag omzeilend. „Maar het teken dat ik op die zondag na mijn geboorte mee heb gekregen is wel een prachtig gebaar van onze Vader in de hemel.” „Maar dat kán toch niet?” zegt hij. „U wekt de indruk dat u de Bijbel kent en u gaat aan zo’n opdracht voorbij!” „Zou u me kunnen aanvaarden als lid van uw gemeente als ik niet opnieuw gedoopt word?” is mijn wedervraag.
„Nee”, zegt hij, „dat kan niet. U gehoorzaamt niet! U weet dat er in de Bijbel staat dat u door onderdompeling gedoopt moet worden en u gaat maar gewoon zo door in het leven. Voor zulke mensen is er in de gemeente geen plaats.” „Waar hadden we het net ook alweer over?” vraag ik. „Wat is de kern van het christelijk geloof?” „Dat je gehoorzaamt aan de Heer”, is zijn antwoord. „En dat doet u kennelijk niet!” Argumenten schieten me op dit moment niet te binnen. Ik heb ook geen zin in zo’n discussie. Eerlijk gezegd ben ik teleurgesteld. Ik dacht dat we elkaar konden vinden, maar dat blijkt bij deze man niet het geval.
Hij sluit mij uit omdat ik een andere visie op de doop heb. Trekt hij geen grenzen waar Jezus ze niet getrokken zou hebben? Is er nu ook nog oorlog in de treinbanken? Ik zeg maar dat ik weer verder wil lezen in mijn boek.
Als mijn medereiziger over moet stappen zegt hij bij wijze van afscheid: „Ik hoop dat u de waarde van de doop door onderdompeling nog in zult gaan zien.” Ik kijk even opzij. De buurman aan de andere kant is in een diepe slaap verzonken.
Een ander heeft een walkman op. Gelukkig maar. Het einde van dit gesprek lijkt me geen reclame voor het christelijk geloof.