Vermenigvuldigen of delen? (3)

1999-02-19
  • Jaargang 43
  • nummer 4
De moderne ’autonome’ mondigheid zegt: eerst vermenigvuldigen om pas daarna tot het delen met elkaar, met arme landen te komen. Echter, het delen wordt steeds uitgesteld en het vermenigvuldigen wint het. Het is net of de tunnel van het vermenigvuldigen steeds langer wordt. Er wordt getracht om op een bepaald moment goed voor anderen te zijn, maar dat moment schuift steeds verder naar achteren. Er zijn steeds meer middelen nodig om aan delen toe te komen.

De verhouding tussen Noord en Zuid en de groei van de armoede in de wereld kan dit illustreren. Hoewel een aantal landen in het zuiden van de wereld een snelle economische ontwikkeling heeft doorgemaakt, heeft de armoede in bijvoorbeeld Afrika en in delen van Azië zich verergerd. Het lijkt alsof armoede een permanent verschijnsel in Afrika is geworden. De zelfvoorzieningsgraad van Afrika is weg.
Nu kan daar vanuit het westerse economische wereldbeeld een interpretatie van gegeven worden: dit zijn landen die nog niet de formule hebben verstaan van de juiste wijze van vermenigvuldiging van middelen. Als die landen leren, zoals de westerse landen, hoe zij moeten vermenigvuldigen, hoe de middelen kunnen groeien, dan zullen ze daaruit de mogelijkheden hebben om hun bevolking te voeden en hun schulden te betalen. Maar het blijkt dat die oplossingen alleen keer op keer niet werken. Op die wijze kan Afrika niet alleen geen perspectief gegeven worden, maar kan ook niet verklaard worden waarom in Afrika, ondanks de technieken die daar in gebruik zijn en de middelenoverdracht en het geld dat daar gebruikt is, toch niet is ontstaan wat volgens die formule had moeten gebeuren. De oplossing moet gezocht worden op een fundamenteler niveau.

Uitstel van het delen
In het rapport ’Challenge to the South’ wordt met zoveel woorden gezegd, dat het Zuiden nu in een groot probleem terecht is gekomen, omdat vooral in de jaren ’80 het Noorden steeds eerst aan zichzelf heeft gedacht en de eigen expansie centraal heeft gesteld en van daaruit steeds minder bereid is geweest om te delen. Een letterlijke zin uit het rapport!1 Het Noorden heeft andere landen gebruikt waar dat kon, om zelf zijn eigen welvaart veilig te stellen.
Dan wordt het moment van delen uitgesteld.
Naast uitstel van het moment van delen is er nog een andere oorzaak van de armoedeverergering. Uit onderzoek door ontwikkelingseconomen blijkt de laatste tijd steeds meer dat één van de basisoorzaken van de verergering van de armoede wordt gevormd door een tekort aan ’access’, aan het toegang hebben tot basisvoorzieningen. Tot land bijvoorbeeld. Al wat nodig is voor de ontwikkeling van productie, onderwijs en gezondheidszorg. Direct na de zelfstandigwording van India had 60% van de mensen op het Indiase platteland nog een rechtstreekse toegang tot land. Het is nu teruggelopen tot minder dan 20%. Ook in Afrika is teveel land in gebruik voor de exportsector. Mensen kunnen hun eigen land niet meer bewerken om hun gezinnen te onderhouden.
Ook kan het ontbreken van toegang tot geld als oorzaak van armoedeverergering genoemd worden.
Rijke landen hebben rechtstreekse toegang tot de wereldgeldschepping. Zij kunnen in overvloed hun geldsoorten drukken, maar niemand die de geldsoorten van de arme landen aanneemt.
Het niet gunnen van deze toegang tot wat aan de welvaart voorafgaat, kan worden gezien als een gebrek aan bereidheid van anderen om te delen.
Anderen hebben de arme landen de mogelijkheden van ontwikkeling ontzegd.
Er wordt soms in de ontwikkelingseconomie een onderscheid gemaakt tussen delen in de ’fruits’ en delen in de ’seeds’, in de vruchten of in de zaden. De westerse landen hebben een zekere staat van dienst om anderen te laten delen in de vruchten van wat ze eerst zelf gemaakt hebben. Van de overschotten wordt iets aan anderen gegeven. Maar het gaat hier om de zaden, die niet gegund werden aan de anderen.

Eerst delen
In het voorgaande en in de eerdere artikelen in deze serie is ingegaan op het karakter van het vermenigvuldigingsproces in de westerse samenleving en zijn problemen geschetst die daaruit voortkomen. Een fundamenteel kenmerk van dat vermenigvuldigingsproces is de veronderstelling van de autonomie van de mens. Tegenover het uitgangspunt van de autonome mens kan nu de bijbelse invalshoek worden gezet: waar eerst wordt gedeeld, krijgt ook het vermenigvuldigen perspectief. Zo geformuleerd lijkt deze invalshoek op het eerste gezicht misschien weinig realistisch. Kan dat eigenlijk wel: delen vooropstellen en niet het vermenigvuldigen? Houdt delen niet op bij datgene wat er is en dan is er niets meer? Of is er een manier van delen die leidt tot vermenigvuldigen?
In de Bijbel komt keer op keer het motief terug, dat delen verbinding kan hebben met vermenigvuldigen. Een aantal voorbeelden.
Wanneer de weduwe in Sarefat haar laatste meel gebruikt om een koek voor Elia te bereiden, blijkt dat te leiden tot een situatie waarin voldoende meel voor haarzelf en haar zoon aanwezig is (1 Koningen 17:13 en 14).
De uitstorting van de Geest op het Pinksterfeest. „... er vertoonden zich aan hen tongen als van vuur, die zich verdeelden, en het zette zich op ieder van hen” (Handelingen 2:3). Hier is sprake van een delen, dat tegelijkertijd in vermenigvuldigen uitmondt. Het Engelse woord ’sharing’ zou je nodig hebben om duidelijk te maken, dat delen en vermenigvuldigen samengaan.
Pinksteren staat in het teken van het licht. Licht is iets merkwaardigs, omdat licht zich kan verbreiden. Met de ene kaars kan de andere worden aangestoken.
Licht vermenigvuldigt zich, wanneer het wordt gedeeld. Bij de wonderbare spijziging (Johannes 6:1-15) is Jezus in staat om de schare te voeden.
De jongen, die bereid is te delen, legt de broden en de vissen in de handen van Jezus. En in Zijn handen wordt deze daad van delen omgezet in vermenigvuldiging.
Jezus spreekt met de Samaritaanse vrouw bij de put (Johannes 4). Hij zegt tegen haar dat er water is dat niet elke dag opnieuw geput hoeft te worden.
Het is water dat een levende bron is, die opspringt tot in het eeuwige leven (Johannes 4:13-15). Opnieuw dat element van het vermenigvuldigen, dat heen reikt over onze schaarste heen.
Als Jezus de broden heeft vermenigvuldigd, lopen de scharen achter Hem aan en ze vragen Hem: geef ons dat brood.
Net zoals die vrouw vroeg: geef ons dat water. Want hier ligt misschien de formule waardoor armoede en ellende in de wereld bestreden kunnen worden.
Brood en water in overvloed, hoe kan dat? Wat is het geheim daarachter?

De graankorrel die zichzelf deelt
In de gelijkenis van de graankorrel vertelt Jezus het geheim. Alleen wanneer de graankorrel in de aarde valt en zichzelf deelt, gedesintegreerd wordt, pas dan, in dat sterven, is er de mogelijkheid van een oogst (Johannes 12:24).
In zijn essay ’The Grand Miracle’ heeft C.S. Lewis het over het patroon van sterven en wedergeboorte dat in de natuur zichtbaar is, zoals bij de graankorrel.
Volgens Lewis ligt dat patroon in de natuur, omdat het een kenmerk is van Degene die de natuur heeft geschapen.1 In die zin „volgt de graankorrel het voorbeeld van Jezus”. Bij Jezus Zelf is het delen zichtbaar. Het zelf ter beschikking zijn om voor anderen tot een bron te worden van geluk, van heil. Het is net alsof het delen dan ineens verschuift. Het is niet zozeer een delen van wat je hebt, maar een delen van wat je bent, tot in de diepst mogelijke betekenis. Daaruit ontstaat dan de mogelijkheid van een nieuw leven. Jezus openbaart Zichzelf door Zichzelf te geven. In de geschiedenis van de Emmaüsgangers staat: Hij werd herkend in het delen van het brood (Lucas 24:31 en 35). En dat is een hele diepe uitspraak. Het heeft ook betrekking op de wijze waarop Hijzelf herkend wil worden. Als Degene die niet alleen de bereidheid heeft om Zijn leven te delen, maar ook Zelf daarbij dienstbaar te zijn aan het geluk van anderen.
Het zou wel eens kunnen zijn dat we in de economie van deze tijd tegen allerlei problemen aanlopen, omdat het diepste geheim van een economie van het delen in zekere zin niet wordt onderkend.
Als het leven van mensen niet begint met elementen van onbaatzuchtigheid, van dienst aan anderen waar geen tegenprestatie tegenover hoeft te staan, als dat niet een basis is voor een economie, dan ontstaat er niet alleen in de economie geen stabiliteit, maar dan zullen in de economische ontwikkeling de mensen ook nooit genoeg hebben. Dan zoeken ze hun perspectief in het eindeloos meer, als de weg naar het geluk. De Bijbel daarentegen zegt veeleer dat geluk van mondige mensen betrekking heeft op het tot hun bestemming komen. De bestemming ligt in het dienstbaar zijn.
Dan kan daar best een beloning bij horen, maar als die beloning gezien wordt als het eigenlijke doel, glipt het ware geluk als zand tussen de vingers weg. Noodzakelijk is de bereidheid om te delen en om zelf ter beschikking te zijn om met gaven en talenten anderen te dienen. De arme weduwe gooit ’slechts’ twee koperstukjes in de offerkist.
Maar het is haar hele levensonderhoud en in die zin stelt zij haar hele bestaan ter beschikking (Marcus 12:41-44). Het is zaliger te geven, dan te ontvangen (Handelingen 20:25). Keer op keer blijkt dat dit niet ten koste gaat van het menselijk geluk, maar dat op die basis geluk pas mogelijk is.

Samenvatting
Tenslotte worden de belangrijke punten uit deze artikelenserie nogmaals kort weergegeven:
1- De moderne westerse economie wordt gekenmerkt door een voortgaande vermenigvuldiging, waarin de autonome mens zijn of haar mondigheid wil beleven.
2- De voor dit vermenigvuldigingsproces noodzakelijke ondergrond (grondstoffen, schoon milieu, normen en waarden) valt steeds meer weg.
3- In dit proces van vermenigvuldiging wordt het delen eindeloos lang uitgesteld.
4- Menselijke mondigheid moet, in plaats van haar basis te hebben in autonomie, betrokken worden op het vooraf-gegevene en op de bestemming van de mens.
5- Het bijbelse wereldbeeld wordt gekenmerkt door de bereidheid tot delen.
6- In het bijbelse delen krijgt het vermenigvuldigen perspectief en komt de ware menselijke mondigheid tot haar recht.

Noten
1. ’Challenge to the South’ (’Een uitdaging voor het Zuiden’), rapport van de South Commission, verschenen midden jaren ’80.
2. ’The principle is there in nature because it was first there in God Himself.’ ’The Grand Miracle’ in: C.S. Lewis, God in the Dock, London, Fount Paperbacks, 1979, p. 61.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief