Lieve Here Jezus,

1999-10-01
  • Jaargang 43
  • nummer 20
Dit wordt mijn allereerste liefdesbrief. Hoelang is het nu geleden dat ik U leerde kennen? Afgelopen december een jaar nog maar. We hebben dus iets te vieren, maar tegelijkertijd wil ik ook niet doen alsof alles koek en ei is tussen ons. Nu ik uit een boek begrepen heb dat je in een liefdesbrief niet alleen zoete woorden schrijft, maar juist ook wat je dwars zit, is het voor mij gemakkelijker geworden om er aan te beginnen. Vroeger dacht ik dat je fout bezig bent als je negatieve dingen zegt tegen je geliefde. Nu begrijp ik dat U niets liever heeft dan dat ik alles zeg wat ik op mijn hart heb! En ik kan niet altijd blij met U zijn. Ik weet nog dat ik niet zo lang geleden uitriep: "Ik doe het niet meer, ik stop, ik wil niets meer met U te maken hebben! Ik maak het uit!" Maar ja, in de stilte begreep ik Uw antwoord: "Ik geloof er niets van." - en toen moest ik, dwars door tranen van woede en pijn heen, keihard lachen.
Ik wist niet dat ook dit bij liefde hoort. Liefde. Wat is dat eigenlijk?

Nog voor ik U kende, had ik God al in mijn leven had gevraagd. Toch had ik nog niet het woord "liefde" in mijn hoofd als ik aan God dacht. Het eerste dat door mij heen ging was meer een enorme rust, en opluchting; het gevoel thuis te komen.
Maar liefde - nee. Ik vond God nogal wreed. Las ik in het Oude Testament, dan stuitte ik alleen maar op passages waarin het over offeren ging; tsjak, weer een dierenkeel die doorgesneden moest worden.
In mijn ogen was dat zeker geen liefde. Mijn hele leven al voelde ik me meer bij dieren thuis dan bij mensen, en ging al het leed dat ze vanwege ons mensen moeten ondergaan mij door merg en been. Door christenen werd er wel veel over liefde gesproken. En over Uw dood aan het kruis, want dat stond natuurlijk centraal, maar daar kon ik al helemaal niet bij. Zo’n gruwelijke moord, en dan zeggen dat dat toelaten de ultiemste liefde is?
Mijn hele leven heb ik moeite gehad met dat woord, het kwam niet over mijn lippen. Mensen waren niet te vertrouwen, laat staan lief te hebben.
Dieren tenminste wel, die waren ongecompliceerd en namen je tenminste zoals je was. In feite wilde ik liever niets met U, de Mensenzoon, te maken hebben. Erkennen dat God bestaat, dat kon ik wel een beetje. Maar U kon ik niet echt toelaten.
Waar was ik in verzeild geraakt?

Ik kon ook niet geloven in een leven na de dood. Dat hoefde voor mij ook niet, ik was allang blij dat ik in het hier en nu me meer thuis voelde. Met de dood wilde ik liever niets te maken hebben. Maar ik zocht naar de waarheid, zoals ik dat eigenlijk mijn hele leven al gedaan had - sorry, het was U die mij opjaagde en mij deed zoeken? Toch?
Op dat moment, toen ik God in mijn leven had gevraagd, maar van U niet wilde weten, stond ik met mijn ene been in het nieuwe, en met mijn andere been nog in het oude leven. Ik wilde best bidden en naar de kerk gaan, maar verder moest er vooral niet aan me gezeten worden; mensen moesten zich niet teveel met mij gaan bemoeien.
Ik was bang voor regeltjes van buitenaf opgelegd.
Mijn hele leven had ik al in een keurslijf van regeltjes gezeten. Ja, oke, eerlijk is eerlijk, dat deed ik inderdaad zelf. Ik vertrouwde immers niemand.
Ik bepaalde liever zelf wat goed voor mij was.

Mijn eerste enthousiasme voor God zakte weg, maar toch bleef iets in mij zoeken naar de waarheid. Ik besefte dat ik niet oprecht achter het belijden van de dood en opstanding van U kon staan, terwijl ik terecht was gekomen in een gemeente waar dat de kern van de geloofsbelijdenis vormt. Ik had een lijntje met God, maar ik was twee heren aan het dienen. Ergens wist ik dat ik nu de keuze moest gaan maken. Ik deed het, half. De andere heer zette ik nog niet op de tweede plaats. Hoe is het mogelijk dat ik toch belijdenis deed? Van tevoren was ik vreselijk zenuwachtig omdat ik vreesde dat als de gemeente de waarheid wist over mij, ze mij niet goed genoeg zou vinden om belijdenis te mogen doen, en om gedoopt te mogen worden. Ik was bang dat de mensen dwars door mij heen konden kijken en zouden uitroepen: zonde! Ik was bang om niet geaccepteerd te worden zoals ik was. Maar ik werd geaccepteerd, ik werd hartelijk verwelkomd, door de gemeente en door God.
Het was een warm onthaal.
Toen legde God de vinger op de rotte plek. En ik ging dieper dan ik ooit gegaan was, de diepste schaamte en bitterheid. Ik besefte dat ik maanden bezig geweest was om op eigen houtje mijn relatie met God in te vullen en U niet verder had binnengelaten dan het halletje. Ik besefte dat ik geleefd had in de veronderstelling dat het bij mij wel meeviel, dat ik niet zo erg tegen Gods geboden inging.
Bovendien, die geboden waren toch "aanbiedin gen" voor een gelukkiger leven? Zo hadden wij ze opnieuw gedefinieerd in de cursus over het Christelijk geloof, waar ik de eerste stap om God in mijn leven te vragen gezet had. En ik meende dat ik me toch best netjes daaraan hield; ik had nog niet iets kunnen ontdekken wat het tegendeel bewees. Maar toch, ergens in mij knaagde het al een poosje.

Toen het tot mij doordrong wat ik had gedaan kon ik wel sterven. Maar juist op het moment dat de val het grootst was, liet U mij weten dat U er was, en U ving mij op, en gaf mij een warmte die ik nog nooit had gevoeld.
De betekenis van het kruis, dat U daar Uw bloed gaf ook voor mij, brak steeds meer door.
Het was een proces waarbij er stukje bij beetje een laagje wantrouwen afgepeld werd. Ik begon te merken wat voor kracht er zit in het bidden in Uw naam. Ik deed het al een hele poos, maar meer omdat het kennelijk zo hoorde dan dat ik U er werkelijk bij betrok. En ik begon in te zien dat groeien in geloof elke dag een stukje sterven betekent.
U maakte mij zonneklaar duidelijk dat ik totaal niet wist wat liefde was. Nu bad ik U dat U het mij zou leren. Ik heb het geweten. Zo radicaal als Uw dood aan het kruis was, zo radicaal ging ik onderuit. De waarheid kwam steeds meer op tafel. De waarheid, dat mijn weerzin over het kruis zeker ook voortkwam uit het feit dat het mij zo confronteerde met mijn eigen gewelddadigheid en vernietigingszucht, en dat wilde ik natuurlijk liever niet bekennen. Ik was liever moe en down dan dat ik eerlijk naar mijn eigen hart keek, wat daar aan de gang was. Maar het verlamde me ook. Dan werd het weer tijd om de confrontatie met U aan te gaan, en mijn hart uit te storten zoals ik nog nooit had geleerd. Ik werd woedend op U vanwege de spiegel die U mij voorhield, hoewel ik veel liever boos was op mijzelf, en ik beklaagde mijzelf.
Het was het pijnlijke proces van het geleidelijk aan wegsnijden van die grauwsluier om mijn hart.
Zodra ik aanvoelde dat het tijd werd voor de volgende ingreep, ging ik een blokje om. Want ik had er eigenlijk geen zin in. Maar U liep net zo vrolijk mee - en dat wilde ik ook graag, want ik had U zo nodig.Telkens opnieuw moest ik dingen afleggen, en telkens weer kwam ik uit bij het kruis. O, de rust en de vrede die ik dan kreeg! U overlaadde mij met geschenkjes. Ik begon in de gaten te krijgen wat U ongeveer bedoelt met liefde. De belangeloosheid, het totaal vrij van angst zijn en het willen geven, het genieten van die vrijheid. Dat had ik niet kunnen leren zonder het kruis. Ik had het niet kunnen leren voordat eerst mijn enorme angst en achterdocht aan het kruis gehangen werden.
Ik had het niet kunnen leren als ik niet ten diepste had begrepen: ik verdien het om te sterven. En U stierf voor mij! Juist toen ik alles opgaf ontdekte ik wat het betekent te leven. Leven is geloven.
En hoe kun je nou geloven zonder te geloven in Uw dood en opstanding?
Zonder te geloven in eeuwig leven?

Dat geloof heeft U mij gegeven. Klopt het, dat ik dat cadeau pas kon ontvangen toen ik eindelijk het sterven accepteerde?
Het sterven niet alleen van mijzelf, maar ook van anderen, en vooral, mijn grootste gevoeligheid, ook van dieren? U alleen weet het. U alleen hebt de waarheid. Leven en waarheid. Twee dingen waar ik heel bang voor was. Maar waar ik ook wanhopig naar op zoek was. Haha, U stond al die tijd al voor mijn neus! En ik maar blokjes om gaan?
3 april 1999

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief