De weg van het christelijk belijden

1999-10-01
  • Jaargang 43
  • nummer 20
Wie is toch deze...
Aan het begin van dit jaar hield onze nieuwe predikant, ds Karel Smouter, zijn intreepreek in de Nederlands Gereformeerde kerk te Zeist. De tekst voor de preek had hij gekozen uit het evangelie naar Marcus, hoofdstuk 6 : 41, waar de vraag in voorkomt: 'Wie is toch deze..?', gezegd van Jezus. Hij gaf als zijn voornemen te kennen, de tijd dat hij onder ons mocht werken vooral met die vraag bezig te willen zijn.
Om zo met de gemeente telkens tot weer nieuwe verwondering over en bewondering van onze Heiland te komen. 'Zeg niet te gauw dat u Hem al helemaal kent. Ook als u prachtige ervaringen met Hem hebt, blijf dan toch open staan voor nieuwe.' Wat bijzonder toch, dacht ik onder de preek, dat de bijbel ons niet alleen bericht doet over het eindpunt van het belijden van de Christus, bij voorbeeld met de woorden van Tomas na de opstanding: Mijn Here en mijn God!, maar dat hij ook belangstelling toont voor de groei naar dat eindpunt.
De Heilige Schrift bewandelt met ons een weg en laat ons onderweg allerlei zien waardoor het langzaam mag komen tot een gerijpt belijden. Zij biedt inderdaad blijvende ruimte voor de vraag: Wie is toch Deze? Die vraag wordt niet overgeslagen omdat het antwoord toch al bekend is - ongeveer zoals het Oude Testament ook niet uit de canon wordt geschrapt omdat nu immers het Nieuwe gekomen is.

Zonder vrees
Daarom moeten we ook niet bang worden van boeken die deze weg nog weer eens helemaal willen afleggen. Zoals dat met het bekende laatste boek van Kuitert over Jezus Christus het geval is. Ook al zouden we sommige van de resultaten waartoe hij komt, af moeten wijzen - en ik ben bang dat dat moet - dan nog ben ik van overtuiging dat wij door middel van zo'n nieuwe bezinning op het grote geheim dat Jezus Christus is, verder zullen komen in het belijden van zijn naam. Er is namelijk een belofte gelegen in het telkens weer gaan van die weg, in elke tijd opnieuw. De belofte van nog beter en nog rijker verstaan van wat ons gezegd is. Anders zou de bijbel wel hebben kunnen volstaan met ons het eindresultaat van de ontwikkeling mee te delen. Zo doet de Koran het, maar de Heilige Schrift is anders. Dat anders zijn van de Schrift levert mijns inziens een meer open theologie op die tot verrijking van inzicht kan leiden.

Sympatieke heftigheid
Naar aanleiding van Kuiterts boek ‘Jezus: nalatenschap van het christendom, schets voor een christologie’, wil ik iets zeggen over het gedeelte uit het evangelie naar Johannes, waarin de Here zich met de Vader gelijkstelt: 'Ik en de Vader zijn een' (Johannes 10 : 30 ev).
En over hoe het dan tot een gesprek komt met de joden die daar heftignegatief op reageren en Jezus zelfs willen stenigen omdat Hij God lastert.
Diezelfde heftigheid zien we vandaag bij de moslim voor wie er geen groter zonde is dan die van sjirk, het aan God toeschrijven van een genoot. Zowel van de moslim als van de jood van destijds moeten wij dat protest serieus nemen, omdat het voortkomt uit hun eerbied voor God. Professor Verkuyl heeft eens gezegd dat wij waardering kunnen hebben voor de beginnende Mohammed, die zich hartstochtelijk tegen het veelgodendom en de afgoderij van zijn stamgenoten heeft gekeerd. Die hartstocht was gevoed door zowel het Oude als het Nieuwe Testament, hoe oppervlakkig en fragmentarisch hij die ook gekend heeft. En het is nu vanuit die gloeiende overtuiging dat de moslim van nu zoals de jood van toen zich beiden keren tegen ons belijden van de Christus als de Zoon van God.

Psalm 82
Hoe gaat nu de Heiland met dat protest om? Hoe reageert Hij erop?
Eigenlijk door zijn gesprekspartners geduldig op weg te helpen naar de waarheid. Ik zie het gesprek dat Jezus hier met de joden voert, vooral als een handreiking.
Waarbij Hij een sterk beroep doet op hun eigen traditie: 'Staat er niet in uw wet geschreven...?' Uw wet, die ook de zijne is, maar Hij wil ze hier aan hun eigen achtergrond herinneren, om zo slagkracht aan zijn argument te verlenen: Staat er niet in jullie eigen bijbel...?
Wat staat daar dan in?
Jezus komt met een aanhaling uit de vrij onbekende Psalm 82. Een schitterend lied trouwens, waaruit zo duidelijk de hartstocht van de Allerhoogste voor het recht op aarde blijkt. Er is wel beweerd dat het in die psalm niet over de aardse rechtspraak gaat, maar dat de Here God zich daar tot hemelwezens richt. Maar die veronderstelling maakt de psalm voor de aarde onbruikbaar. We hebben er dan hier beneden niets aan. Vrijblijvend zouden we die goddelijke hartstocht over ons heen kunnen laten gaan. Dat kan ik niet geloven. Ook vergelijking met Psalm 58 pleit daartegen. Nee, het gaat over sterfelijke mensen (vers 7) die ambtelijk goden genoemd worden, omdat God wil dat ze op aarde het recht zullen dienen.
Niet dat van de sterkste maar dat van de zwakste. Het opkomen voor het recht van de rechtelozen is voor de Here God zo kenmerkend dat Hij degenen die Hij daartoe aangesteld heeft, in zijn eigen naam betrekt: 'Ik heb gezegd: gij zijt goden, ja allen zonen des Allerhoogsten...' (vers 6).
Ook Mozes zei al dat de rechtspraak Godes is (Deuteronomium 1 : 17).

Verdediging
Wat doet nu de Here Jezus met deze psalm en met dit psalmwoord?
Bewijst Hij er zijn eigen goddelijkheid mee? Dat zou dan wel een zwak bewijs zijn, want een wezensaanduiding is die titel goden in de psalm niet. Jezus zou dan zelfs die theologen in de kaart spelen die in de aanduiding 'Zoon van God' niet meer dan een eretitel voor Hem zien. Nee, de Heiland wil hier niets bewijzen (zoals de term bewijsteksten zo gemakkelijk suggereert), Hij wil zich verdedigen. De aantijging was dat Hij God lasterde door zich met de Vader gelijk te stellen. 'Daar zouden jullie geen aanstoot aan behoeven te nemen, als jullie je eigen bijbel serieus namen. Het gebeurt immers wel vaker in de Schrift dat mensen met de naam God of zoon van God gesierd worden.
Kijk maar naar Psalm 82.' Zo ongeveer omschrijf ik Jezus' redenering. En, inderdaad, zo zouden er nog wel meer voorbeelden te noemen zijn van plaatsen uit het Oude Testament waar hetzelfde gebeurt als in de psalm.
Jezus probeert met het ter sprake brengen van Psalm 82 een sfeer van welwillendheid op te roepen, waarin over zijn aanspraken rustig nagedacht kan worden. 'Zouden jullie, gehoord het getuigenis van Psalm 82, niet wat voorzichtiger met jullie beschuldiging kunnen zijn?'

Handreiking
Maar valt zo het antwoord van Jezus toch niet wat mager uit? Niet, zou ik denken, als je verstaat dat de Heiland hier bij de joden naar een ingang zoekt om met zijn hoge pretenties bij hen binnen te komen. Ik sprak van een handreiking.
Inderdaad is deze passage een uitgestoken hand, (ook naar ons, als wij moeite hebben met het God-zijn van de Heiland!), een tegemoetkoming.
Maar ook weer niet meer dan dat. Want het eigenlijke bewijs van wie Hij is, ligt voor Jezus ergens anders. In de werken die Hij doet. Waarmee Hij de wonderen en tekenen bedoelt die Hij verricht en die allemaal verwijzen naar zijn ene grote werk, dat van zijn Middelaarsambt.
'De werken die Ik doe in de naam mijns Vaders, die getuigen van Mij', zegt de Heiland even eerder in Johannes 10 (vers 25). En in ons gesprek komt Hij daar nadrukkelijk op terug (de verzen 37 en 38). Behalve trouwens tegen de joden zegt de Here zoiets ook nog tegen zijn eigen discipelen (Johannes 14 : 11; vandaar dat ik het had over een handreiking ook naar ons). Maar de formulering die Hij gebruikt in de tekst die ons nu bezig houdt, is in onderscheiding van die in Johannes 14 wel zeer vergaand in die tegemoetkoming: 'Indien Ik de werken mijns Vaders niet doe, gelooft Mij niet, doch indien Ik ze doe en gij Mij toch niet gelooft, gelooft dan de werken, opdat gij weten en erkennen moogt, dat de Vader in Mij is en Ik in de Vader'. Vooral het zinsdeel en gij Mij toch niet gelooft komt de gespreksgenoten wel zeer ver tegemoet. Jezus verplaatst zich volledig in de moeite die men met Hem heeft, dat is het verbazende.
Want u ziet toch wel dat de Here hier het geloof in zijn persoon op eigenaardig-nadrukkelijke wijze ten achter stelt bij het geloof in zijn werken? U merkt zijn helpende hand toch wel op? 'De werken voorop! En als jullie Mij dan nog niet geloven, dan opnieuw: de werken voorop!' Zo werft Jezus op een uiterst bescheiden wijze voor het geloof in Hem. Maar dit blijft waar: Om die werken als het bewijs van zijn eenheid met de Vader te zien, is dat God-zijn van Jezus in die ambtelijke zin van Psalm 82 een aardig opstapje.
Je mag daarom wel van twee helpende handen van Jezus spreken: eerst die van Psalm 82 en vervolgens die van de zeer nadrukkelijke verwijzing naar zijn werken.

Pastoraal
Ik noem deze benadering van Jezus van zijn eigen geheim pastoraal. Hier word je niets opgedwongen, maar je voelt je zacht bij de hand genomen.
Alsof (alsof?) de Heiland weet hoe moeilijk het voor ons mensen is om Hem als de Eniggeborene van de Vader te belijden.
Dat daar geen harde hand aan te pas MAG komen.
Dat daar een weg voor te gaan is, een weg van geleidelijkheid en van langzaam doorbrekend licht. Zo'n weg laat het vierde evangelie ook zien bij Nicodemus. Ook in diens toetreden tot het geloof zit een ontwikkeling.
Nicodemus begint met belangstelling te tonen, hij zoekt Jezus ‘s nachts op (Johannes 3).
Uit vrees voor de joden of om rustig te kunnen praten zonder gestoord te worden? Wij weten het niet. Een stap verder gaat het als Nicodemus Jezus verdedigt (Johannes 7).
Met een objectief argument dat ook uit de mond van een niet-gelovige zou kunnen komen, dat is waar: 'Veroordeelt onze wet soms iemand tenzij men zich eerst van hem op de hoogte gesteld heeft?' De derde keer dat wij Nicodemus tegenkomen helpt hij Jozef van Arimatea bij de begrafenis van Jezus (Johannes 19). En dat is een openlijk uitkomen voor de Here Jezus en een klinkklare belijdenis! Zo gaat het bij deze schriftgeleerde in stappen toe. En zo had het bij de joden van Johannes 10 ook kunnen gaan. Het vierde evangelie heeft iets statisch en verticaals, maar hier loopt het met ons op en is het vol beweeglijkheid en dynamiek.

Geduld
Goed, maar de kerk kan toch niet teruggaan achter het belijden waartoe zij langs een lange weg gekomen is? Het is toch zoals Paulus zegt: 'Maar hetgeen wij bereikt hebben - in dat spoor dan ook verder' (Filip. 3 : 16)?
Zeker! En de kerk moet ook vooral niet ophouden, dwars door het vragen van haar leden heen, o r t h o d o x, dat wil (in de eerste plaats) zeggen: recht in de lofprijzing te zijn. Het loflied op Christus mag nooit verstommen.
Toch moeten wij geduld hebben met elkaar. Wij moeten niet vergeten dat wij leven in een tijd van grote, zeer grote veranderingen. Er is zoveel van vroeger dat vandaag niet meer opgaat of geldt. Vanzelf brengt dat de vraag naar voren of ons geloof nog wel blijven kan zoals het altijd geweest is. Wij zijn gaan zien, bijvoorbeeld, hoe de kerk in het verleden beinvloed is geweest door het griekse denken en hebben ontdekt dat het bijbelse denken minder schools en meer praktisch is. Een overgang als van wetenschap naar wijsheid, om zo te zeggen. Wij moeten er niet vreemd van opkijken dat velen zich nu afvragen wat dat betekent voor het christelijk belijden. Moet dat niet bijgesteld worden? Ik denk dat de bijbel er ruimte voor laat dat elke tijd, zo nodig, van voren af alles nog eens overdoet.
Dat leid ik af uit het feit waarmee ik begon, dat het evangelie een blijvende plaats inruimt voor de vraag: Wie is toch Deze...? Dat die vraag niet onderdrukt wordt en dat ze ook niet gehekeld hoeft te worden als een vragen naar de bekende weg. Als wij ons leerjongeren van Christus mogen noemen (zoals onze belijdenis dat in NGB art. 13 doet), dan zit dat herhalingselement zelfs in het discipelschap ingebakken.
Nemen wij onze tijd wel serieus als wij voor dat opnieuw doordenken van wat er staat geschreven, een stokje steken?

Chalcedon
O nee, dit betekent zeker niet dat alles van vroeger bij voorbaat fout is.
Kuitert kritiseert in zijn boek de belijdenis van Chalcedon (451 nC, p. 133 - 135), waarin de kerk ten aanzien van het waar God- en het waar menszijn van Christus heeft uitgesproken dat wij niet aan vermenging of verandering noch ook aan deling of scheiding moeten denken. Chalcedon is te grieks, vindt men en vindt ook Kuitert. Maar ik snap niet wat daar voor grieks aan is. Als ik iets van het griekendom begrepen heb dan is het dit, dat men daar die dingen nu juist wel gedaan heeft.
Dat men in het tijdperk van de mythe het goddelijke en het menselijke grondig vermengd heeft (met als resultaat tussenwezens die half god - half mens waren) en dat men vanaf de Verlichting van de grote filosofen die twee grondig is gaan scheiden (met een variant op Kipling: God is God and man is man, and never the twain shall meet). Chalcedon heeft nu gezegd dat noch het een noch het ander passend is voor Christus.
Goed, men zal zich bij de uitwerking hiervan van grieks gedachtengoed en griekse termen hebben bediend, maar daar valt toch wel doorheen te zien? Hoofdzaak is dat Chalcedon de wacht betrokken heeft bij het geheimenis van Christus' persoon door te volstaan met te zeggen hoe de verhouding tussen het goddelijke en het menselijke bij Hem niet is, er niettemin aan vasthoudende dat wij in Hem zowel God als de mens Jezus ontmoeten, God als echt God en de mens Jezus als echt mens. Ik vind Chalcedon een eerbiedig en voorzichtig belijden dat ik niet graag zou willen missen.
Juist om mij tegen het griekse denken met zijn vele uitlopers en vertakkingen te wapenen. De belijdenis van Chalcedon is voor mij weliswaar geen eindpunt, maar toch wel de aanduiding van een 'verplichte rijrichting'.

Niet vrijblijvend
'De werken die Ik doe...
die getuigen van Mij', horen we Jezus in het vierde evangelie bij herhaling zeggen. Het lijkt me voor velen van ons die tegenover het verleden van kerk, dogma en theologie wantrouwig zijn geworden een prachtige benadering. Maar ook voor het komende gesprek met de moslims in ons midden kan dit woord zijn nut afwerpen. (Aan de laatsten denk ik hier eigenlijk nog liever dan aan de eersten.) Binnen de ruimte van het Godzijn van Jezus in de zin van Psalm 82 (ambtelijk dus) kunnen we via de werken verder komen in het belijden van Christus als Een met de Vader. Het evangelie werkt op deze manier met een christologie die ons aankijkt en ons de persoonlijke vraag stelt: Wat vind je eigenlijk van die werken? Heb je daar zelf kennis aan? Als wij in ons eigen leven de macht van zonde en dood kennen en toch daarbovenuit de overwinnende kracht van Christus en zijn Geest, dan zullen wij groeien in onze christologie en Hem - het kan niet anders - gaan (of: weer gaan) belijden als de Eniggeborene van de Vader. Zou in het niet-vrijblijvende en persoonlijkbevindelijke karakter van deze Christus-belijdenis (de term 'christologie' wordt in deze optiek haast onbruikbaar!) de winst van het hedendaagse gesprek over deze dingen kunnen bestaan? In die zin dat het steeds onmogelijker wordt om 'otterdox' te zijn op een manier die ons eigen ik buiten schot houdt? Dat zou geen geringe winst zijn. Kuitert houdt vast aan het 'God was in Christus...' van Paulus (II Corintiers 5 : 19) en bij hem kun je ook lezen: Wij zeggen Christus en wij bedoelen God (p. 210ev).
Dat valt op z'n minst binnen Jezus' gebruik van Psalm 82. Je zou willen en Kuitert ook toewensen dat hij op dat spoor, met de werken van de Christus voor ogen, zou doordenken, of liever: doorleven.
Om zo 'voor het eerst of bij vernieuwing' (om een oude uitdrukking te gebruiken) bij de belijdenis van Tomas terecht te komen. (En indien: bij vernieuwing, dan rijker dan: voor het eerst.) Ik weet wel dat Kuitert geen beginneling is die wegwijs gemaakt moet worden.
Dat hij niet op weg is naar het oud-vertrouwde belijden, maar daar juist vandaan komt. Maar het verschil tussen die twee posities moet niet overdreven worden. Iemand kan zo onder de indruk zijn van de nieuwe situatie waarin we door wetenschap, secularisatie en multireligieuze samenleving zijn terecht gekomen, dat hij zich een beginneling voelt en daarom op herhaling gaat. Voor zo iemand houd ik hem en hij is daarin de spreekbuis van velen in de tegenwoordige christenheid.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief