Johannes, theoloog van de Geest
1999-10-01
'En het evangelie van Johannes dan? Dat modelleert Jezus' leven niet alleen naar een ander patroon, maar is volgens kenners ook meer theologie dan de andere evangeliën, in elk geval historisch gesproken minder betrouwbaar.' (H.M. Kuitert).- Jaargang 43
- nummer 20
Het evangelie naar Johannes is binnen het christendom lange tijd favoriet geweest. Vandaag ligt dat anders. Bij veel theologen is Johannes uit de gratie geraakt. Ook bij Kuitert die in zijn boek over Jezus aan het vierde evangelie nauwelijks nog serieus aandacht geeft.
Daarmee maakt hij het zichzelf te gemakkelijk. In een themanummer over de christologie mag Johannes daarom niet ontbreken.
Jezus’ herkomst
Als iets onmiddellijk opvalt bij vergelijking van de vier evangeliën, dan is het de grote aandacht die Johannes geeft aan de vraag naar Jezus' herkomst.
Dat Johannes het antwoord op deze vraag belangrijk vindt, blijkt reeds zonneklaar uit de hoge inzet van de proloog en uit het grote aantal plaatsen waar Jezus zichzelf aanduidt als de Gezondene van de Vader, die eenmaal weer naar de Vader zal terugkeren. Op allerlei manieren laat de evangelist dit motief ook door het evangelieverhaal zelf heenspelen. Telkens weer wordt door mensen de vraag naar Jezus' herkomst gesteld. Van Natanaël aan het begin van het evangelie ('Kan uit Nazareth iets goeds komen?', 1,47) tot Pilatus aan het eind ervan ('Waar zijt gij vandaan?', 19,9).
Nicodemus bijvoorbeeld erkent dat Jezus van God gekomen is als leraar (3,2), maar moet er nog oog voor krijgen dat Jezus de Zoon des mensen is, die uit de hemel is neergedaald (3,13). Ook in Jezus' preek over het brood des levens blijkt hoe de vraag naar Jezus' herkomst de gemoederen bezighoudt. De Joden stoten zich eraan dat Jezus zichzelf het brood noemt dat uit de hemel is neergedaald: 'Is dit niet Jezus, de zoon van Jozef, wiens vader en moeder wij kennen? Hoe zegt Hij nu: Ik ben uit de hemel nedergedaald?' (6,42) Op het Loofhuttenfeest breken ook de Jeruzalemmers zich het hoofd over deze vraag. Zij kunnen zich niet voorstellen dat Jezus de Christus is, want 'van deze weten wij, vanwaar Hij is, maar wanneer de Christus komt, weet niemand, vanwaar Hij is.' (7,27) Enkelen uit de schare voegen hier aan toe: 'De Christus komt toch niet uit Galilea? Zegt de Schrift niet, dat de Christus komt uit het geslacht van David en van het dorp Bethlehem, waar David was?' (7,41-42) Ook tegen de Farizeeërs zegt Jezus dat zij niet weten vanwaar Hij komt of waar Hij heengaat (8,14), hoewel Hij er in het vierde evangelie nooit een geheim van maakt dat Hij van boven is en niet van deze wereld (8,23). Maar op de een of andere manier past dat niet in hun denkraam (9,16) en houden ze vol dat zij niet goed weten vanwaar Jezus komt (9,29).
Zoon van God
Deze aandacht van het vierde evangelie voor Jezus' hemelse afkomst, heeft tegelijkertijd de menselijke kanten van zijn persoon min of meer naar de achtergrond gedrukt.
Dit blijkt het duidelijkst op al die momenten dat Jezus over absoluut goddelijke kennis blijkt te beschikken. Jezus blijkt niet alleen op de hoogte te zijn van iemands uiterlijke omstandigheden (4,18), Hij weet zelfs wat in de mensen is (2,25).
Ook de weg die Jezus zelf heeft te gaan kent voor Hem geen geheimen.
Jezus wist wat over Hem komen zou (13,1; 18,4).
Weliswaar verzwijgt de evangelist niet dat ook Jezus vermoeid kon zijn (4,6), dat Hij weende bij het graf van Lazarus (11,35), dat Jezus zeer geëmotioneerd was toen het moment van Judas' verraad was aangebroken (13,21; vgl. 12,27) en dat Hij dorst had op het moment van zijn sterven (19,28), maar ook bij deze gebeurtenissen is de soevereiniteit die de Heiland uitstraalt overheersend en houdt Jezus zelf de regie in handen. Voor alles wil het vierde evangelie blijkbaar getuigen dat Jezus de Zoon van God is die wist waar Hij vandaan kwam en die wist waarvoor Hij kwam.
Theoloog van de Geest
Nu zal Kuitert dit alles niet ontkennen, maar het toch geheel op het conto van Johannes schrijven.
Want hoewel Kuitert alle vier evangeliën als 'theologische traktaten' beschouwt, gaat Johannes in zijn ogen het verst met z'n eigen theologie. En in dat laatste zit zeker een kern van waarheid. Het vierde evangelie is het meest theologisch van karakter. Wat het optreden en de persoon van Jezus betreft, zit er meer theologische reflectie in.
Tussen twee haakjes: de typering van de evangeliën als theologische traktaten vind ik ongepast.
Met een dergelijke kwalificatie ontneem je de evangeliën hun goede-boodschap-karakter. Het vierde evangelie bijvoorbeeld, dat ons geloof in Jezus wil versterken en dat ons in Hem de weg naar het leven wijst (20,31), wordt dan een uiteenzetting of verhandeling die eerder aanleiding geeft tot discussie over Jezus dan tot geloof in Jezus. Het evangelie naar Johannes wordt het evangelie van Johannes...
Maar intussen valt niet te ontkennen dat het vierde evangelie het meest theologisch van karakter is.
Niet voor niets wordt een groot deel van het evangelie door gesprekken in beslag genomen. Alleen, de gangbare redenering 'hoe meer theologie - hoe minder historisch betrouwbaar' deel ik niet.
Het vierde evangelie is inderdaad anders dan een verslag uit het dagboek van een ooggetuige.
Johannes wil vooral een getuigenis geven. Een wervend getuigenis van de heerlijkheid die in Jezus openbaar is geworden.
Maar het theologisch karakter van dit getuigenis hoeft niet in mindering te worden gebracht op de historische betrouwbaarheid ervan. Ik zie Johannes als theoloog van de Geest en geloof dat zijn getuigenis van Jezus juist daardoor recht doet aan de werkelijkheid.
Graag wil ik dat duidelijk maken aan de manier waarop het vierde evangelie over het zien van Jezus' werken en over het verstaan van Jezus' woorden spreekt.
Zien en zien is twee
Jezus heeft vele tekenen gedaan voor de ogen van zijn discipelen (20,30).
Maar deze tekenen konden op nogal uiteenlopende manieren 'gezien' worden. Niet iedereen die Jezus' tekenen zag, heeft ook Jezus' heerlijkheid gezien. Daar moeten je ogen voor geopend worden.
Zo kon Jezus in 6,26 tot de mensen zeggen dat zij Hem niet zochten omdat zij tekenen gezien hadden, maar omdat zij van de broden gegeten hadden en verzadigd waren. Dat klinkt wat merkwaardig als aan het begin van datzelfde hoofdstuk nog gezegd is dat de schare Jezus volgde 'omdat zij zijn tekenen zagen, die Hij aan zieken verrichtte' (6,2). Maar zien en zien is kennelijk twee.
Ook al zijn al deze mensen ooggetuigen geweest van Jezus' tekenen, zij hebben zijn tekenen niet gezien. Namelijk niet als openbaring van Jezus' heerlijkheid. Ze zijn bij de uiterlijke tekenen blijven staan. Als iemand uit deze schare een evangelie-verhaal had geschreven, dan had dit een ooggetuigenverslag kunnen worden dat in historisch opzicht kloppend is, terwijl toch geen recht was gedaan aan de werkelijkheid. Er is blijkbaar meer voor nodig om de Zoon te aanschouwen (6,40). Het aanschouwen van de Zoon impliceert immers de erkenning dat de Vader Hem gezonden heeft. In het samenvattende slot van hoofdstuk 12 wordt dan ook met nadruk geconstateerd: 'En hoewel Hij zovele tekenen voor hun ogen gedaan had, geloofden zij niet in Hem...' (12,37). Zowel hier (12,40) als elders wordt dit met een geestelijke verblinding in verband gebracht.
Vooral de geschiedenis van de blindgeborene is hiervoor illustratief (9,39-41).
Verstaanskloof
In de ontmoeting met Jezus geldt echter niet alleen dat zien en zien twee is. Ook als twee hetzelfde horen, horen ze nog niet hetzelfde. In de gesprekken waarvan het vierde evangelie ons 'verslag' doet, valt telkens weer op dat ook Jezus' woorden op zoveel onbegrip stuiten. Een paar voorbeelden: De eerste keer komt dit naar voren in het bericht over de tempelreiniging. Jezus spreekt over afbreken en het binnen drie dagen doen herrijzen van de tempel en de Joden reageren: 'Zesenveertig jaren is over deze tempel gebouwd en Gij zult hem binnen drie dagen doen herrijzen?' (2,20) In zijn gesprek met Nikodemus zegt Jezus dat niemand het Koninkrijk Gods kan zien, tenzij hij 'van boven' geboren wordt en Nikodemus vraagt: 'Hoe kan een mens geboren worden, als hij oud is?' (3,4) In het gesprek met de Samaritaanse vrouw spreekt Jezus over levend water dat Hij kan geven.
De vrouw merkt op dat Jezus toch geen emmer heeft (4,11). En als Jezus haar in het vooruitzicht stelt dat zij geen dorst meer zal krijgen, bedenkt ze dat ze dan niet meer naar de bron hoeft te gaan om te putten (4,15).
Na de komst van de discipelen vertelt Jezus hun van de spijs die Hij te eten heeft, waarvan zij niet weten. Dit leidt tot de verbaasde vraag of iemand anders Hem soms eten heeft gebracht (4,33). Bij de geschiedenis van de broodvermenigvuldiging lijkt Jezus zelfs bewust het onbegrip van zijn discipelen op te roepen met de vraag 'Waar zullen wij broden kopen, dat dezen kunnen eten?' Filippus tuint erin en probeert Jezus van de onmogelijkheid van zijn vraag te overtuigen: 'Tweehonderd schellingen brood is voor dezen niet genoeg.' (6,7). En als Jezus even later spreekt over het brood van God, dat uit de hemel neerdaalt, reageren de mensen op een soortgelijke manier als de Samaritaanse vrouw had gedaan: 'Here, geef ons altijd dit brood' (6,34).
Wanneer Jezus vervolgens zichzelf aanduidt als het brood uit de hemel, wordt de verstaanskloof al groter en groter (6,42.52). Enfin, wie het evangelie leest, zal zelf nog tal van voorbeelden vinden.
Heilige Geest nodig
Het zal wel niet toevallig zijn dat Johannes deze verstaanskloof zo vaak en op zoveel manieren benadrukt. Ik zie deze keer op keer gestelde vragen als een bewust gekozen stijlmiddel van de evangelist. Deze stilering hoeft geen afbreuk te doen aan het historisch gehalte van de verhaalde gesprekken. De evangelist gebruikt dit stijlmiddel niet om de werkelijkheid geweld aan te doen.
Eerder het omgekeerde: Om de volle werkelijkheid van wat er zich tussen Jezus en de mensen afspeelde tot zijn recht te laten komen. De aldus gestileerde gesprekken illustreren dat er geloof nodig is om aan de persoon van Jezus en aan zijn woorden recht te doen.
Of anders gezegd, de Heilige Geest is nodig om het geheim van de persoon van Jezus en de draagwijdte van zijn woorden te verstaan. 'De Geest is het, die levend maakt, het vlees doet geen nut; de woorden die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en zijn leven.' (6,63) In geen enkel ander evangelie wordt dan ook zoveel aandacht aan de Geest gegeven.
Met name in de afscheidsgesprekken is de Geest prominent aanwezig. De Geest der waarheid zal de discipelen straks immers de weg moeten wijzen tot de volle waarheid (16,13).
Tenslotte
Het vierde evangelie presenteert zich als geschreven door iemand die de leiding van de Geest der waarheid zelf ontvangen heeft om het getuigenis van Jezus te kunnen doorgeven op een manier die recht doet aan de werkelijkheid (vgl. 15,26-27). Juist als theoloog van de Geest doet Johannes met zijn getuigenis dan ook meer recht aan het unieke van Jezus, dan Kuitert met zijn schets voor een christologie waarin de Geest opmerkelijk afwezig is.