Veilig in Jezus' armen
1999-10-01
Onlangs zongen we bij een begrafenis in Eindhoven op aangeven van de familie het lied Veilig in Jezus' armen. Het was goed gekozen: niet alleen paste het mooi in de dienst - het bracht ook het houvast en de troost tot uitdrukking waarnaar ons hart die dag uitging. Ditzelfde lied echter wordt door prof. dr. H.M. Kuitert genoemd als voorbeeld van de (zoals hij het noemt) 'Jezus-vroomheid' waarbij hij een aantal forse kanttekeningen plaatst. Hij komt tot de slotsom dat in een lied als dit Jezus wordt genoemd, maar God bedoeld (231). Daarover in dit artikel meer.- Jaargang 43
- nummer 20
Veilig in Gods armen
Het is al gauw onverkwikkelijk, theologische debatten te voeren rond de troost die mensen zoeken en vinden in het geloof.
Kuitert is zich daarvan scherp bewust. Hij heeft niet de bedoeling christenen iets kostbaars af te pakken, laat staan hen te verbieden een lied te zingen dat hun dierbaar is.
Aan de andere kant wil hij voorkomen dat alle inhoudelijk gesprek over het geloof onmogelijk wordt. Het kan toch niet zo zijn dat iets onbespreekbaar wordt, enkel en alleen doordat iemand er troost bij vindt? Dan zou je ook een moslim of een animist geen enkele vraag meer kunnen stellen over de inhoud van zijn geloof. Vandaar dus dat Kuitert toch het gesprek opent over de richting waarin christenen troost zoeken. Dát wij troost zoeken, bijvoorbeeld wanneer wij geconfronteerd worden met de dood, staat voor hem niet ter discussie. Integendeel, Kuitert rekent het tot de kern van het geloof in God, dat het ons houvast biedt als onze sterfelijkheid ons angst aanjaagt.
Hij kan er zelf in zijn boek ontroerende dingen over zeggen: "Leven voor Gods aangezicht is er gerust op zijn dat wij Hem niet ontgaan als het einde komt.
Is geloven dat Zijn vriendschap eeuwige vriendschap is, dat Hij ons opvangt in het uur van onze dood, om ons voor de eeuwigheid te bergen." (200) Als er een lied bestond 'Veilig in Gods armen, veilig aan Gods hart', dan zou hij het van harte meezingen. Waar hij vraagtekens bij plaatst, is dat hier de naam van God vervangen is door de naam van Jezus. Is dat dan niet hetzelfde? Jezus is toch God? "Nee!" zegt Kuitert, "dat is het 'm nou juist!" De vraagtekens die hij plaatst bij de 'Jezusvroomheid' komen voort uit zijn ingrijpende kritiek op de officiële leer van de kerk dat Jezus 'waarachtig God en waarachtig mens' is.
Jezus zelf
Een van de beslissende redenen die Kuitert aanvoert om het met die leer niet eens te zijn, is dat Jezus zelf zijns inziens nooit geclaimd heeft dat Hij God zou zijn. Sterker nog: Hij zou dat ook nooit hebben kunnen claimen.
Jezus was immers een Jood, en Joden geloven in één God: God in de hemel. Jezus heeft op die God vertrouwd; tot Hem gebeden; aan Hem gehoorzaamd.
Dat deed Hij op zo'n ongewoon intense en integere wijze, dat Hij ons als zodanig veel te zeggen heeft. Hij was zich bovendien bewust van zijn bijzondere roeping.
Ook om die reden kunnen wij niet gemakkelijk om Jezus heen. Maar nooit heeft Jezus zijn Joodse geloof verloochend door zichzelf naar voren te schuiven als God. Alle teksten in de evangeliën die erop duiden dat Hij zich met de Vader vereenzelvigde, moeten in het licht van de Joodse godsdienst gelezen worden.
Jezus de Zoon van God?
Zeker, maar dan zoals ook het volk Israël 'Gods zoon' heet, Hosea 11:1(129/130).
Als in het Nieuwe Testament al wordt gekoerst in de richting van de leer dat in Jezus God zelf op aarde gekomen is, dan hebben we daarin niet met de opvatting van Jezus zelf te maken, maar met gedachten die men zich later over Hem is gaan vormen.
Dat onderscheid is voor Kuitert belangrijk: Jezus zoals Hij zichzelf zag, en Jezus zoals de mensen Hem later zijn gaan zien.
Tot dat laatste rekent hij de kerkelijke leer dat Jezus tegelijk waarachtig God en waarachtig mens was. Zo is men Hem later gaan zien, maar denk niet dat Hij ooit zichzelf zo heeft gezien! Op dat onderscheid maakt Kuitert nu ook de mensen attent, die graag het lied zingen 'Veilig in Jezus' armen'.
Hij wil hen beslist niet veroordelen.
Hij wil hun wel de vraag voorleggen: "Wat denken jullie: zou dit lied overeenstemmen met de kijk die Jezus op zichzelf had? Of komt het uit een veel latere wereld, toen mensen over Jezus heel andere dingen zijn gaan denken?" Voor hem staat vast, dat dat laatste het geval is. Hoe zou Hij, die als een echte Jood gestorven is met het psalmwoord "In uw handen beveel Ik mijn geest" (psalm 31:6), ooit mensen hebben kunnen leren dat zij hun geest in zijn, Jezus' handen moesten aanbevelen?
Voor Kuitert is deze manier van sterven voorbeeldig: "Hij sterft zoals ik zou willen sterven: in Gods handen mijn geest aanbevelen." (266) En hij vermoedt dat het lied 'Veilig in Jezus' armen' voor veel christenen eigenlijk ook niets anders wil zeggen: in het uur van mijn dood ben ik bij God veilig. Men zegt 'Jezus', maar men bedoelt 'God'. Als dat zo is, wordt het allemaal veel eenvoudiger.
Dan kun je heel die ingewikkelde twee naturen-leer met een gerust hart laten vallen. Sterker nog: juist door die leer te laten vallen, kom je dan bij de essentie uit van het geloof. Christelijk geloof is dan: als je geconfronteerd wordt met je dood, met Jezus mee leren zeggen tegen God: "In uw handen beveel ik mijn geest."
Ik ben de goede Herder
Aan overwegingen passages als deze is te merken dat Kuitert geen kille rationalist is, en ook niet iemand die het erom te doen is het geloof af te breken. Stel je voor dat je op je werk tussen al die collega's die nergens aan doen, iemand zou treffen die zich aangesproken weet door dat laatste kruiswoord van Jezuszou je je niet verwant aan hem of haar voelen? Dat neemt niet weg, dat er reden is om een kritisch gesprek met Kuitert aan te gaan. Hij zelf zal de laatste zijn om daar be zwaar tegen te maken. Hij pleit immers voor de inhoudelijke toetsing van ieders geloofsstandpunt; het kan niet de bedoeling zijn dat geloofsopvattingen onbespreekbaar worden, doordat ze zijn ingebed in de persoonlijke vroomheid waar je op een of andere manier niet aan mag komen. Daarom nu toch een tegenwerping tegen zijn 'oplossing' "Jezus zeggen, maar God bedoelen". Dat klinkt sympathiek, maar doet het recht aan de manier waarop in het evangelie over Jezus gesproken wordt? In Johannes 10:28 zegt de Goede Herder van de schapen die Hem zijn toevertrouwd: "Niemand zal ze uit mijn hand roven." Pal daarna, in vers 29: "Niemand kan iets roven uit de hand van mijn Vader." De suggestie is duidelijk: als je in de handen van de Goede Herder bent, ben je in de handen van de Vader. Er hoeft niet gekozen te worden tussen 'veilig in Jezus' armen' en 'veilig in 's Vaders armen'. Niet toevallig volgt in vers 30 als korte en veelbetekenende afsluiting van dit gedeelte: "Ik en de Vader zijn één." Het is teleurstellend om te zien hoe weinig aandacht Kuitert aan woorden als deze schenkt.
Hij noemt ze in zijn boek, maar gaat er niet echt op in. Trouwens: voor heel het evangelie naar Johannes heeft hij niet meer dan anderhalve bladzijde over. Het weerhoudt hem niet van de forse conclusie: "Johannes identificeert niet Jezus en God. Jezus is niet God en God is niet Jezus." Op deze manier maakt Kuitert het zich echt te gemakkelijk. Neem alleen maar de wijze, waarop Jezus in het hogepriesterlijk gebed tot God spreekt van "de heerlijkheid die Ik bij U had, eer de wereld was" (Johannes 17:5).
Geeft Hij daarmee niet te kennen, dat zijn afstand tot de Vader on-aards gering is? Daarop wijst ook de gedurfde manier waarop Jezus in Johannes 8:24 en 58 de Gods-naam "Ik ben die Ik ben" naar zichzelf toehaalt: "Wanneer gij niet gelooft dat Ik ben, zult gij in uw zonden sterven; ... eer Abraham was, ben ik." Trouwens, in het motto van Johannes 10, "Ik ben de Goede Herder", klinkt onmiskenbaar Ezechiël 34 na: "Mijn herders vragen niet naar mijn schapen; de herders weiden zichzelf.
... Zo zegt de Here HERE: Zie, Ik zàl die herders! ...
Ik zelf zal mijn schapen weiden, Ik zelf zal ze doen neerliggen, luidt het woord van de Here HERE." (vs 8,10,15) Natuurlijk, dit is nog niet de twee naturen-leer.
Maar het is wel het geheimenis dat de twee naturen-leer heeft willen aanduiden. Die leer mag ingewikkeld zijn, geformuleerd met behulp van een wijsgerig jargon waarop het nodige is aan te merken - daarmee is het nog niet een onnodig moeilijk doen. Want het maakt nogal wat uit, of Jezus slechts naar de Vader verwijst, dan wel in eigen persoon de Vader tegenwoordig stelt.
Kuitert houdt het op het eerste. Voor hem wijst Jezus van zichzelf af, naar de Vader zoals wij Hem kennen uit het Oude Testament. De twee naturen-leer is het te doen om het laatste. Jezus vraagt aandacht voor de Vader, door aandacht voor zichzelf te vragen. Wie God is, is Hij in Jezus. Buiten Jezus om heb je God niet.
Vandaar, dat in bijvoorbeeld I Corinthiërs 10:4 en Hebreeën 11:26 de Here Jezus als het ware wordt terug geprojecteerd in het Oude Testament.
Buiten Christus om is er geen God van barmhartigheid en genade, van lankmoedigheid en goedertierenheid.
En zo kan Stefanus sterven met de woorden: "Here Jezus, ontvang mijn geest." Ofwel: veilig in Jezus' armen...
Geen brug
Is het nodig om zo'n punt hiervan te maken, en de woorden zo op een goudschaaltje te wegen? Ja, toch wel. Want uiteindelijk gaat het om het werkelijkheidsgehalte van ons geloof in God. Zoals gezegd: om dat geloof is het ook Kuitert te doen.
De God van het Oude Testament, die barmhartig en genadig is, lankmoedig en groot van goedertierenheid - voor de naam van die God komt hij op, bewogen en hartstochtelijk.
En juist daarom pleit hij ervoor, de verering van Jezus terug te schroeven.
Zijn intentie is: het geloof in God minder problematisch te maken, door een lossere band tussen God en Jezus aan te nemen.
Maar daar blijkt heel veel aan vast te zitten. Hij is griezelig consequent in zijn verzet tegen de voorstelling van Jezus als God-op-aarde: God is voor hem enkel en alleen God-in-de-hemel. Dat wil zeggen: God gaat zo volkomen boven ons uit, dat Hij onbereikbaar voor ons is.
God is boven, en wij zijn beneden, en er is geen brug tussen Hem en ons.
Ook in die zin is die brug er niet, dat er geen openbaring van God bestaat die het ons mogelijk maakt om met zekerheid te zeggen: nu hebben wij God ontmoet. Wij kunnen denken God ontmoet te hebben, maar of het ook echt zo is - dat moeten we afwachten.
Kuiterts verzet tegen de voorstelling dat in Jezus God zelf op aarde gekomen is, wortelt dus in zijn afwijzing van de gedachte dat God zich rechtstreeks en ondubbelzinnig laat kennen. Dat God barmhartig en genadig is, lankmoedig en groot van goedertierenheid, dat is niet meer dan een beeld van God dat mensen zich van Hem gevormd hebben.
Kuitert vindt het een prachtig beeld, dat hij zelf ook voor zijn rekening neemt, maar hij brengt het zichzelf steeds in herinnering (ik zeg het in mijn eigen woorden): "Pas op: zo denken wij dat God is. We kunnen daar goede redenen voor hebben, maar daarmee is nog niet gezegd dat Hij echt zo is." (vgl. 192) Zo geldt ook van het 'veilig in Gods armen' dat het onze voorstelling van God ismeer niet. Wie de echte God is - dat weten wij niet. Daarover is het laatste woord nog niet gezegd.
De werkelijkheid van God
Dat nu is een conclusie die, nieuwtestamentisch gesproken, niet kan. Het middelpunt van de verkondiging van de getuigen van Jezus is immers dat God zich wel degelijk laat kennen, hier, op aarde, met handen te tasten (I Johannes 1:1) Is het een menselijke voorstelling dat God barmhartig en genadig is, of is Hij het echt? Het Nieuwe Testament houdt het zonder enige aarzeling op het laatste, en dat heeft alles met Jezus te maken. In de barmhartigheid en genade die Hij door zijn leven en dood de mensen bewijst, wordt Gods eigen barmhartigheid en genade aardse werkelijkheid.
Met andere woorden: dat God werkelijk is zoals het oude Testament Hem beschrijft, dat 'hangt niet in de lucht', zoals Kuitert het noemt (192), maar dat wordt bevestigd, vast en zeker gemaakt, door het optreden van Jezus van Nazareth. Zijn verschijning is het absolute hoogtepunt van alle eerdere openbaringen van God in de geschiedenis. In Jezus wordt God-in-de-hemel concreet, zo concreet als nooit tevoren. Niet voor niets zegt Hij volgens Johannes 14:9 tegen Filippus: "Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien... En zo hangt ons geloof in God aan Jezus.
Dankzij Hem krijgen wij vaste grond onder de voeten, als wij zoeken naar veiligheid en geborgenheid bij God. Die wonderlijke twee naturen-leer heeft als onmetelijk belangrijke boodschap: "God-in-de-hemel heeft zijn werkelijkheid aan ons onthuld door in Jezus God-op-aarde te zijn." Of, zoals Ad den Besten het in gezang 151 onder woorden brengt: Wij danken U, God die Gij zijt, dat Gij ons menslijk wilt ontmoeten.
Kortom: ik verschil hartgrondig met Kuitert van mening, als hij stelt dat de kerkelijke christologie herzien moet worden "om God zijn plaats terug te geven in de geloofsbeleving van de christenheid" (313) Ik kom niet uit met zijn concept van God-in-de-hemel, omdat hij het presenteert als iets dat in de lucht hangt en waarover het laatste woord nog niet gezegd is. Ik houd het er met Hebreeën 1:1 op, dat God zijn laatste en diepste woord al wél gesproken heeft, en dat wij zijn heerlijkheid nergens beter aan kunnen aflezen dan aan Jezus van Nazareth, zijn Zoon, de Gekruisigde en Opgestane, de 'afdruk van zijn wezen' (Hebreeën 1:2).