Kan het anders?

1998-04-17
  • Jaargang 42
  • nummer 8
Op zondag 28 maart werd een televisiekerkdienst uitgezonden vanuit de Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt) in Assen-Zuid. Voorganger was ds. Oeds Bouwsma.

De predikant stond tijdens de gehele dienst niet op de kansel, hij liep voor de kansel heen en weer. Tijdens de dienst en vooral tijdens de preek stelde de predikant vragen aan gemeenteleden. Voor het gebed konden kerkgangers gebedsonderwerpen aangeven. De preek ging over de ware wijnstok; op het podium voor de preekstoel stond een wijnstok, compleet met druiventrossen. De dominee knipte slechte takken af, liet druiven zien, reageerde op gemeenteleden.
De liederen kwamen uit het Psalmboek, uit het Liedboek, uit de E&Rbundel, er werd gezongen bij het orgel en met de piano, gemeenteleden hadden eigen muziekinstrumenten mee. Gemeenteleden hielpen ook bij de collecte. Het was een blijmoedige dienst.

Niet eerbiedig?
"Nee, zo moet het niet, dat is niet eerbiedig" is een reactie die nogal eens te beluisteren valt. Zelf heb ik de dienst 2 maal op video bekeken en 2 maal was ik onder de indruk van deze kerkdienst.
Op sommige punten vallen nog wel enkele opmerkingen te maken, maar het is mijn stellige overtuiging dat deze dienst tot heil van de gemeente en tot eer van God was. Goed voorbereid, goed opgezet.
Kan dat dan zomaar in de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt)? Volgens ds. De Bruijne, docent liturgiek in Kampen, kan er veel. "Veel van wat ik genoemd heb, past binnen de bestaande liturgische afspraken in het kader van onze kerken." (Opbouw, 42/7). De kerkdienst vanuit Assen-Zuid was daar een voorbeeld van.

Feestelijke diensten?
Geheel in deze lijn schrijft het blad Eén plus 1. Dit Gereformeerd magazine voor onderwijs en opvoeding vraagt zich af waarom jongeren de als feestelijk bedoelde diensten als lang en afstandelijk ervaren. Waarom vinden kinderen en jongeren de hoogtepunten van het kerkelijk jaar juist heel vervelende en saaie diensten? Waar zijn we dan nog mee bezig? Het blad voert een pleidooi om kinderen meer te betrekken bij de eredienst en zeker bij deze diensten. "Gebruik bekende christelijke kinderliedjes als muzikale intermezzo's tijdens de avondmaalsviering, of laat de predikant een kringgesprek voeren." En: "Laat ze toeschouwers zijn op de eerste rang, de voorste rijen stoelen in de kerk."
En in het Nederlands Dagblad (4 april 1998) schrijft Gerhard Wilts onder de titel De kerkdienst moet aansluiten bij de leefwereld van de jeugd: De huidige tijd stelt andere eisen aan betrokkenheid. Wie weet nog waar de preek van drie weken geleden over ging? Weet de dominee het zelf nog? De luisterhouding is veranderd, overigens niet alleen bij de jeugd. De massamedia en het onderwijs spelen er al langere tijd op in: de boodschap wordt korter, visueler en concreter gebracht.
Op die manier wordt tegenwoordig het publiek bereikt. Daar is niks mis mee. Bovendien werkt het ook nog ....

Weerstanden
Wilts vervolgt: "Jammer genoeg zijn de wenkbrauwen snel gefronst, als het over de invulling van de kerkdiensten gaat. Tekeningen ophangen in de kerk, vinden we al heel wat. Maar een overheadprojector gebruiken om de preek samen te vatten, of om voorwerpen mee te nemen op de kansel, is sommigen een brug te ver. Actieve inbreng van de jeugd in de kerkdienst kost nóg meer overredingskracht, hoewel de kerkorde niet verbiedt dat jongeren collecteren, een gebed uitspreken of apart een psalm zingen." Zijn conclusie (n.a.v. een onderzoek onder Gereformeerde jongeren is: ze willen wel meedenken en meepraten. Onder andere aan de kerkdienst meten ze af hoe het geloof beleefd wordt. "Als de kerkdienst te theoretisch is, wordt het tijd om daar wat aan te doen."

En nu de praktijk ...
Wilts signaleert hier een spanningsveld dat niet alleen in zijn Gereformeerde kerken (vrijgemaakt) speelt. Ook in onze kerken is er sprake van weerstand tegen veranderingen in de vormgeving van de erediensten.
De zondagse praktijk in de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt) ziet er (nog) wel anders uit dan de kerkdienst die we op de televisie zagen. Althans, voorzover mijn waarneming reikt, en die waarneming is beperkt. De 'officiële' dienst, vanaf het votum tot de zegengroet, lijkt nog altijd strak te zijn ingekaderd. Waarom kon het in Assen-Zuid dan wel? Omdat het een televisie-dienst was? Dat lijkt me niet. Nog niet zo lang geleden werd in deze kerken benadrukt dat radio-en televisiediensten 'gewoon' moesten zijn, zoals iedere zondag. Of: kon het nu omdat het een dienst met verstandelijk gehandicapten was?
Die verklaring lijkt me meer van toepassing. In ieder geval ga ik er niet vanuit dat iedere kerkdienst in Assen- Zuid deze vorm heeft. Voor mij was echter zondermeer duidelijk dat zelfs in zo'n grote gemeente een op deze wijze vormgegeven dienst in goede orde kan verlopen. Misschien is het een proeftuin voor verdere ontwikkelingen.

Intermezzo; de opleiding
Moet iedere predikant nu zo gaan werken?
Nee, ik denk dat Ds. Bouwsma op dit punt bijzondere gaven heeft gekregen. Niet iedere predikant zal op zo'n ontspannen wijze voor kunnen gaan. De dienst hoeft ook niet altijd op deze manier gehouden te worden. Er kunnen zich belemmeringen voordoen. Maar, zoals drs. A.L. Th. de Bruijne opmerkte (zie: Opbouw, 42/7) maak óók gebruik van de gaven in de gemeente! Er kunnenaast de predikant - andere gemeenteleden worden ingezet bij de kerkdienst en ook bij de preek.
Een zwakte tot nu toe is geweest dat de opleidingen voor predikant over het algemeen weinig aandacht hebben besteed aan het creatief om kunnen gaan met de vorm van de eredienst. Het is een punt dat aandacht verdient bij de opleiding van onze aanstaande predikanten. Veel opleidingen zijn nog altijd sterk gericht op het overdragen van kennis, op het cognitieve aspect.
Dr. G. de Lange wijst erop dat datzelfde accent ook gelegd wordt bij de interpretatie van de doopvragen: te onderwijzen en te doen onderwijzen. ...
"Onderwijzen is in het Nederlands een verstandelijke aangelegenheid. Maar er zal toch niemand zijn die denkt dat kinderen door onderwijs, door 'lessen', leren om te geloven?" (In: G. de Lange, Leren wandelen aan Vaders hand, Amsterdam, 1997).
Kennis is broodnodig, maar als het ten koste gaat van het vieren leidt dat tot scheefgroei in de kerken. De aandacht voor nieuwe vormen van verkondiging zal, naar mijn mening, meer geïntegreerd moeten worden in de theologische opleidingen. De tijden .zijn immers veranderd. Veel meer dan vroeger vragen specifieke plaatselijke situaties om specifiek gerichte antwoorden.
Een kerk met veel jongeren, een gemeente met asielzoekers, een kerkdienst na een evangelisatie-campagne: ze vragen om verschillende vormen van eredienst, waarbij de inhoud hetzelfde blijft.

Een betere aansluiting ...
Een minder vergaande vorm van 'verandering' dan tijdens de kerkdienst in Assen-Zuid zien we in de Gereformeerde kerk (vrijgemaakt) van Groningen-Oost. Daar heeft de kerkenraad het volgende besluit genomen: "De kerkenraad is van mening dat het in deze tijd noodzakelijk is om te werken aan een betere aansluiting van de eredienst bij de leefwereld van kinderen en aan het helpen van ouders om hierin hun eigen verantwoordelijkheid te verstaan." Naar aanleiding van dit besluit werd een werkgroep ingesteld die handreikingen opgesteld heeft om ouders te helpen om hun kinderen meer bij de eredienst te betrekken. Daarnaast worden de beide predikanten door deze werkgroep met raad en daad bijgestaan opdat minstens één maal per zondag in de preek en in de liturgie de kinderen nadrukkelijk bij de eredienst worden betrokken. In een toelichting op de gevolgde werkwijze· schrijven de beide predikanten (ds.
J.W. Roosenbrand en ds. C. van der Leest) dat het niet de bedoeling is om de hele kerkdienst rond de kinderen te laten draaien. "Er zijn elementen die hen hopelijk (met hulp van de ouders!) net even wat meer bij het Evangelie en bij de gemeente betrekken." Tijdens het GVI-congres over Kind en Eredienst was ook materiaal voorhanden vanuit de kerk van Groningen Oost. Zo konden de congresgangers kennis nemen van een uitleg voor de kinderen (op papier) van een preek over de Goede Herder (+ een kleurplaat), van een preek over de Wonderbare Raadsman (Jesaja 9 : 5 en 6; met een puzzel en een kleurplaat) en van Zondag 33 (de oude en de nieuwe mens). Daarnaast waren er evaluatieformulieren beschikbaar voor ouders.
Wat vonden uw kinderen van de dienst? Wat vond uzelf als volwassene van de dienst? (enz.). Duidelijk zal zijn dat deze werkvorm discipline van de voorganger vraagt. De voorbereidingsgroep moet voldoende tijd hebben om het materiaal van de preek te verwerken voor de kinderen.

Het moet ook anders ....
De tweede spreker tijdens het GVIcongres 'Kind en Eredienst' was mevrouw M. Vrijmoeth-de Jong uit Zwolle. Een Nederlands Gereformeerde gast op een landelijk congres van de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt).
Mevrouw Vrijmoeth ging in op de vraag waarom de plaats van het kind tijdens de eredienst anders zou moeten zijn dan vroeger. "Vroeger leerden we toch ook gewoon om mee te gaan naar de kerk? Wij begrepen toch ook niet alles? Een kind steekt toch van de kerkdienst altijd wel wat op?" Dat zijn geluiden die we nog altijd te horen krijgen. Met een verwijzing naar het bekende voorbeeld van de Friezen in Brabant van Prof. W. ter Horst gaf mevrouw Vrijmoeth aan dat de tijden veranderd zijn en dus zullen ook wij anders moeten gaan denken. Vroeger nam je het geloof mee van je ouders, ooms en tantes, van je vrienden, de buren, op school. Zelfs als de ouders thuis geen Fries spraken leerde het kind wel Fries te spreken. Nu zul je als ouders doelbewust moeten investeren om het kind Fries te leren, want in Brabant leer je op straat en op school geen Fries. Mevrouw Vrijmoeth: "De cijfers zijn alarmerend. Er worden aantallen van 50% 'afhakers' binnen de (orthodox) Gereformeerde gezindte genoemd. Dat betekent een enorm verdriet bij de ouders, vaak zonder dat erover gesproken wordt. 'Ja, ze studeren', hoor je dan als reactie. We kunnen," aldus mevrouw Vrijmoeth-de Jong, "niet doen alsof er niets aan de hand is. God wil niet dat één van deze kleinen verloren gaat!"

wordt vervolgd


Friezen in Brabant

Christen-opvoeders van vandaag zijn te vergelijken met een Fries gezin dat naar Brabant is verhuisd. Die ouders willen graag dat de kinderen de taal van hun voorgeslacht leren spreken. Maar tot hun verbijstering gaat dat niet meer vanzelfsprekend. En nu weten ze niet meer hoe ze het aan moeten pakken. Zelf zijn ze in een Fries sprekende omgeving groot geworden.
Iedereen sprak Fries en dus deden ze het zelf ook. De lessen Fries op school versterkten alleen maar wat ze allang al konden. Ze waren onopzettelijk in de taal binnen geleid. Maar nu is het anders. Als de kinderen naar school gaan komen er problemen. Ze gaan Brabantse woorden gebruiken en hun tongval blijft ook niet dezelfde. Willen die Friese ouders hun kinderen ook Fries leren, dan zullen er twee dingen moeten gebeuren: (1) Ze zullen opzettelijk en systematisch te werk moeten gaan. Alleen maar zelf Fries spreken en aannemen dat de kinderen dan ook wel Fries zullen gaan spreken werkt niet in Brabant. (2) Ze zullen de moeite moeten nemen ergens een Fries sprekende gemeenschap op te zoeken of zelf te vormen. Een gemeenschap waar ze zich zelf thuis voelen en waar de kinderen het ook fijn vinden. Want alleen thuis een taal leren, zonder hem te gebruiken buiten de deur, gaat niet. Christelijke opvoeding gebeurt tegenwoordig: opzettelijk, systematisch en in gemeenschap.

Uit: Dr. W. ter Horst, Christelijke Geloofsopvoeding, blz. 26

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief