Dopen

1998-04-17
  • Jaargang 42
  • nummer 8
Op zondagmiddag staat ze bij de achterdeur: 'Mag ik bijjullie spelen?'
Ik moet haar teleurstellen. Ik gun haar van harte de uurtjes die ze bij ons doorbrengt, voor haar even weg uit de ruzies thuis, maar nu staan we op het punt weg te gaan. 'We gaan naar de kerk. ,'. Ik zie haar denken: 'De kerk? Wát moet je daar met dit mooie weer doen?' DJ de kinderen ook gaan, wil ze weten. Ik knik: 'Ze gaan allemaal mee, want het is een beetje Jeest in de kerk. Er wordt een kindje gedoopt.' Ze doet een klein stapje achteruit, vraagt toch nog verbaasd: 'Vinden MarJon én Jacco en Erik dat leuk?' Ik knik weer. begin iiltussen tandpasta op mijn tandenborstel te doen.
'Gaan de mensen dan niet huilen?' Ik begrijp haar vraag niet. Waarom zouden de mensen gaan huilen?
Ze haalt een beetje haar schouders op: 'Nou, ais dat kindje wordt gedood.' Pas dan snap ik dat ze mij verkeerd heeft verstaan. En ik had er eerder aan moeten denken dat zij mij ook niet zou begrijpen. Hoe zou ze kunnen. ze heeft waarschijnlijk nog nooit van het dopen van kinderen gehoord . Ik: leg de tandenborstel neer, en probeer het te vertellen. Dat wij allemaal bij God mogen horeil, en dat we daarom de baby's dopen, om het zo nog extra te laten zien.
Ze knikt, maar lijkt niet echt overtuigd.
Ze blilft een beetje argwanend kijken, schuifelt de deur uit.
Terwijl ik tandenpoetsend haar door het keukenraam na kijk vraag ik mij aJ oJ dit gesprek enige evangelisatiewaarde heeft.
Ik heb zo het idee dat ik haar voorlopig niet hoe] te vragen of ze meegaat naar de kerk.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief