„Hij werkt vandaag niet, hij rust”

1998-05-29
  • Jaargang 42
  • nummer 11
Wie zou mij beter gekend hebben dan Mamdabuli? Toen ik vroeg 1960 op Groothoek begon te werken, was zij een vrouw van midden dertig met vier kinderen.
Eén was al gestorven, een ander zou datzelfde jaar nog geboren worden en sterven. Zij behoorde tot de allereerste kerkgangers en zou een paar jaar later met haar kindertjes gedoopt worden.

Het gezin was armer dan de armsten. Haar man kwam ook in de kerk, probeerde het met de Heer maar koos uiteindelijk toch voor de drank wat een jaar of vijftien later ook zijn dood zou worden. Er werden nog eens vier kinderen geboren, de laatste in 1967 die een jaar of twee werd. Een ander was intussen ook alweer gestorven. En later werd er nog eens één als een jongen van een jaar of achttien vermoord.
Hoe ze in leven bleven, was ons een raadsel. Ik had hard geprobeerd haar man aan het werk te zetten op de zendingspost wat op geen wijze lukte. Toen maar bij ons zelf in de tuin aan het werk en af en toe wat in huis helpen. Directer toezicht zou wat beter werken, nietwaar? Het ging erom Mamdabuli en haar kinderen in leven te houden! Het werd er niet beter op toen we op een kwade dag ontdekten dat ons toch wel weggestopte huishoudgeld van die maand verdwenen was en wij bij navraag hier en daar hoorden dat de tuinman plotseling over heel wat geld beschikte. Maar we lieten Mamdabuli er maar buiten. Haar zorgen waren vele malen groter dan de onze! Maar toen meneer-tuinman meer tijd aan de drank dan aan de tuin begon te geven, hield dat werk ook op. Drank is meer veeleisend dan een tuin! Er zijn niet veel gezinnen waar ik meer thuis geweest ben dan dat van Mamdabuli. Wat een prachtvrouw! Ik heb haar feitelijk nooit horen klagen. Na een felle huilbui op mijn studeerkamer richtte ze zich dan weer op: „dat geeft de Heer mij te dragen”. Toen later haar oudste zoon eindelijk met een keurig meisje getrouwd was, trok haar spoedige dood door kanker opnieuw een streep door het weinig mooie in het leven van Mamdabuli. Een andere zoon werd doodgestoken en de oudste dochter was enkele jarenlang spoorloos. Maar Mamdabuli, ze leefde waardig voort. De dood van manlief was eigenlijk – achteraf – wel een uitkomst. Mamdabuli werd onze tuinvrouw en is dat jarenlang gebleven. Ze bleef de wat onopvallende maar waardige en gerespecteerde vrouw in samenleving en kerk. Mamdabuli is nog in leven, tegen de 80 aan. Ik zou haar na al die jaren toch nog wel eens willen vragen: moeder, weet je nog wel dat ik eens op een morgen hard aan het werk was op mijn studeerkamer en jij, moeder Mamdabuli, was buiten aan het vegen. En dat er mensen van ver kwamen om mij te spreken en vroegen of ik er ook was.
En dat jij hun gedienstig vertelde dat ik die dag niet werkte, maar dat ik rustte omdat ik op mijn studeerkamer was.
Dat ik niet zoals gewoonlijk die dag op stap was.
Herinner je je dat nog, Mamdabuli? Heb je heus gedacht dat ik daarbinnen al die jaren zat te niksen wanneer ik les gaf, administratie deed of wat ook al? Is werken alleen iets met je handen of benen doen? Dat anderen, verder weg, mij niet begrepen maar jij? Zoals toen ik eens – ik was al diep in de 50 – nog een fikse berg op moest op weg naar huis en mezelf, moe na een lange dag, toch wel wat flink vond, en ik mensen in de verte hoorde praten: daar is de umfundisi van Enkumane, hij loopt nog flink, en toen een ander, belerend: dat komt omdat hij een blanke is en blanken eten vlees, snap je. Dat waren vreemden, Mamdabuli, maar jij dan? Wanneer jij dan zo weinig van mij hebt verstaan, heb ik jou dan al die jaren wel begrepen?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief