Het welmenend aanbod van genade

1998-05-29
  • Jaargang 42
  • nummer 11
Ik zal het u niet kwalijk nemen als u bij het lezen van bovenstaande uitdrukking niet onmiddellijk weet waar u die moet plaatsen en wat ermee bedoeld wordt. In ons type kerken is het ook geen gangbare term. Dit in tegenstelling met de rechterflank van de Gereformeerde Gezindte, waar voor deze en daarmee verwante onderwerpen juist heel veel aandacht is (denk aan het boekje van Blaauwendraad, waar ik een aantal maanden geleden in deze rubriek uw aandacht voor vroeg).
Waar gaat het om bij dat ’welmenend aanbod der genade’? Kort gezegd: dat God het werkelijk meent als Hij ons Zijn heil aanbiedt, maar dat het tegelijk niet in de macht van de mens ligt om dat aanbod aan te nemen.
Daar zit dus een behoorlijk stuk spanning in; een spanning die in stand gehouden wordt door de grote angst om in de dwaling van de Remonstranten verzeild te raken. Nu is angst bijna altijd een slechte raadgever, en dat merk je ook als het om dit soort dingen gaat. De royaalheid en de ruimte van de bijbelse boodschap worden maar al te vaak op een krampachtige manier, via allerlei subtiele onderscheidingen, op de gewenste (minimale) maat gesneden. In het blad De Saambinder (van de Gereformeerde Gemeenten) schrijft ds. W. Silfhout over deze dingen; hij doet dat naar aanleiding van een vraag over de in het doopformulier genoemde tekst Handelingen 2:39: „Want voor u is de belofte, en voor uw kinderen”. Wat houdt dat in, dat de belofte van God geadresseerd is aan de gedoopten? Nu, zegt ds. Silfhout: We moeten onderscheiden tussen de aanbieding van de beloften én de verbondsbeloften zelf, die alleen de uitverkorenen gedaan zijn. Of, om het met andere woorden te zeggen: We moeten onderscheiden tussen de openbaring en het wezen van het verbond.
Dat onderscheid heeft direct te maken met de vraag of de beloften van het Evangelie voorwaardelijk zijn.
Nee, antwoordt ds. Silfhout op die laatste vraag: het is niet zo dat de vervulling van de belofte afhankelijk is van de vraag of de mens aan de voorwaarden voldoet. Want weliswaar zijn volgens de Dordtse Leerregels bekering en geloof de ’voorwaarden’ om de beloften van het Evangelie te verkrijgen, maar – met een citaat van Hellenbroek: De voorwaarden zijn tevens beloften van het verbond.
Dat wil zeggen: wat God van de mens vraagt is tegelijk wat Hij aan diezelfde mens wil geven. Uit zichzelf kan de mens zich niet bekeren noch geloven.
Als we de voorwaarden van bekering en geloof losmaken van de belofte, komen we in remonstrants vaarwater terecht. Dan hangt het van de mens af of God Zijn belofte kan vervullen in de harten van zondaren.
En de konklusie van Silfhout: Hoewel dus de beloften van het verbond aan allen die onder het Woord verkeren welmenend worden aangeboden, zijn ze alleen aan de uitverkorenen, aan Christus’ zaad vermaakt.
Aanbieden is één ding, maar ook werkelijk ontvangen wat aangeboden wordt: dat is nog weer heel wat anders. Maar, zegt iemand: meent God het dan nog wel echt als Hij ons Zijn beloften geeft? Ligt het dan niet voor de hand om te concluderen dat Gods beloften alleen bestemd zijn voor een klein groepje uitverkorenen?
Maar die kant wil ds. Silfhout niet uit (logisch, want juist over dit punt is er in de vijftiger jaren een scheuring gekomen in de Gereformeerde Gemeenten, toen dr. C. Steenblok die conclusie trok: helemaal geen algemene aanbieding van de genade; het heil wordt alleen aan de uitverkorenen aangeboden). Silfhout zegt daarover: Nu moeten we ervoor oppassen dat we af zouden doen aan de welmenende aanbieding van de beloften in het Evangelie, die God mede in de doop verzegelt. Die aanbieding is onverkort van kracht.
Dat klinkt mooi. Maar pas op: op het moment waarop jij zou willen aanpakken wat je wordt aangeboden, blijft er van dat welmenende niet zo bar veel over. Ho ho, je moet toch wel eerst aan de voorwaarden voldoen. Nee, niet die van geloof en bekering, maar wel van het vertonen van de juiste eigenschappen die nodig zijn om de beloften te ontvangen.
En Silfhout citeert dan dat prachtige woord van de Here Jezus uit Matteüs 11:28: „Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt”. Maar waar die toevoeging over dat vermoeid en belast zijn door Jezus bedoeld is als een onderstreping van de werkelijkheid van de nodiging, daar wordt in deze kringen diezelfde toevoeging tot een zeer beperkende en benauwende voorwaarde: Om nu die belofte aan te nemen en tot Hem te komen, moeten we wel zodanig zijn als degenen, die hier door de Heere Jezus beschreven worden. Die waarlijk vermoeid is door de arbeid van de wet en beladen onder de zware last van zijn zonden en schuld, die wordt ingesloten in deze belofte. () Zonder grond zich beloften toeëigenen is een grote dwaasheid, is inbeelding, bedriegt de ziel tot haar verderf. Wat is hier nog ’welmenend’ aan het aanbod van God?
En ds Silfhout eindigt met te zeggen: Spreken over het verbond en de beloften van het verbond is niet zo eenvoudig. Juist dan komt het er namelijk zo op aan om niet af te wijken ter rechternoch ter linkerhand. Om aan de ene kant het welmenend aanbod van genade voluit te laten staan en aan de andere kant de deur niet open te zetten voor het zich zonder grond toeëigenen van de belofte.
„Niet zo eenvoudig”, zeg dat wel. Of, met de titel van het boekje van Blaauwendraad: Het is ingewikkeld geworden. Maar dat ligt dan toch vooral aan mensen, die bang zijn dat God de deur van Zijn Koninkrijk wel wat erg ver open heeft gezet.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief