Godsdienst of mensendienst
1998-08-21
Gods straffen zijn vaak ook lessen. We zouden van zijn oordelen – ook de oordelen waar we over lezen – moeten leren. Heel radicaal zelfs. Ze dringen ons tot omkering: echt luisteren naar de Here, ook naar woorden die we moeilijk vinden; Hij in het centrum, in plaats van: Hij moet er zijn voor ons.- Jaargang 42
- nummer 17
In de praktijk blijkt, dat mensen hardleers zijn.
Dat zie je bijvoorbeeld bij het restje Judeeërs, dat in het land is achtergebleven na de val van Jeruzalem. Het oordeel van de Here was verschrikkelijk geweest. Duidelijk ook: een oordeel over huis en tempel, over de manier van leven en de manier van geloven. Maar het bracht geen nieuwe mensen.
Bid voor ons
Nebukadnezar had Gedalja als gouverneur over het restje Judeeërs aangesteld. Er is dus toch nog leven na de crisis. Al is het heel bescheiden. Maar dan wordt Gedalja vermoord! En het volk raakt in paniek. Deze moord zal Nebukadnezar niet op zich laten zitten. Hij zal zeker komen en nu ook het restje wegvagen. Ze worden bang en kunnen maar één ding bedenken en dat is: wegwezen, vluchten naar Egypte. En meteen voegen ze de daad bij het woord. Maar als ze onderweg zijn, houden ze toch nog even halt. Zijn al in de buurt van Bethlehem gekomen. Maar ze bedenken zich: jongens, laten we toch nog maar even de profeet Jeremia raadplegen. Ze zeggen tegen Jeremia: ”bid voor ons”. Dat was natuurlijk een goede gedachte: de HERE raadplegen.
Zeker in zulke omstandigheden. ”HERE, zegt U ons wat we het beste kunnen doen”.
Hetzij goed, hetzij kwaad
Jeremia is bereid om voor het bange restje te bidden. Maar hij lijkt enige reserve te hebben. Hij zegt tenminste: akkoord, ik zal voor jullie bidden, maar dan zal ik alle woord dat de HERE u antwoorden zal, u meedelen, ik zal geen enkel woord verzwijgen. De mensen lijken de ondertoon te horen. Want ze haasten zich te zeggen: dat is in orde, Jeremia, zeg ons alles, en hoe het woord van de HERE ook uitvalt ”hetzij goed, hetzij kwaad, naar de stem van de HERE, onze God, tot wie wij u zenden, zullen wij luisteren”. Tjonge! Daar zeggen ze nog al wat! Durven wij dat tegen de HERE te zeggen? ”HERE, wij zullen naar U luisteren en U gehoorzamen, wat U ook zegt, of het ons bevalt of niet, of we het begrijpen of niet, of we het logisch vinden of niet, of we het leuk vinden of niet ...”.
De aap uit de mouw
Het volk moet 10 dagen wachten op antwoord. Terwijl ze zo’n haast hadden! En zo bang waren.
En het antwoord van de HERE luidt: ”Als jullie in dit land blijven wonen, zal Ik jullie beschermen en zegenen. Ik zal jullie genadig zijn, zodat Nebukadnezar jullie genadig is (mooie zin!). Maar ... als jullie niet naar Mij luisteren en toch asyl zoeken in Egypte, dan zal het zwaard, waar jullie bang voor zijn, jullie daar achtervolgen en jullie zullen in plaats van het leven daar de dood vinden. Ga dus niet naar Egypte”. Nauwelijks is Jeremia uitgesproken – hij heeft álles verteld, niets verzwegen – of het volk roept: ”Leugens! Jeremia, je liegt. De HERE heeft je niet opgedragen ons te zeggen dat we niet naar Egypte mogen gaan om daar te leven”.
Dan blijkt dat ze ten diepste toch niet van plan waren echt naar de HERE te luisteren. Dat zeiden ze wel. Mooie, vrome woorden. Maar eigenlijk hoopten ze alleen maar: Gods zegen over hun weg in de wacht te slepen. Ze hadden al besloten, ze waren al onderweg, maar Gods ”kemakeur” zou de laatste rest onzekerheid over deze ingrijpende vlucht kunnen wegnemen. We herkennen dat wel. Ook wij zeggen: HERE, hier ben ik, U wil ik volgen. En we zingen ”Neem mijn leven, laat het Heer, toegewijd zijn aan uw eer”. Grote woorden.
Gezongen op onze trouwdag bijvoorbeeld. Maar menen wij het echt? Of willen ook wij ten diepste Gods zegen over onze keuze, over onze weg. Mag de HERE ons leven werkelijk zó leiden, dat zijn eer zichtbaar wordt in ons leven, in goede en in kwade dagen? Volgen wij de Here Jezus, ook als dat ten koste gaat van onze leuke dingen en indruist tegen ons gevoel?
Gods kompas
Ons bidden is niet altijd godsdienst. Het kan gemakkelijk ontaarden in mensendienst. Wij centraal, God ons hulpje. Wij aan het stuur, God de motor. Echt bidden, godsdienstig bidden, is: de leiding van je leven uit handen geven, in de handen van je hemelse Vader. Dat is niet gemakkelijk. Daar moet je de HERE goed voor kennen. Hem zó vertrouwen, dat zelfs de slechte raadgever angst het zwijgen wordt opgelegd.
Ook bij de Judeeërs was het vooral angst. En redelijke angst. Ja toch? Ze konden op hun vingers natellen, dat Nebukadnezar de strengste maatregelen zou nemen. Ze kenden hem.
En toch kan de HERE wegen wijzen, die tegen alle redelijkheid in lijken te gaan. De HERE vraagt geloof van ons, dat zijn woord als kompas neemt. De schijnbare feiten kunnen bedriegen. Zoals je aan het kanaal kunt denken, dat het water naar rechts stroom. Je ziet de golfjes toch die kant opgaan. Tot je de dobber naar links ziet drijven. Daarom: toch maar eerlijk bidden en eerlijk luisteren. God kent álle feiten, ook de diepste en de laatste.