’De Heer die was en is’ (1)
1998-08-21
’Gij volgt ons uit Jeruzalem’, zo is de inzet van gezang 72, één van de prachtige liederen van Willem Barnard. Niet wij die de Heer volgen, maar de Heer die ons tot reisgenoot wordt. Het lied is geschreven vanuit Lucas 24, waar de Opgestane het gezelschap zoekt van twee van zijn leerlingen. Het is – zoals steeds – de aanwezigheid van de Heer zelf, waardoor alles anders wordt en die aanwezigheid maakt dat zijn twee volgelingen veranderen van gedesillusioneerden in vurige getuigen. Voorwaar een ommekeer van 180 graden, af te lezen aan het retourtje Jeruzalem van de twee uit Emmaüs. In twee artikelen over ’de Heer die was en is’ betrek ik deze wonderlijke tijd van de veertig dagen tussen opstanding en hemelvaart.- Jaargang 42
- nummer 17
Veertig dagen, twintig eeuwen
De geschiedenis van de Emmaüsgangers is één van die sprekende momenten uit het tijdsbestek van maar veertig dagen, dat voor Jezus’ volgelingen iets moet hebben gehad van waken en dromen à la psalm 126.
Omdat de Opgestane niet meer de aardse Jezus van voorheen was, maar de nieuwe mens, verheerlijkt en in veel opzichten onnavolgbaar. Het was een tijd, waarin Jezus’ aanwezigheid soms wel, maar vaak ook niet zichtbaar (en ervaarbaar) werd voor zijn leerlingen. Met soms momenten, die het vertrouwde hadden van de dagen van weleer, toen ze rondtrokken met hun Meester, maar dan weer leek het een voorproefje van de eeuwen, die nog zouden komen. Deze korte periode is, zo denk ik, van blijvende betekenis geweest voor de christelijke kerk – om tenminste drie redenen. In de eerste plaats kreeg het getuigenis van de opstanding in die weken de nodige breedte. Iemand als Paulus haalt in 1 Corinthe 15 de kracht van zijn verkondiging (mede) uit die breedte van het getuigenis van de opstanding, wanneer hij teruggrijpt op Jezus’ verschijningen aan Kefas, de twaalven en dan nog eens aan vijfhonderd broeders tegelijk, etc (1 Corinthe 15:5-8).
Ten tweede heeft de Heer in de veertig dagen na zijn opstanding de tijd genomen voor een update van het evangelie, zoals Hij dat in zijn aardse tijd al had verkondigd. Boodschappelijk heeft de opgestane Jezus dus zèlf de lijnen doorgetrokken tot aan het punt, waarop de getuigen van het eerste uur hun missie zouden gaan beginnen – geleid door de Geest. Het punt dus, waarop voor ons besef de eigenlijke geschiedenis van de kerk begint. In de derde plaats is deze periode uniek vanwege de mengeling van aanen afwezigheid van de Opgestane. Of misschien nog beter gezegd: vanwege een vernieuwde aanwezigheid van de Heer, soms direct ervaarbaar en dan weer niet. Ook dat lijkt me van blijvende betekenis voor de tijd, die weldra aan zou breken – en waarvan anno 1998 al bijna twintig eeuwen zijn verstreken.
De Opgestane en zijn Koninkrijk
Eerst maar eens iets over dat tweede punt. Je hoort namelijk direct in het begin van het boek Handelingen (1:3), dat de Opgestane zèlf bezig is geweest om de lijnen van de verkondiging van vóór Pasen door te trekken de nieuwe tijd in. Alles was immers door zijn opstanding in een nieuw licht komen te staan – alles wat Jezus begonnen was te zeggen en te doen (Handelingen 1:1). Het zou dan ook, gelet op de impact van zijn dood en opstanding, heel verwonderlijk zijn geweest als Jezus niet was teruggekomen op de woorden en tekenen uit zijn aardse tijd! Zo lees je dus in Handelingen 1:3 dat Jezus gedurende de veertig dagen tot hen sprak ’over al wat het Koninkrijk Gods betreft’. Het Koninkrijk van God!
Dat was tijdens Jezus’ rondgang dé karakteristieke aanduiding van Gods heilzame nabijheid in Jezus geweest.
Het is niet moeilijk om dat, lezend in de evangeliën, op te maken uit Jezus’ woorden, waarin hij de mensen confronteerde met de vele kanten aan de zaak van het Koninkrijk – niet zelden verrassend (zie b.v. de gelijkenissen uit Mattheüs 13). En Jezus maakte Gods heerschappij zichtbaar in de genezing van zieken en in de nederlagen, die hij de wereld van de demonen toebracht (Lucas 11:20). Het Koninkrijk van God is nabijgekomen!
Op die boodschap kwam Jezus terug na zijn lijden en opstanding. Lucas meldt dat in zijn tweede boek, zonder er inhoudelijk nader op in te gaan (Handelingen 1:3).
Maar in dat spoor zijn de apostelen wel voortgegaan, zodat je ze het Koninkrijk van God hoort verkondigen (Filippus, Handelingen 8:12; Paulus, Handelingen 19:8, 28:23). En ze verkondigen in één adem met die boodschap van het Koninkrijk: Jezus. De verstrengeling van de boodschap van het Koninkrijk en Jezus zit al in de genoemde teksten (m.n. 8:12, 28:23), maar je vindt het ook in Paulus’ brieven, b.v. als hij het heeft over ’het Koninkrijk van de Zoon van Gods liefde’ (Colossenzen 1:13). En zo is er meer te noemen.
De Opgestane en zijn lijden
Naast Handelingen 1:3 is er nog zo’n moment, waarop je gedachten teruggaan naar de tijd, dat Jezus rondtrok.
Dat is wanneer de opgestane Jezus ingaat op het verslag van de beide pelgrims uit Emmaüs aangaande het drama, dat zich in Jeruzalem had afgespeeld. De Verheerlijkte reageert als volgt op het punt van de lijdende Messias: ”O onverstandigen en tragen van hart, dat gij niet gelooft alles wat de profeten gesproken hebben! Moest de Christus dit niet lijden om in zijn heerlijkheid in te gaan? En Hij begon bij Mozes en bij al de profeten en legde hun uit, wat in al de Schriften op Hem betrekking had” (Lucas 24:25-
27).
Je moet misschien eerst even door een licht gevoel van teleurstelling heen, want ook hier is het, net als in Handelingen 1:3, zo summier. Ik had wel iets meer willen horen over die passages uit de Schrift, die de Heer blijkbaar te berde heeft gebracht. Iets meer over het grote ’waarom’ van zijn lijden en dood. Of ook meer over het wonderlijke feit dat de dood van één zo heilzaam kon uitpakken voor velen ’Hoe kan de dood van iemand in een ver verleden voor mij, die vele eeuwen later leeft, heil en redding betekenen’, is het gevleugelde woord uit het veelbesproken boek van Den Heijer1. Maar daar zitten wel de vragen, die zomaar je pad kunnen kruisen en wie was in zulke vragen een betere gids geweest dan de Heer zelf? Maar je hoort niet meer dan twee dingen.
De Schriften
Het eerste is, dat de Verheerlijkte zijn lijden verankert in de boodschap van het Oude Testament – zonder dat je dus de details te horen krijgt. Alsof de evangelist ons wil uitnodigingen om zelf die Schriften van het Oude Testament door te gaan (vgl. Handelingen 17:11) om met eigen ogen te zien ’wat in al de Schriften op Hem betrekking had’2.
Maar hoe dat ook zij, met die opening van de Schriften, zoals de Emmaüsgangers het even later zelf typeren, heeft Jezus de apostolische verkondiging wel voorgoed vastgemaakt aan het Oude Testament. En als de apostelen in de decennia die volgen aan het verkondigen en schrijven slaan – of je nu Paulus, Petrus of de schrijver van de brief aan de Hebreeën hoort – dan zijn ze in de geest van deze aanzet van Jezus te werk gegaan. Steeds weer hebben ze laten zien hoe Jezus’ leven en sterven was ingebed in de Schriften en daar overheen hebben ze ook zelf in hun verkondiging zulke verbanden gelegd. Helemaal in de lijn van deze eye-opener van Jezus, die Hij meegaf aan de Emmaüs-gangers op de eerste van die veertig dagen.
Zeker, ook de áárdse Jezus verwees naar dat unieke verband tussen zijn weg en de Schrift (b.v. Lucas 18:31; Mattheüs 26:54-56), maar vrijuit sprak Hij er over toen hij als de Verheerlijkte onder hen was gedurende die unieke veertig dagen. Het is richtinggevend geweest voor de verkondiging van het evangelie van Jezus Christus, door de eeuwen heen.
Door een geheimenis omsloten
Het tweede – van niet minder gewicht – is dat Jezus’ weg van lijden en dood door een geheimenis is omsloten. En dat is zo gebleven, ook na de opstanding.
Als Jezus namelijk in zijn reactie op de Emmaüs-gangers terugkomt op zijn lijden, dan hoor je opnieuw dat de Christus dit moest lijden op weg naar zijn heerlijkheid. Over de ’waaroms’ van zijn lijden of over de wijze waarop dit lijden van Christus òns heerlijkheid brengt, hoor je strikt genomen niets.
Het betekent, dat de Heer ons ook na zijn opstanding brengt tot bij de grens van het ’moeten’ en niet daarachter. Ik schreef ’opnieuw’, want tussen het spreken van Jezus vóór en na Pasen zit maar weinig verschil als het over dit geheimenis gaat. Neem b.v. de lijdensaankondigingen, waarin je hetzelfde ’moeten’ vindt3. Dat betekent m.i. dat het geheimenis van Jezus’ lijden, ook door de dood en opstanding van onze Heer heen, niet opgehouden is geheimenis te zijn. Leg je vervolgens je oor te luisteren bij de getuigen, zoals Petrus en Paulus, dan zie je dat ze zich in hun spreken en schrijven bewust zijn geweest van dit geheimenis en zijn grenzen. Zodat je in het Nieuwe Testament geen pogingen ziet om – haast letterlijk – ’achter’ deze woorden van Jezus te komen (zulke pogingen om ’achter’ het geheimenis te komen zijn mij tenminste onbekend). De apostelen hebben deze begrenzing, die al door de aardse Jezus was aangegeven en door de Verheerlijkte is bevestigd, gerespecteerd en zich met alle kracht gericht op de verkondiging van het feit dàt Jezus’ lijden, dood en opstanding zo heilzaam is voor de wereld. Ook op dat punt trekken de getuigen van het Nieuwe Testament eensgezind op.
Voor en na Pasen
De opgestane Heer trok in de veertig dagen dus zèlf de lijnen door van de boodschap van Koninkrijk, zoals Hij die verkondigd had in zijn aardse tijd. Jezus zèlf heeft daarmee een brug geslagen tussen zijn eigen verkondiging uit de tijd dat Hij rondtrok door Galilea en Judea èn de verkondiging van de apostelen na Pinksteren. Met betrekking tot de verkondiging van zijn lijden en dood zou je iets vergelijkbaars kunnen zeggen.
In een boek als van Den Heijer valt op hoe de onderscheiding tussen de Jezus vóór en na Pasen zo sterk wordt uitvergroot, dat je komt te staan voor een bijna onoverbrugbare kloof tussen de aardse Jezus die ’was’ en de Opgestane die ’is’ of als zodanig verkondigd wordt door zijn volgelingen4. Met de unieke betekenis van deze veertig dagen, als een onmisbare schakel tussen beide, wordt door Den Heijer en geestverwanten dan ook niet (of onvoldoende) gerekend.
Doe je dat wel, dan zie je de samenhang tussen wat Jezus begonnen is te doen en te zeggen en de verkondiging van de apostelen groeien. Over twee weken wil ik graag nog iets schrijven over dat derde winstpunt uit die veertig dagen, de aanwezigheid van de Opgestane en de betekenis daarvan voor de christelijke kerk op de drempel van de 21e eeuw.
Noten:
1 C.J. den Heijer, Verzoening, Kampen 1997. p.136 2 De reeks van ds. J.M. Mudde, die in de maanden mei en juni in Opbouw te lezen was is daarvan een goed voorbeeld.
3 Den Heijer probeert dit ’moeten’ uit te leggen in de zin van ’het was onvermijdelijk, daar moest het gezien de tegenstand wel op uitlopen’ (p.25). Maar voor een dergelijke uitleg zijn deze passages in de evangeliën veel te geladen. Vergelijk ook H. Baarlink, Het evangelie van de verzoening, p.50vv.
Ds. Mudde spreekt in genoemde reeks (Opbouw 42e jrg. nr. 13-16) wel van een ’van Godswege moeten lijden’ en belicht vervolgens dat ’moeten’ vanuit het perspectief dat ’de Here Jezus ook in de weg van de lijdende rechtvaardigen uit het Oude testament moest (cursief, fg) gaan’ (p.245) – met alle bemoediging en appèl, die daarin voor zijn volgelingen ligt opgesloten. Hoeveel moois en waars in deze gedachte ook meekomt, ik houd het er toch op dat het ’moeten’ in de lijdensaankondigingen en Lucas 24 vooral betrekking heeft op het feit dàt de Christus moest lijden en minder op de wijze waarop – al heeft de weg van Jezus ook in de ’manier waarop’ blijvende betekenis. De inleiding van het derde artikel (p.264), bevalt me dan ook een stuk beter: ”Uit de wijze waarop de Heiland Psalm 22 op zichzelf betrekt, spreekt dat Hij in de lijn van de lijdende rechtvaardigen van het Oude Testament heeft willen gaan”.
4 Den Heijer heeft het, als het gaat over Jezus’ rondgang door Galilea en Judea, bij voorkeur over de ’historische’ Jezus. Maar dat brengt bij hem zo’n kritische benadering mee, dat het werkelijke unieke van Jezus wordt weggefilterd.
Het resultaat van zijn aanpak zie je b.v. in de zogenaamde mini-biografie van Jesjoea van Nazareth, waarmee Den Heijer al op p.7 van zijn boek komt: ”Mens onder de mensen, maar ook een bijzonder mens, inspirerend en creatief, op zoek naar mensen in nood; een mens naar Gods hart die tegenstand opriep en uiteindelijk een gewelddadige dood aan het kruis stierf”. Veel liever dan over de ’historische’ Jezus, spreek ik – als het gaat om de tijd vóór pasen – over ’de aardse Jezus’, of ’Jezus in zijn aardse tijd’. Het zijn typeringen, die meer ruimte laten voor het onvergelijkbare van Jezus (zo ook: H. Baarlink, Het evangelie van de verzoening, p.34,35).